Berichten

Slagschip

Wanneer  je vader voorzitter is van modelboot bouw vereniging “Poseidon” ben je aan je stand verplicht om ook een boot te bouwen, vond de 16 jarige Martin en dacht aan het vervaardigen van het grootste schip dat ooit door de clubleden van de vereniging aanschouwd was. Hij zou ze wel eens een poepie laten ruiken en eindelijk door die snoevers van het bestuur serieus genomen worden. Vooral zijn vader zou hem dan met andere ogen gaan bekijken. En dat werd tijd, omdat hij nooit ergens aan mocht komen van hem. Martins opmerkingen en ideeën werden meestal weggehoond.

Hij sprak in het geheim af met ome Jan, de jongere broer van zijn vader, die ook lid van de vereniging was en ook vaak met zijn grote broer overhoop lag. In zijn schuurtje bouwden ze stiekem een oorlogsschip met 20 boordkanonnen, echt draaiende radarschermen, reddingssloepen en natuurlijk de radiografisch bestuurbare motor, die het gevaarte geruisloos over de kanovijver van het Zuiderpark zou moeten laten glijden. Het schip werd wel anderhalve meter lang. En dat is zeer groot voor een modelboot. Naarmate de tijd verstreek, had Martin steeds meer moeite om voor zijn vader te verzwijgen waar hij mee bezig was, zelfs toen hij zijn moeder in het complot betrokken had. Ondanks de geheimzinnige stemming in huis had zijn vader niets in de gaten. Aan tafel bleef hij, zoals altijd, opschepperige anekdotes vertellen over zijn enorme slimheid. Tot de grote dag.

Bij de kanovijver werd, zoals elk jaar een gezamenlijke open dag gehouden door een aantal modelboot bouw verenigingen uit Rotterdam. Ze werkten samen, maar omdat er wedstrijden werden gehouden gunden ze elkaar het licht in de ogen niet. Er was meestal ontiegelijk veel gezeik over de jurysamenstelling en beschuldigden ze elkaar voortdurend van partijdigheid. Rond de vijver waren op de grote dag een aantal kramen neergepoot, gevuld met een groot aantal modelboten van allerlei soort en er werden demonstraties modelbootvaren gegeven. Het was prachtig weer, er werd zelfs gezwommen. Martin en ome Jan zouden pas tegen de middag verschijnen om het effect van de verrassing nog groter te maken. Om tien over twaalf stopte het busje van ome Jan op de parkeerplaats. Ze stapten uit, zetten hun “Poseidon” petten op en namen de situatie in ogenschouw. Het was druk bij de kramen en de vijver, maar Martin zag direct de rijzige gestalte van zijn vader, die met zijn armen over elkaar en met neergetrokken mondhoeken naar iemand stond te luisteren.
Daarna schudde hij z‘n hoofd, draaide zich om en beende weg. Martin zag nu ook zijn moeder, die zijn vader na stond te kijken. Het slagschip werd uit geladen en door ome Jan in Martins armen gevleid, die het, op van de zenuwen, bijna uit zijn poten liet vallen. “Kijk uit, jochie” siste ome Jan en keek zijn neef onderzoekend aan, “volgens mij ken je een ei in je reet gaarkoken, istnie?” Martin knikte bleekjes. Het was nu of nooit en daar stapte Martin kloek, stevig met de kruiser in zijn armen, alsof het een geweer betrof, op de menigte af. Hij keek niet op of om en stapte regelrecht naar de rand van de vijver. Het publiek week vol ontzag uiteen en er klonken kreten van bewondering.

