Berichten

Slagschip

Wanneer  je vader voorzitter is van modelboot bouw vereniging “Poseidon” ben je aan je stand verplicht om ook een boot te bouwen, vond de 16 jarige Martin en dacht aan het vervaardigen van het grootste schip dat ooit door de clubleden van de vereniging aanschouwd was. Hij zou ze wel eens een poepie laten ruiken en eindelijk door die snoevers van het bestuur serieus genomen worden. Vooral zijn vader zou hem dan met andere ogen gaan bekijken. En dat werd tijd, omdat hij nooit ergens aan mocht komen van hem. Martins opmerkingen en ideeën werden meestal weggehoond.

Hij sprak in het geheim af met ome Jan, de jongere broer van zijn vader, die ook lid van de vereniging was en ook vaak met zijn grote broer overhoop lag. In zijn schuurtje bouwden ze stiekem een oorlogsschip met 20 boordkanonnen, echt draaiende radarschermen, reddingssloepen en natuurlijk de radiografisch bestuurbare motor, die het gevaarte geruisloos over de kanovijver van het Zuiderpark zou moeten laten glijden. Het schip werd wel anderhalve meter lang. En dat is zeer groot voor een modelboot. Naarmate de tijd verstreek, had Martin steeds meer moeite om voor zijn vader te verzwijgen waar hij mee bezig was, zelfs toen hij zijn moeder in het complot betrokken had. Ondanks de geheimzinnige stemming in huis had zijn vader niets in de gaten. Aan tafel bleef hij, zoals altijd, opschepperige anekdotes vertellen over zijn enorme slimheid. Tot de grote dag.

Bij de kanovijver werd, zoals elk jaar een gezamenlijke open dag gehouden door een aantal modelboot bouw verenigingen uit Rotterdam. Ze werkten samen, maar omdat er wedstrijden werden gehouden gunden ze elkaar het licht in de ogen niet. Er was meestal ontiegelijk veel gezeik over de jurysamenstelling en beschuldigden ze elkaar voortdurend van partijdigheid. Rond de vijver waren op de grote dag een aantal kramen neergepoot, gevuld met een groot aantal modelboten van allerlei soort en er werden demonstraties modelbootvaren gegeven. Het was prachtig weer, er werd zelfs gezwommen. Martin en ome Jan zouden pas tegen de middag verschijnen om het effect van de verrassing nog groter te maken. Om tien over twaalf stopte het busje van ome Jan op de parkeerplaats. Ze stapten uit, zetten hun “Poseidon” petten op en namen de situatie in ogenschouw. Het was druk bij de kramen en de vijver, maar Martin zag direct de rijzige gestalte van zijn vader, die met zijn armen over elkaar en met neergetrokken mondhoeken naar iemand stond te luisteren.
Daarna schudde hij z‘n hoofd, draaide zich om en beende weg. Martin zag nu ook zijn moeder, die zijn vader na stond te kijken. Het slagschip werd uit geladen en door ome Jan in Martins armen gevleid, die het, op van de zenuwen, bijna uit zijn poten liet vallen. “Kijk uit, jochie” siste ome Jan en keek zijn neef onderzoekend aan, “volgens mij ken je een ei in je reet gaarkoken, istnie?” Martin knikte bleekjes. Het was nu of nooit en daar stapte Martin kloek, stevig met de kruiser in zijn armen, alsof het een geweer betrof, op de menigte af. Hij keek niet op of om en stapte regelrecht naar de rand van de vijver. Het publiek week vol ontzag uiteen en er klonken kreten van bewondering.

Op een afstand stond zijn vader met open mond te kijken naar zijn slungelige zoon die rustig de boot in het water plaatste, van zijn oom de afstandsbediening aannam en de motor startte die onmiddellijk aansloeg. Als in een film gleed het slagschip over het water. Het zag er fantastisch uit en verschillende leden van de vereniging kwamen erbij staan en klopten hem op de schouders en overlaadden hem met een reeks complimenten waar Martin behoorlijk van in de war raakte. Hij hoorde zijn oom zeggen dat hij maar een heel klein beetje geholpen had. Ome Jan gaf Martin dus alle eer. Daarop draaide hij zich om en stond ineens oog in oog met zijn broer, die hem zwijgend aankeek en met samengeknepen lippen zijn hoofd schudde. Plots klonken er kreten vanaf de vijver, waar een grote opwinding heerste. De motor was uitgevallen waardoor het schip stuurloos op de vijver ronddobberde. De zwemmers die vanaf de te waterlating oplettend waren geworden, naderden nu snel het scheepsmodel. Martin sprong nerveus langs de kant heen en weer en riep in paniek om een rubber bootje, dat hem door een bekende gestalte werd aangereikt. Het was zijn vader, die hem ook nog de peddel overhandigde. Ze keken elkaar even aan. Er werd geen woord gesproken, terwijl Pa de rubberboot vast hield en Martin snel aan boord stapte en zacht “bedankt” mompelde. Hij wist niet zeker of zijn vader hem wel gehoord had.
De jongen peddelde nu ijlings naar zijn meesterwerk. De zwemmers waren akelig dichtbij gekomen en maakten al aanstalten het schip te enteren. “Afblijven!!”gilde Martin met een hoog stemmetje. Vertwijfeld kwam hij overeind in het rubberbootje. Hij reikte naar het slagschip, verloor zijn evenwicht en stortte met de peddel in de aanslag op het scheepsmodel. Martin ging kopje onder en kwam weer boven te midden van de wrakstukken van zijn noeste arbeid. Verbijsterd keek hij om zich heen, zwom naar de kant en werd daar door ome Jan op het droge geholpen. Zijn moeder had een handdoek geleend en begon hem droog te wrijven. Al die tijd had hij de pet opgehouden, die zijn moeder nu van zijn hoofd haalde. Hij keek zwijgend en witjes voor zich uit en leek opeens op een ontredderde kleuter. Ontroerd sloeg zij haar arm om hem heen en fluisterde: “ Ach, jochie toch. Je vader is apetrots hoor, want  hij staat aan iedereen te vertellen dat zijn zoon, stiekem dat geweldige slagschip gebouwd heeft en dat zo’n ongeluk iedereen kan overkomen. Hij zal het alleen niet tegen je zeggen.” Martin glimlachte even naar zijn moeder en zag hoe allerlei vrijwilligers de kapotte onderdelen van zijn werkstuk verzamelden en bij hem brachten. “Kunnen we best nog wat van maken jongen”, zei ome Jan.

