Berichten

Op Glad IJs

Mijn moeder was in verwachting van mij tijdens de koude winter van 1963, een jaar met een Elfstedentocht.
Je kon over de Waterweg rijden met de auto, heb ik gehoord. Nou ik zat lekker warm! En ben pas in het voorjaar om het hoekkie komen kijken.
Ik heb dan ook niks met de winter, van mij mag het sneeuwen en hard vriezen tussen Kerst en Oud & Nieuw en dan moet het weer afgelopen zijn…

Maar goed, winters horen bij het leven.

Op zolder stonden achter de luiken de ijsbloemen op de ramen -er was nog geen dubbel glas en geen haard op de bovenetage.

Met wollen wanten aan een sneeuwpop maken op straat… natte, koude handjes, tintelend bij de kachel…

Maar het ergste was toch wel… schaatsen!!!!
In een veel te dikke jas met gebreide muts met ballen onder je kin geknoopt, maillot waar je in werd gehesen tot je hele ‘onderkant’ pijn deed, wanten aan (een mof was voor de zondagen en tevens onhandig bij het schaatsen) en dan onderbinders aan. Dubbele ijzers met riempjes onder je laarsjes gebonden. Rode riempjes.

En dan.. het ijs op. Op de grote vijver in Het Park. Achter het Noorse Zeemans Kerkje aan de Westzeedijk. Spannend! Voor het eerst op schaatsen!

 

Vaste lezers weten over mij en Opa Bram, met zijn brede kennis en verhalen. En ik was de spons, die al die informatie opzoog.
Zo had Opa mij wel eens verteld dat snoeken roofvissen zijn, die eendenkuikens verschalken als  ze de kans hebben.

Terwijl ik wiebelend op het krakende, glasheldere, ijs stond,  zag ik de gestreepte monsters onder mij door glijden.
Eendenkuikens waren er niet in de winter.

Wat…wat als ik door het ijs zakte? Dan zouden ze mij misschien bijten???

Ik wil niet meer…. zei ik tegen mijn moeder. Ik heb het koud.

Ik ben blij dat ik niet beroemd ben geworden… had ik uitgenodigd geworden voor: Sterren dansen op het IJs…

MIJ niet gezien.

Wel heb ik jaren later, in de vroege jaren 80, genoten van het uitzicht op Voorhaven, dichtgevroren en zwierende schaatsers op het ijs. Koek en Zopie tentjes geregeld door de plaatselijke Horeca en lichtjes opgehangen door de studentenvereniging.
Gewoon een ansichtkaart van een eeuw terug in de tijd.

DAT dan weer wel!

Dank U Sinterklaasje !!!!

Eén van de spannendste dingen in een kinderleven is het Sinterklaasfeest.
Natuurlijk is 5 december zelf de apotheose van de voorpret, maar nog voor de aankomst van Sinterklaas loopt de spanning hoog op.

Op de scholen worden in, wat nu geheten,  groepen 1 en 2 en de onderbouw van het basisonderwijs al liedjes geoefend om luidkeels Sint en zijn Pieten te kunnen verwelkomen en strakjes bij de schoen te kunnen zingen, natuurlijk uit volle overtuiging.

Zelf was ik het type kind, en nog steeds wel,  van: een kinderhand is snel gevuld. Dat was ook zo met mijn schoentje. Ik ben snel tevreden.

Wij hadden al een gashaard in Delfshaven terwijl oma en opa nog een kolenkachel hadden.
De gashaard was handig voor meer dan verwarmen. Zo ‘streek’ mijn vader op de ronde hoeken mijn satijnen haarlinten op de kachel en kon de soep erop warm gehouden worden. Ook was het een mooi apparaat om bovenin je kleurpotloden in de kachel te laten vallen om daarna naar het verbrandingsproces te kijken achter de ruitjes.
Mijn moeder vond dat niet zo leuk en eigenlijk heeft het verbieden ervan mijn ontwikkeling in Bèta-vakken gestagneerd.

Maar wij, mijn zusjes en ik, zongen uit volle borst naast onze schoenen, voor de kachel, met een wortel en een glaasje water voor het Paard.
In pyjama en pantoffels. Buiten al donker, dus daarna naar bed .. naar bed.