Op een afstand stond zijn vader met open mond te kijken naar zijn slungelige zoon die rustig de boot in het water plaatste, van zijn oom de afstandsbediening aannam en de motor startte die onmiddellijk aansloeg. Als in een film gleed het slagschip over het water. Het zag er fantastisch uit en verschillende leden van de vereniging kwamen erbij staan en klopten hem op de schouders en overlaadden hem met een reeks complimenten waar Martin behoorlijk van in de war raakte. Hij hoorde zijn oom zeggen dat hij maar een heel klein beetje geholpen had. Ome Jan gaf Martin dus alle eer. Daarop draaide hij zich om en stond ineens oog in oog met zijn broer, die hem zwijgend aankeek en met samengeknepen lippen zijn hoofd schudde. Plots klonken er kreten vanaf de vijver, waar een grote opwinding heerste. De motor was uitgevallen waardoor het schip stuurloos op de vijver ronddobberde. De zwemmers die vanaf de te waterlating oplettend waren geworden, naderden nu snel het scheepsmodel. Martin sprong nerveus langs de kant heen en weer en riep in paniek om een rubber bootje, dat hem door een bekende gestalte werd aangereikt. Het was zijn vader, die hem ook nog de peddel overhandigde. Ze keken elkaar even aan. Er werd geen woord gesproken, terwijl Pa de rubberboot vast hield en Martin snel aan boord stapte en zacht “bedankt” mompelde. Hij wist niet zeker of zijn vader hem wel gehoord had.
De jongen peddelde nu ijlings naar zijn meesterwerk. De zwemmers waren akelig dichtbij gekomen en maakten al aanstalten het schip te enteren. “Afblijven!!”gilde Martin met een hoog stemmetje. Vertwijfeld kwam hij overeind in het rubberbootje. Hij reikte naar het slagschip, verloor zijn evenwicht en stortte met de peddel in de aanslag op het scheepsmodel. Martin ging kopje onder en kwam weer boven te midden van de wrakstukken van zijn noeste arbeid. Verbijsterd keek hij om zich heen, zwom naar de kant en werd daar door ome Jan op het droge geholpen. Zijn moeder had een handdoek geleend en begon hem droog te wrijven. Al die tijd had hij de pet opgehouden, die zijn moeder nu van zijn hoofd haalde. Hij keek zwijgend en witjes voor zich uit en leek opeens op een ontredderde kleuter. Ontroerd sloeg zij haar arm om hem heen en fluisterde: “ Ach, jochie toch. Je vader is apetrots hoor, want  hij staat aan iedereen te vertellen dat zijn zoon, stiekem dat geweldige slagschip gebouwd heeft en dat zo’n ongeluk iedereen kan overkomen. Hij zal het alleen niet tegen je zeggen.” Martin glimlachte even naar zijn moeder en zag hoe allerlei vrijwilligers de kapotte onderdelen van zijn werkstuk verzamelden en bij hem brachten. “Kunnen we best nog wat van maken jongen”, zei ome Jan.

Aad Wieman. Rotterdam, 5-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

Eierkoek.