Aad Wieman. Rotterdam, 5-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

De Kakkietrap

Zo, op de valreep, voor het einde van 2012, heb ik de ‘behoefte’ aan een praatje ‘poep’.
Ben ik zo een viespeuk? Welnee, maar aangezien ik A. begin dit jaar nog in het ziekenhuis lag en geholpen ben aan mijn darmen, B. de hondenpoepproductie van dit huishouden dit jaar met 50% is gereduceerd en C. ik een verzoekje kreeg van ene mevrouw Olsthoorn uit Wateringen betreffende een serieuze activiteit tussen huis en school in de vroege 70’s (met dank), bij dezen mijn herinneringen hier aan.

In 1970 kwam het gezin in Ommoord wonen. In een flat. Dat was zeer vooruitstrevend. Ik weet nog hoe nietig ik me voelde wanneer ik voor de flat ging staan, achterover leunde en naar de 14e etage keek. Alsof de flat zó op je kon vallen.
Ook de geuren van nat beton, zand, teer en olie, de geluiden ‘s ochtends van de heimachines, het vele groen, klaprozen en korenbloemen, madeliefjes tot kransjes vlechten en spelen in ‘de bouw’ doen mij als in een tijdmachine terugflitsen naar die tijd.

Fietsen door de wildernis, daar waar nu de Bessen en Heides zijn, verstoppertje in het hoge ongemaaide gras wat nu het Ommoordse Veld is en natuurlijk het afbreken van stukken watervast krijt. Dat was helemaal geen krijt -wel watervast- het waren brokstukken van de betonnen platen die als tussenmuur in de aan te bouwen flats moesten dienen. Wij tekenden op het schoolplein daar de hinkelspellen mee en deden Landverovertje. Na een regenbui kon je gewoon in de volgende pauze doorspelen.

De Lagere School was op ongeveer 15 minuten lopen van de flat waar we woonden.

Maar het kon ook sneller.
Zoals ik in een eerder stukje al vertelde, hadden alle kinderen kaplaarzen aan met daarin, oooh waar zijn ze gebleven, dikke pantoffelsokken, geruit, met een ritsje bovenop. De kaplaarzen kochten we bij van Meerten op de Hesseplaats en bovenin, aan de binnenkant, schreven de ouders je initialen.
In de school gingen de laarzen onder de kapstok en iedereen liep op de slofjes. Lekker warm en comfortabel.

De snelle weg was door het weiland. Daar waar nu sportvereniging W.I.ON. is, was een weiland met koeien. Daarachter de boerderij met zijn grote Gouden Regen, een kastanjeboom en bloesembomen.

Wij waren niet bang voor de koeien, we trokken pollen gras uit de grond en voerden ze.
De koeien waren ook niet schuw, maar soms alleen maar nieuwsgierig.

Dé sport was, om te checken hoe vers een vlaai was. De koeienvlaaien met een laagje vloeistof erop sloegen we over, die waren vers, want het plasje van na het poepen lag er nog op. De droge vlaaien, dát was de sport.

Voorzichtig, alsof je het eerste ijs op de sloten testte, flap-flap-flap met de neus van je laars beroeren.. klonk het meer als flats-flats-flats dan was het een verse.
Maar soms…. ging het mis. Dan zakte je door de vlaai. En zat je tot voorbij de zool van je laars onder met koeienflats. Dan was je dus echt niet vroeger op het schoolplein, want je probeerde met alle macht de poep van je zolen en zijkanten van je laars te krijgen door je voeten door het schone gras te slepen.

Soms, zo in het vroege voorjaar, ruikt het hier buiten weer naar koeienmest, dan gieren de boeren die aan de Rotte nog vee houden.
Mensen zeggen dan: bah! Het stinkt buiten.

Ik niet, ik denk: mmmmmmmmmmmm kaplaars!
We dansen de Kakkietrap!