We sliepen met zijn drietjes op de ‘halve’ zolder. De andere helft was van de buren en Jenny en Cocky sliepen daar.
Helaas hadden mijn ouders gedacht aan een babyfoon.. een intercomsysteem destijds… waar regelmatig uit klonk “Slapen, NU!” wanneer er weer eens een wedstrijdje trampolinespringen op de spiralen bed bodems aan de gang was.
Ook in de weekenden hadden wij veel lol wanneer we wakker werden en speelden we uitgelaten, wachtend op mama die ons zou roepen. Aangezien wij luiken voor de ramen hadden (enkel glas daar en op de 3e etage)  hadden we geen idee of het 4 uur in de ochtend was of ‘al weer’ 8 uur….

Maar ik dwaal af….

Schoen gezet.. de volgende ochtend was erg spannend. Wachten op mama, dan mochten we mee naar beneden. – probeer dat nu eens als ouder, met kids die in het weekend al om 6 uur voor de televisie zitten, stilletjes, kijkend naar Cartoon Network of Zappelin-. Mijn ouders hadden alle tijd om een verdieping lager de wortel te doen verdwijnen en het glas leeg te gooien.

In onze schoen zat altijd iets leuks. Of lekkers. Of allebei. Ik was blij met wat ik kreeg van Sinterklaas. Hij kon niet weten dat ik misselijk werd van grote suikerbeesten en gevulde chocomuizen. Maar een mandarijntje was al goed.

En je schoen vol betekende dat je lief bent geweest.

Op een dag was het die avond weer ‘schoenzetten’.
Het was een druilerige dag, maar dat hoort bij Sinterklaas.
Mijn twee jaar jongere zus en ik gingen buiten spelen. ( bij gebrek aan PC, 399 televisiezenders, Wii’s, Playstations, DS’sen etc., etc.)

Wij konden heel goed buiten spelen daar, want we konden heel ver weg op straat, zonder over te hoeven steken.
Hoe we op het idee kwamen… ik kan het me niet meer herinneren, maar we gingen ‘een rondje doen’.

De deur uit lopen, rechtsaf langs van der Ven groenten en fruit, hoekkie om de Coolhavenstraat in en dan langs de Piet Heijn school, de poort van de kleuterschool voorbij, nog een stukje doorlopen en dan de Schoonderloostraat in, op de hoek van de Coloniastraat.

Aan het einde van de Schoonderloostraat kon je de Willem Buytewechstraat weer op.
Maar dat ging niet zomaar… De Havenstraat en de Schoonderloostraat lagen aanzienlijk lager dan de Willem Buytewechstraat en de 1e IJzerstraat.
Om weer boven te komen was er aan het eind van de Schoonderloostraat ,die dus dood liep, een straatbrede stenen trap met heel veel treden met – -voor een kind-  erg grote ‘stappen’.
En zwaar verboden voor mijn zus en ik. Dus… terug of.. op avontuur.

Wij kozen voor het laatste.
En begonnen de trap te bestijgen. Met kriebels in onze buik omdat we wisten dat we iets deden wat niet mocht.

We waren al halverwege, het ging niet snel, want de ijzeren leuning was wel erg hoog en moeilijk vast te houden en we moesten hele grote stappen nemen. Ik weet niet meer wie van ons twee het eerst alarm sloeg, maar aan het begin van de Schoonderloostraat zagen wij onze vader naderen… dát was niet goed!! Snel draaiden we om, en probeerden snel, voor hij ons zag, verder naar boven te klimmen, maar tot onze ontzetting keken wij in het gezicht van Opa Bram, die boven aan de trap stond..
Ingesloten! Be’trapt’…

Moeder en Oma in paniek.. overstuur en de mannen eropuit gestuurd.

Die avond zongen wij extra hard. Om Sinterklaas te laten geloven dat wij héle lieve kindertjes waren.
En ja, de volgende ochtend waren ook onze schoenen gevuld….
De één had een roe… de ander een zakje zout…

Dank U Sinterklaasje !!!

Hoe mama kon toveren

Ja, ik ben er weer. Deze Juf had even een schrijfvakantie. Veel regen, beetje zon, maar lekker uitgerust.

Vandaag wil ik het hebben over een toverkunstje van mijn moeder. Haar vader is Opa Bram, dus ze heeft het niet van een vreemde.

Jullie moeten weten dat ik dan wel goed gebekt ben, maar mijn oogjes doen het niet zo goed. Ik denk dat het de schoolarts was die daar achter kwam net voor ik naar de basisschool zou gaan. Ik bleek een brilletje met niet al te veel sterkte nodig te hebben om goed mee te kunnen komen op school ‘strakjes’. Voornamelijk voor TV kijken, lezen en borduren. Dat laatste is nooit een talent van mij geweest en ik heb me erbij neergelegd dat het zelfs geen verborgen talent is. Maar goed, dan kan ik ook niet met een naald in mijn oog steken, ik draag sinds mijn 13e al contactlenzen namelijk. En het stadium van dunne glazen ben ik al een eeuwigheid gepasseerd. Elk oog -12,5 is behoorlijk kippig!