De bedwelmende geur van vers gebakken brood, drong vanuit de grote bakkerij het winkeltje binnen, waar de huisvrouwen, die met de portemonnee in de hand, de tas aan hun arm, op hun beurt stonden te wachten. Ze babbelden er intussen lustig op los over allerhande belangrijke onderwerpen zoals het weer, hun man of zaken als: “ik zag dat Riet een nieuwe jas heb, waar doet ze het toch van” of “Kraaig jaaj auk oltijd zo honger van die luch? O, het doet gewaun zeer, joh. Ik mot gauw wa-tebbe, eh koekie of zo, want Ik valt toch ech baaina van de graat, daaluk. En dan een lekkere kom zuipe d ‘r baaj. Weetjenie?” Of “Maaid, ik seg-nog-tege-me-man-ik-zeg. Ik-weenie-wak-heb-mareeehh….”enz. enz. Zulk gezellig gekout hoorde men meestal elke morgen in deze nering en de gemiddelde clientèle genoot hiervan. Vooraan bij de toonbank met de smakelijk gevulde vitrine stond een moeder met een wandelwagentje waarin een brabbelende baby lag. Naast haar hipte en danste een jongetje van een jaar of acht, die behept was met een opmerkelijk woeste, vlammend rode kuif. Water, brilcream, borstel en kam hadden duidelijk geen vat op zijn haardos, dit tot ergernis van zijn moeder die telkens met haar vrije hand zijn stugge pruik probeerde te temmen. Ze was duidelijk zeer moe, wat niet direct aan het haar van haar zoontje hoefde te liggen natuurlijk. Het jongetje liet zich de ruwe liefkozingen van zijn moeder welgevallen alsof het een noodzakelijk kwaad betrof en had zich inmiddels zuchtend op de vitrine gestort om de daarin opgetaste lekkernijen likkebaardend te bewonderen. Aan de beweging in zijn rug zag je een idee ontstaan, want hij knikte blij en wees naar iets in de vitrine. Zijn moeder had geen oog voor hem omdat ze hier, in deze winkel scherp op haar beurt moest letten. Met een aandoenlijk hees stemmetje sprak het jochie snel: “ Mam, maggik een eierkoek?.” “Wat? Nee” “Ma-ham, maggik een eierkoehoek?” “Nee, Roel. Je krijgt geen eierkoek” Sprak de vrouw beslist. Je kon aan haar toon horen dat ze dit al vaker aan de hand had gehad en dat zwichten voor zijn smekende blik op de loer lag en dat was vandaag niet de bedoeling. Hij was toch al zo verwend. Hij pakte haar hand en richtte nu zijn beruchte smekende blik op haar, met de bedoeling haar van binnen te doen smelten. Ze rechte haar rug en werd gered door het winkelmeisje dat haar vragend aankeek. Ze was gelukkig aan de beurt en begon duidelijk en ferm haar bestellingen te plaatsen. Het jongetje zag dat zijn methode niet werkte en wierp zich theatraal voor de vitrinekast, keek verlangend naar binnen, stak zijn handen hemelwaarts en zuchtte met verstikte stem: “Ik krijg ook nooooit een eierkoek” Hij slikte want hij wist dat huilen geen zin had. Dat was meer iets voor zijn zusje. Hij besloot tot een andere strategie. Als zijn moeder een bestelling had uitgesproken siste hij er gauw “en een eierkoek” achteraan. “Een heel wit en een halfje knipkrop..” “En een eierkoek” Na de derde kreet om de eierkoek schreeuwde moeder “Hou op, Roel. Nee, Je krijgt geen eierkoek.” Roel stak nu boos zijn handen in de zakken van zijn spijkerbroek en zweeg verbeten. Al die tijd had een grote zware man met een forse, lichtgroen geruite pet op het hoofd, op een afstandje geamuseerd staan toekijken. De lachrimpels naast zijn ogen verrieden hem, terwijl hij probeerde zo ernstig mogelijk naar eierkoekenstrijd te kijken. Toen hij aan de beurt was bestelde hij: “Een halfje volkoren en O, ja. Geef mij al die eierkoeken” Het effect op roodharige Roeltje was adembenemend. Het anders zo kleurige gezichtje werd spierwit, zijn lichtgroene ogen veranderden in donkere poelen van woede. Hij draaide zich langzaam en met gebalde vuisten naar de verachtelijke figuur die zo laaghartig al zijn eierkoeken inkocht en verhief zich om de onverlaat van repliek te dienen, toen zijn moeder op tijd ingreep met de corrigerende kreet: “Roehoel!!! Je houdt je mond, hoor. Die meneer moet zelf weten of hij 1 of 16 eierkoeken koopt. Daar heb jij niks mee te maken.” De jongen liep leeg en kon zijn tranen nauwelijks bedwingen. De man met de groene pet stapte op het teleurgestelde ventje af en diepte uit de zak een eierkoek op en hield het de jongen voor, die verbaasd opkeek en met een triomfantelijke blik op zijn moeder de koek aannam. “Ach, dat hoeft helemaal niet hoor meneer. Hij hoeft niet altijd zijn zin te hebben” en tegen haar zoon: “Wat zeg je nou?” “Hij hoeft niks te zeggen hoor, mevrouw. Ik ben jarig vandaag en dit is voor mij collega ‘s. Jullie hoeven me niet te feliciteren en een goede morgen nog allemaal” Hij nam met een zwierig gebaar zijn pet af en daar onder bleek hij het zelfde weerbarstig rode haar te dragen als Roeltje. De aanwezige klanten keken allemaal verbaasd zwijgend de groetende man na en begrepen: ze waren getuigen van een staaltje solidariteit van roodharigen onder elkaar. Daar ga je niet tussen komen

De Kuip, sentiment of ratio (slot)

Beste Feyenoord-vrienden,

De jaren tachtig verliepen, met uitzondering van de periode 1982-1984, dramatisch voor Feyenoord, hetgeen zijn weerslag had op het Kuipbezoek. Het eens zo trotse voetbalbolwerk was bij thuiswedstrijden verworden tot een akelig lege, kille, desolate bak . Het geduld en incasseringsvermogen van de  immer hondstrouw geachte supportersscharen die als enige in Nederland met de eervolle bijnaam ‘Het Legioen’ worden aangeduid, waren nu uitgeput en verdampt. In de vette eerste helft van de zeventiger jaren werd nog geroepen dat indien Coen Moulijn samen met Ernst Happel een kaartje zou leggen op de middenstip dat al voldoende zou zijn om 40.000 toeschouwers naar De Kuip te lokken.  Maar het eerst zo door en door verwende publiek kon het op het laatst toch niet meer opbrengen. Het substantieel inboeten aan kwaliteit en klasse op het veld en het daarmee samenhangende  stelselmatige afbrokkelen van de prestatiecurve waren fnuikend gebleken voor het Kuipbezoek. De dominantie van Ajax, ook nadat wereldsterren  als Cruijff, Keizer, Neeskens, Suurbier en Krol waren verdwenen, nam geleidelijk toe. Daarnaast was er de tomeloze opkomst van PSV, dat met behulp van de grote elektronische suikeroom vanaf het seizoen 1985-1986 voor lange tijd de hegemonie greep in de vaderlandse competitie en naast vier achtereenvolgende landstitels in 1988 zelfs de treble (kampioen, beker en Europacup I) won.

Alleen de seizoenen 1982-1983 en 1983-1984 waren voor de Feyenoord-supporters nog een revelatie, welke appelleerden aan vervlogen triomfantelijke tijden. In 1983 werd Feyenoord met zijn gevreesde luchtmacht (Ruud Gullit, Peter Houtman en de Bulgaarse Andrej Jeliazkov) net geen kampioen en kopte het AD: ‘Ajax kampioen van de regelmaat, Feyenoord kampioen van de topwedstrijden’. Zo werd PSV  in Eindhoven met 1-3 verslagen (ter vergelijking: Ajax verloor dat seizoen met 4-0 in de Lichtstad), werd tegen Ajax twee maal een gelijk spel geboekt (2-2 thuis en 3-3 uit) en werd AZ, destijds nog gesponsord door de gebroeders Molenaar, twee maal verslagen. Toen na dat succesvolle maar toch ‘net niet’ seizoen ook nog een jegens zijn oude club rancuneuze Johan Cruijff aan de – landelijk gezien –  reeds kwaliteitsrijke selectie kon worden  toegevoegd en waarvan ook verloren zoon Michiel van de Korput weer deel  ging uitmaken, was dat net voldoende om in 1984 een glorieuze ‘dubbel’ (titel + beker) in de wacht te slepen. Johan Cruijff, inmiddels 37 jaar oud, weigerde er vervolgens nog een seizoen aan vast te plakken, tot grote teleurstelling van trainer Thijs Libregts. Nu ging het snel bergafwaarts met de club. Ik herinner mij uit die tijd, die zeker tot 1990 duurde, de verhalen over supporters die na weer een verloren wedstrijd uit frustratie hun seizoenkaart (toen nog geen plastic pasje) verscheurden. De toeschouwersaantallen slonken tot minder dan 10.000 in thuiswedstrijden en Feyenoord speelde nog slechts een figurantenrol in de vaderlandse competitie.

Het tij keerde nadat Jorien van den Herik de macht greep binnen de Feyenoord-top, naar eigen zeggen om zijn in Feyenoord gestoken geld zelf te kunnen blijven bewaken. Als cruciaal keerpunt wordt wel beschouwd de bekerzege van Feyenoord op PSV in Eindhoven op 11 april 1991. John de Wolf, kort daarvoor (op 3 maart) nog verketterd na de kansloze 6-0 zeperd in datzelfde Philips-stadion, speelde nu een glansrol. Romario, bij de 6-0 nog goed voor vier goals, werd door de robuuste verdediger ditmaal helemaal uitgeschakeld. Zijn maatje in het centrum van de verdediging, Henk Fraeser, scoorde het enige en beslissende doelpunt in die gedenkwaardige en historische wedstrijd.  Feyenoord bloeide weer op, in vijf seizoenen werden 4 bekers,  1 landstitel en 1 supercup gewonnen. Het elftal straalde behalve degelijkheid vooral strijdlust uit welke bij veel supporters anno 2013 nog steeds tot de verbeelding spreekt en de selectie met Regi Blinker, Gaston Taument en Robbie Witsche zong zelfs datFeyenoord van muis weer olifant was geworden. De Kuip begon weer vol te stromen, de crisisjaren tachtig waren behalve voor  de vaderlandse en wereldeconomie nu ook voor Feyenoord eindelijk voorbij.