Nu is dit alles wel leuk om te lezen, maar heeft niks met de toverkunsten van mijn moeder te maken, ik ben de enige met zulke slechte ogen in de familie, dus misschien kon mijn moeder ook niet zo goed borduren. Joost mag het weten!
Wanneer ik al wandelend en huppelend door Rotterdam doolde met Opa Bram, kwam het eens in de zoveel tijd voor, dat ik wel erg vaak zwikte, struikelde, dan wel tijdens het balanceren op een smal muurtje er vanaf duvelde. Met een kapotte maillot en bloedende knieën tot gevolg.  Dan was het tijd voor… sterkere glazen. Daar kon je de stationsklok op gelijk zetten.

Dus, mijn moeder maakte een afspraak met de Poli van het Oogziekenhuis.  De wachtlijst was enorm. Soms wel een half jaar. De wachttijden ook, maar daarover straks meer.

Ik vond het verschrikkelijk om daarheen te gaan. Aan de ene kant van de straat was het daadwerkelijke ziekenhuis en aan de andere kant de polikliniek. Een paar traptreden op -hoe kóm je erop!- en dan kwam je in een portiek met posters aan de muren. Die kon ik dan weer wel goed zien. Traumatische affiches over vuurwerk en oogletsel waar nog net geen vuurpijl uit een oog stak.
Dan kwam je in de grote hal. In die hal waren allemaal hokjes. In elk hokje zat een oogarts ‘verstopt’ en bij elk hokje waren wachtkamer-stoeltjes geplaatst.
Het was er altijd erg druk. Je kreeg te horen bij welk hokje, ze hadden allemaal een nummer, je plaats kon nemen. Sommige mensen wachtten op hun beurt, anderen hadden druppels in hun ogen gekregen en moesten dat laten inwerken.

Of de duvel ermee speelde, altijd wanneer ik bijna aan de beurt was, werd er niemand meer opgeroepen. Ja hoor, de dokters hadden koffiepauze! Of lunchpauze. Altijd, echt altijd, als ik bijna aan de beurt was.  En allemaal tegelijk. Uitgestorven!

Dan, eindelijk, was ik aan de beurt. Ik mocht het hokje binnen en trof er altijd een soort van darkroom aan. Tegenwoordig weet ik dat ik lichtelijk nachtblind ben, maar toen nog niet, dus ik was mijn oriëntatie compleet kwijt en was blij als ik in de stoel zat. In al die jaren heb ik veel leeskaarten voorbij zien komen, eerst die met het autootje, dan met alleen de letter ‘O’ en mocht ik zeggen aan welke kant er een opening zat, later de letterkaart.
Daarna begon het feest van de wel, écht waar, 50 kilo wegende ijzeren bril op je neus en de veel te snel wisselende glaasjes. Eén..of Twee? Eén of Twee..? Soms wist ik het echt niet meer. Maar maillot-technisch gezien was het handig wanneer ik juist antwoordde.  Anders zat ik er over een jaar weer!

Kortom… enorm frustrerend, veel hoofdpijn en lang wachten. En stilzitten…als kind. In die tijd waren er geen ballenbakken of legotafels in wachtkamers.

Maar.. dan ging mama toveren. Op het moment dat we weer buiten waren, liepen we richting de Coolsingel, om, daar waar nu een hoog flatgebouw op de hoek staat, een lunchroom in te lopen en samen een broodje te eten.
Dat was Feest! Zomaar, alleen met mama, aan een tafeltje, samen een broodje eten. Met een glaasje melk. Mijn hoofdpijn was weg, alles wat daarvoor gebeurde, was vergeten. Met de tram terug naar Delfshaven, of met Bus 37 later naar  Ommoord. Huppelend.

Want mama kan toveren. Zij maakt van een nare dag een fijne dag!!!

 

Samen op de Fiets

Vandaag laat ik Opa Bram thuis. Waarom? Omdat ik met mijn vader Aad Schell op de fiets mee mag. Mijn vader werkt vol continue, dus onze tijd is schaars.
De fiets was een basis fiets, geen versnellingen, wel een bel, en een stoeltje aan het stuur.
Samen weg vond ik altijd leuk.
Oh nee, één keer was ik bang. Toen had mijn vader zich voorgenomen samen met mij naar de Kuip te gaan. Hij was een Spartapiet, heeft zelf ooit als jeugdige in het eerste van Sparta gevoetbald, dus ik denk dat het om een wedstrijd ging tussen Feijenoord en Sparta, maar ik durf er mijn hand niet voor in het vuur te steken.
Om een kort verhaal lang te maken: we hebben de tribune nooit bereikt. Waarom niet?
Assie durfde de trappen niet op. Veel te hoog, maar daar kwam ik halverwege pas achter, toen ik niet meer vooruit durfde. Dus tegen de stroom in terug naar beneden. En met het pontje terug naar de Parkkade.