In 1994 volgde een ingrijpende renovatie van De Kuip, die in totaal meer dan 100 miljoen gulden zou kosten. Er kwam een dak, maar helaas wat aan de korte kant, zodat nog steeds veel  supporters de regen moesten trotseren, hetgeen nog werd verergerd door lekkage die bij hoospartijen heuse watervallen te weeg bracht. De renovatie was eigenlijk niet veel meer dan een tafel die over de bestaande Kuip werd geschoven, al werd ook de grasmat vernieuwd en uit veiligheidsoverwegingen een gracht rond het veld gegraven. Verder werd in het fonkelnieuwe Maasgebouw ook een home of history gerealiseerd aan de hand waarvan jong en oud zich kon vergapen aan het glorierijke verleden van de nationale volksclub bij uitstek. En op de tribunes verdwenen alle staanplaatsen en verschenen er nieuwe blauwe en rode kunststof  Kuipstoeltjes.

Maar bijna twintig jaar later raakt de Heilige Kuip nu toch steeds meer gedateerd. Popgroepen willen er geen concerten meer geven en verkiezen de overdekte accommodaties als de Arena en het Gelredome. Een groot stadion zoals De Kuip valt nauwelijks te exploiteren als de inkomsten uitsluitend  door het voetbal moeten worden gegenereerd, laat staan als dat bijna alleen nog door de thuiswedstrijden van Feyenoord moet gebeuren. De (K)NVB haakt steeds meer af waar het wedstrijden van Oranje betreft en Europacupwedstrijden zijn anno 2013 een zeldzaamheid geworden. De kans dat ook de bekerfinale op termijn uit de Kuip zal verdwijnen is levensgroot. Ook de UEFA zal De verouderde Kuip niet snel meer aanwijzen voor een finale. De plannen voor nieuwbouw hebben geleid tot heftige en zelfs grimmige discussies tussen voor- en tegenstanders, waarbij alternatieve plannen tot een tweede renovatie inclusief  uitbreiding worden aangevoerd.

Als oude supporter, die vanaf zijn prille jeugd emotioneel onverbrekelijk met Feyenoord en met De Kuip is versmolten, ben ik persoonlijk van mening dat nieuwbouw hoe dan ook de voorkeur verdient. Of het er van komt ondanks de het Rotterdamse college van burgemeester en wethouders al een garantiebesluit heeft genomen (dat overigens nog naar de gemeenteraadmoet) is nog steeds moeilijk te zeggen. Maar ik hoop vurig van wel. Het oude stadion voldoet gewoon niet meer  aan de moderne eisen voor een multifunctionele accommodatie die dus uit oogpunt van exploitatie ook voor andere doeleinden gebruikt moet kunnen worden. De vorige ingrijpende renovatie heeft geleerd dat ondanks alle aanpassingen veel bij het oude blijft, zoals de oude betonnen bak, de betrekkelijk krappe zitplaatsen, zeker in vergelijking met de Arena en het Philips- stadion, waar de zitplaatsen veel royaler en dus gerieflijker zijn en het ontbreken van ruimte voor eigentijdse megaschermen, waarop bijvoorbeeld wedstrijdmomenten kunnen worden herhaald. Gevoelsmatig, los van alle al dan niet aanvechtbare voorcalculaties, ben ik ervan overtuigd dat de volksclub Feyenoord, die structureel terug wil naar de absolute top van Nederland en die af wil van de decennia lange ‘net niet-status’, alleen gebaat is met een fonkelnieuw stadion, waarmee een mooie toekomst voor Feyenoord weer jarenlang geborgd is.

Bij mij wint dus de ratio het in dit geval van het sentiment. De oude Kuip zit ook bij mij heel diep, maar terugblikkend op het roemruchte verleden kan ik niet anders concluderen dan dat Feyenoord al veel te lang aan het sukkelen is en dat de renovatie van 1994 niet heeft gezorgd voor een blijvende terugkeer van ons dierbare Feyenoord aan de top. Wat wel heel wezenlijk zal zijn is de locatie. Die moet vooral goed blijven aansluiten bij de infrastructuur, ook die van het openbare vervoer, in het bijzonder het hoogwaardige railvervoer. Als dat wordt gerealiseerd en dat in samenhang met een weloverwogen, opnieuw  ontwikkelde omgeving, dan zijn de randvoorwaarden voor een mooie toekomst van onze club weer voor lange tijd gewaarborgd. Ik hoop zelf die nieuwe toekomst nog een poosje te mogen meemaken, nu de jaren voor mij gaan tellen. Ik heb dankzij een bypass-operatie in 2003 al extra levenstijd gekregen en op 12 augustus aanstaande hoop ik 66 jaar te worden.  Afgelopen vrijdag beleefde ik bij toeval een deel van de indrukwekkende uitvaart aan de Langenhorst van supporter Rooie Marck, toen ik vanuit Zuid-Oost-Brabant op weg was naar mijn hoogbejaarde moeder aan de Schoonegge om haar 94ste verjaardag te vieren. Zo werd ik op heel bijzondere wijze weer bepaald bij de vergankelijkheid van het leven. Voor ons allen wacht ooit het bordje ‘einde’ en niemand weet waar dat precies wordt geplaatst. Voor Feyenoord ligt dat anders, de club is in beginsel ‘eeuwig’, de individuele supporter echter tijdelijk. Daarom is het rationele belang van de club toch net iets groter dan het sentiment van de individuele supporter, hoe waarachtig en oprecht die gevoelens jegens de club ook mogen zijn en hoezeer die de club ontegenzeglijk groot hebben helpen maken.

Ik wens dan ook alle autoriteiten die er in dit verband toe doen, zowel de publiek- als privaatrechtelijke, veel wijsheid toe bij de uiteindelijk te nemen en dan onomkeerbare besluitvorming omtrent de toekomst van ons aller zeer dierbare Feyenoord. Diezelfde wijsheid zal ook in het Legioen rijkelijk aanwezig dienen te zijn ter voorkoming dat de uiteindelijke keuze tussen nieuwbouw en renovatie niet blijvend als een splijtzwam zal werken, zowel onderling in de supportersscharen als wel tussen (delen van) Het Legioen en het clubbestuur.

ForLife en ForEver

Rood-wit-zwart

Feyenoord-hart.

Verhalen gezocht over Overschiese buurtschappen Zweth en Kandelaar

Als het uit 1853 daterende pand ‘De Hoop’ van voormalige bierbrouwerij ‘W’(ijnaendts) in buurtschap de Zweth aan de Delftweg kon praten, zou er een boekwerk van te maken zijn. Maar een pand, hoe fraai gerestaureerd ook, kan dat niet. Willemina Suzanna (Ineke) de Hoog – Deurloo (65)) echter wel. Ze heeft levendige herinneringen aan het pand, waar ze sinds haar vierde jaar een deel van bewoont. Eerst als kind en tiener en vervolgens getrouwd met Pieter Antonie (Piet) Deurloo én moeder van dochters Monique en Suzanna, nu 38 en 35 jaar.

In begin 1900  kochten de gebroeders Cornelis ( Cees) en Willem de Hoog ‘De Hoop’ en vestigden er hun timmerbedrijf in wat later uitgroeide tot een aannemersbedrijf. Vanwege tegenstrijdige karakters hielden ze het samen niet uit. Willem vertrok naar de Ludolf de Jonghstraat elders in Overschie en begon daar zijn eigen bedrijf. Onderling hielden ze elkaar wel aan het werk.