Maar meestal fietsen we door het Havengebied. Het gedeelte tussen de Sint Jobshaven en het Marconiplein.
Langs de horlogemaker en langs Stokvis.
De wind in mijn gezicht en haren, soms mocht ik bellen, en mijn vader trappend tegen de wind in en voluit zingend.
Ja, zingend. Iedereen mocht weten dat we langs waren geweest.
En ik had ook mijn eigen partij in mijn favoriete liedje: “How much is that Doggie in the Window”.. Ik deed vol overtuiging de “woef woef”.

http://www.youtube.com/watch?v=L-U894UkSNI

Ik vond het fantastisch als hij zong. Maar ik was de enige geloof ik. Nu zong hij dus vaak op straat en verhaspelde teksten met ondeugende zinnen als: “Vader liet een frisse dreutel, vader lied een frisse wind, zie hem schuiven in extase…” Ik vond het hilarisch.

Maar goed, tegen de tijd dat wij van Gend en Loos aan de linkerkant voorbij waren, staken we over, oppassen voor de rails en eventuele goederenwagons en reden wij het echte havengebied in.

Mijn vader was ooit kraanmachinist en mijn moeder ‘stekker’- telefoniste bij hetzelfde bedrijf. Zo hebben zij elkaar ook ontmoet. Dit terrein was hem dan ook goed bekend.

Tegen die tijd zette hij weer een ander liedje in. Bijvoorbeeld “Bird Dog”. Ik verstond toen ‘sjannie is een sjoker’, maar ach, ik was maximaal 4 jaar oud.
Laatst vertelde iemand mij dat hij als kind het zo fantastisch vond dat Bad Moon Rising van CCR begon met “Assie a Bad Moon rising”. Herkenbaar dus.

Ik hield van de bewegingen in de havens, kranen die loom draaiden, ook op zondagen, om een schip te laden en te lossen. De loodsen, rails en goederenwagons die zomaar konden oversteken zonder spoorbomen. Zó spannend! En de krijsende meeuwen natuurlijk!
Dat havengebied is niet meer. Er staan flats op en appartementen met penthouses.
De rails is weg, de goederenwagons zijn niet meer.

Mijn vader is ook niet meer, maar nog steeds geniet ik als ik in een havengebied ben. De geuren, het nooit stoppende werk.

En.. nog steeds heb ik hoogtevrees.

De Perzik

Beste lezer, deze keer wil ik het hebben over een zeer speciale Rotterdammer, helaas is hij er niet meer, maar hij was jaren de smoel, de porum, van de Schiedamseweg.
Ja, ik kende de man via Opa. Wanneer Opa en ik voor een boodschap op de Schiedamseweg moesten zijn, of op de ‘Mart’ op het Visserijplein, zat er voor mij altijd een versnapering in. Soms een ijsje van Jamin, een andere keer een, wat men in die tijd dacht, gezondere snack. Fruit.
Het lekkerste vond ik het wanneer Opa een hele grote, rijpe, perzik kocht. Zo eentje die het sap over je kin laat lopen. Gelukkig had Opa altijd een grote zakdoek bij zich en zijn zakmes. Dan zochten we een bankje uit en sneed Opa de perzik in parten. Na het verorberen kon indien nodig mijn snoet worden gepoetst. Niet met moderne vochtige doekjes…nee… gewoon met een door Opa bespuugde punt van de betreffende zakdoek. Zo ging dat vroeger..
De man waar ik het over wil hebben is de eigenaar van de fruitstal. Algemeen bekend onder de naam Japie. Altijd vrolijk en zonnig, niks leek hem te veel. Ik vond het nooit erg daar op onze beurt te wachten. En dat duurde vrij lang, want: druk en…voor iedereen had hij een praatje klaar. Wat een gezellige man vond ik dat!
Jaren later wist ik dat Japie ‘meneer Querido’ heette. Hij kwam te wonen in dezelfde flat als waar ik woonde met mijn ouders en zussen. Ook hoorde ik zijn ‘verhaal’, niet van hem, van anderen, onder andere van mijn moeder. Een naar verhaal. Een 2e Wereld Oorlog verhaal. Een Kampgeschiedenis verhaal. Een ‘zoveel meegemaakt verhaal’ dat Japie onder de medicatie zat. Wegens een KZ-syndroom. Hij had geen fruitstal meer, maar praatjes nog wel. Wanneer men uit de flat kwam beneden en hij stond op de parkeerplaats, dan duurde het uren eer je boodschappen in huis waren. En nog steeds, altijd even opgewekt. Nou ja, eigenlijk medicinaal opgepept. Hij was altijd samen met zijn hondje. Die twee waren onafscheidelijk.
Nog steeds krijg ik een glimlach om mijn lippen wanneer ik denk aan zonnige dagen, lang wachten, vrolijk gekakel aan de fruitstal en het oppeuzelen van de sappige perzik op een bankje aan het Heemraadsplein.
Een glimlach om de zomer, om het samenzijn met Opa en de herinnering aan Japie Querido.
Ondertussen weet ik heel veel over de oorlog, de razzia’s in Rotterdam, het bombardement één dag voor mijn moeders’ verjaardag en wat er in de kampen is gebeurd.
Een postuum petje af voor Japie. De oorlog heeft hem op zijn knieën gekregen, maar hij is weer overeind gekomen en, al was het niet hard, door gegaan met lopen.