Opa Cees de Hoog ontwierp als architect/aannemer woningen, onder meer voor de Rotterdamse Rijweg. Ook het ontwerp voor een rijtje panden aan het Saenredamplein kwam uit zijn koker en toen dat gereed was betrok het gezin Johannes de Hoog – zoon van Cees de Hoog – er een van en daar werd dochter Ineke geboren. Maar ze groeide er niet op, want dat gebeurde aan de Delftweg in Zweth, samen met haar oudere broers Cornelis (Cok) en Willem Arie (Aad). Ineke bezocht vanuit Zweth de Emma-kleuterschool in de Rodenburgstraat en aansluitend de lagere Wilhelminaschool. Haar vervolgopleidingen deed ze in Delft en Rotterdam.

,,Ik heb een heerlijke jeugd gehad,’’ vertelt ze aan een grote tafel in de voormalige bierkelder van de brouwerij waar alleen de geur van verschaald bier en vaten ontbreken om je er helemaal in sferen van 150 jaar geleden te wanen. De ruimte is prachtig strak gerestaureerd zonder de contouren van toen geweld aan te doen. Dat geldt trouwens ook voor de rest van het pand, waar door vlijtige vakmensen ooit ook doodskisten en houten wielen voor koetsen en sleperswagens werden gemaakt.

,,Met buurtkinderen  als Yvonne Lam, Nel Otting en Dirja Zandbergen struinden we door de polder en sprongen over slootjes. Soms er ook in en dan kwam je boven met bloedzuigers op je arm of been. Het gaf allemaal niks, we genoten van vrijheid en blijheid.’’ En: ,,Ook had ik een vlot in de Delftse Schie en roeide – zonder gevaar te zien – tussen de passerende schepen door. Ook klommen we in een roeiboot die achter een binnenvaartschip hing en voeren een stukje mee naar Delft. Op een keer verloor ik mijn badpak en moest terug in mijn blote billen.’’

Over de Delftse Schie voeren ook de (roei)veerpontjes van Willem Bijl (Kandelaar-Zweth) en Jan Groenenwegen van der Weijden (Ketelsekade-Schouwgat-Overschie). Vele voetgangers en fietsers hebben er vele decennia – tot in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw – gebruik van gemaakt.

Vrijwel altijd is het overvaren in goede harmonie gegaan met de toch wel drukke scheepvaart op de Delftse Schie. Maar niet in 1927 toen de veerboot door een hoge golfslag van een passerende binnenvaarder omsloeg en alle passagiers in het water vielen. Wonder boven wonder hield niemand er iets aan over, behalve dan het natte pak.

Wim Kerkhof van de Amazing Stroopwafels brengt een ode aan de veerman van de Kandelaar op zijn cd ‘Strooptocht’, uitgebracht in januari 2007.

De buurtschap in het noordoosten van Schiedam is een samenraapsel van huizen en boerderijen en is in de loop van eeuwen ontstaan. De eerste groep huizen ligt tegenover de Oude Hofweg, waar nu de begraafplaats en het crematorium Hofwijk in Overschie zijn. De eerste indruk is dat het leven er eeuwen stil heeft gestaan, maar dat rustieke beeld gaat verloren door veel te snel langsrazende auto’s over de geasfalteerde Kandelaarweg tussen Schiedam en Delft. De andere straat in het gehucht is de Kethelsekade, het voormalige jaagpad langs de Delftse Schie.

Verderop was er bij de Lage Brug – in het centrum van het oude Overschie – ook de veerverbinding van Jan Groenewegen van der Weijden en zijn vrouw Jaan tussen het Schouwgat en hun in 1767 gebouwde Veerhuis aan de Kethelsekade. Tot 1923 was het een veerdienst van Delft en na het afstoten van de voorziening door die gemeente werd het een particulier veer dat op afroep passagiers overzette.

Het ouderlijk huis van Eric, de in 1938 geboren zoon van Johannes Adriaan Augusteijn, staat aan de Schiekade tegenover de voormalige Scheepswerf ‘De Hoop’, zo’n vijfhonderd meter ten westen van het monumentale Veerhuis. Vanaf het Veerhuis passeerde men in westelijke richting de in de jaren zestig van de 20ste eeuw gesloopte boerderij en café ’s Gravenhuize. Dan was men overigens de grens met Schiedam al gepasseerd en heette de weg verder Schiekade. Café ’s Gravenhuize is nog een tijd gepacht door Augusteijn senior, die er ‘Hof van Cyrene’ als naam aan gaf.

De gemeente Rotterdam had voortschrijdende plannen met die hoek van de Oost-Abtspolder. Er moest een verbindingsweg komen vanaf het viaduct naar het nieuwe industrieterrein, dwars door het oude dorp en over het Veerhuis, dat Johannes Adriaan Augusteijn in 1949 voor 8500 gulden had gekocht. Rotterdam bood in 1962 aan om het Veerhuis van hem te kopen voor hetzelfde bedrag dat er voor was betaald, door inflatie inmiddels opgelopen tot 12.000 gulden.

,,Mijn vader weigerde, maar na lange procedures werd het Veerhuis in 1966 toch eigendom van de gemeente Rotterdam. Tot aan de sloop zou hij het mogen huren.’’ En legt uit: ,,Toen ons huis in 1949 werd onteigend ten behoeve van plannen voor de Oost-Abtspolder, kocht mijn vader noodgedwongen het Veerhuis. Dat was uit voorzorg om toch te kunnen wonen als onze eigen woning ontruimd zou moeten worden. Dit is echter nooit gebeurd, ons oude huis staat er nog altijd. Mijn ouders zijn er tot hun dood (vader in 1972, moeder in 1992) blijven wonen.’’
Nadat Augusteijn in 1949 het Veerhuis had gekocht, mochten de oorspronkelijke huurders er blijven wonen. Eric Augusteijn: ,,Dat was veerman Jan Groenewegen van der Weijden (iedereen kende hem als Jan van der Weijden) met zijn vrouw Jaan in het linker deel van het pand en Aart Beijer met zijn vrouw in het rechter gedeelte. Dagelijks werden wij door Van der Weijden of Beijer in een roeiboot overgezet om in Overschie naar school te gaan, samen met de kinderen Bijl van de in 1632 gebouwde boerderij ‘s Gravenhuize, de kinderen Klein Hesselink van scheepswerf De Hoop en de kinderen Beijer, neefjes en nichtje van Aart Beijer, die woonden op een schip naast ‘De Hoop’.
Na het overlijden van veervrouw Jaan Groenewegen van der Weijden trok de weduwe T.C. (‘tante’ Truus) Havelaar-Ouwerkerk bij weduwnaar Jan in huis, eerst als huishoudster en later als zijn partner. Na Jan’s overlijden in 1956 werd ‘tante’ Truus hoofdbewoonster van het linker deel van het Veerhuis en Arie Helsemans trok bij haar in. ‘Tante’ Truus bleef huurster tot haar dood in 1972, het rechter deel werd na het vertrek van de Beijers door diverse huurders bewoond. Na hun vertrek gebruikte Augusteijn het Veerhuis als cultureel centrum/streekmuseum.’’
Zijn zoon Eric herinnert zich: ,,In het rechter deel werden recepties, concerten en tentoonstellingen georganiseerd. Vader deed al het mogelijke om ervoor te zorgen dat de sloop niet zou doorgaan. Na zijn dood werd zijn initiatief overgenomen door stichting Het Veerhuis, waar ik voorzitter van was, met Overschieënaars Jan Vleesenbeek als secretaris en Piet Snaathorst als penningmeester. In 1974 besloot de gemeente dat het Veerhuis toch niet gesloopt zou worden. De weg ging niet door en een strook woningen in Overschie aan Voorom, De Lugt en Overschiese Dorpsstraat was voor niets gesloopt. Uiteindelijk is de stichting opgegaan in museum Oud-Overschie ‘De Hoop doet Leven’, toen geleid door John van den Berg. Die heeft het Veerhuis voor een symbolisch bedrag kunnen verwerven. Het is in 2008 gerestaureerd door de bekende Overschiese aannemer Ouwendijk en kort geleden aan een particulier verkocht.’’

In de toekomst is, binnen plannen voor bochtafsnijding van de Delftse Schie, wellicht een nieuwe culturele en recreatieve functie voor het Veerhuis weggelegd. Deze en nog meer verhalen over Zweth en De Zweth komen in deel 4 van ‘Momenten uit de Overschiese samenleving’. Reacties, aanvullingen en of foto’s zijn welkom via overschieboek@telfort.nl