Met Opa Bram door Rotterdam -5

– De zomer komt eraan. En met de zomer het tuinseizoen.
Oma en Opa hebben een Volkstuin. Niet zomaar een groentetuintje, nee, een echte grote tuin, met gazon en een huisje er op, waar je zelfs in zou kunnen overnachten. Een keukenblok, een zitbank, een eethoek. In het begin was er nog geen stromend water in de huisjes en moesten we naar de W.C. in het toiletgebouw bij de speeltuin.
De ‘Tuin’ is in Overschie. Zestienhoven heet het complex. Het is verdeeld in een nieuw en oud gedeelte. Oma en Opa hebben een huisje op het oude deel, het gezellige gedeelte. Als je van de Overschiese Kleiweg rechts de hol afliep, was Opa’s tuin aan je linkerhand. Eerst was er een plein, waar ik met plezier heb staan kijken naar fanfare optredens met een majorettegroep. Daar was ook het eindpunt van de jaarlijkse bloemencorso’s, de lampionnen optocht en het informatiebord te vinden. Dan liep je rechtdoor en op het hoofdpad aan de linkerkant was Opa’s tuin, Opa’s trots.
De allereerste dag van het seizoen was nooit zo leuk. Om bij het huisje te komen, ging je door het tuinhekje van zilver metaal met een ontwerp in spijlen van een opkomende (of ondergaande) zon. Dan lopen via de flagstones. We mochten uitdrukkelijk niet op het gras!! Dat was niet gemakkelijk, want het gras stond uiteraard erg hoog, na het winterseizoen. Aan het eind van het pad was het terras, waar in de zomer altijd een tafeltje stond met stoelen in elk een andere kleur waslijnzitting. Dan, uiteindelijk ging de deur van het huisje open. Een muffe lucht stroomde je tegemoet, opgesloten vocht en stof van maanden. In de vensterbanken lagen, op hun rug, dode vliegen. Je kon de zon door het stof zien schijnen.
Gelukkig voor mij was schoonmaken een taak van de ‘vrouwen’, dus ik ging met Opa eerst eens de tuin inspecteren. Staande, bekeken vanuit de deuropening van het huisje, was rechts het groente- en fruitgedeelte. Een moesappelboom, waar heel zure, wormgevulde, appels aan groeiden en waar Oma appelcompote van maakte. Deze werd vaak geserveerd met de verse tuinboontjes, die maar niet op leken te raken. De appelmoes was meestal nog lauwwarm. Net als de gekookte custardvla als toetje. Die was met vel. Ook had Opa aardbeien en kropgroenten. In mijn herinnering hadden we ook kroten, maar zeker ben ik er niet van. Helemaal voorin de tuin, tegen de heg aan, waren de bloemen. Mijn lievelingsbloemetjes waren de leeuwenbekjes. Fascinerend hoe je die ‘plop!’ open kon laten springen. In het midden van het grasveld, sorry Opa, gazon, stond een fiere perenboom. Ook niet vegetarisch, want, wormen inclusief. Aan de lange linkerkant waren struiken en planten. Maar er was ook een geheim… achter het huisje stond mijn lievelingsstruik, altijd in de schaduw. De klapbessenstruik! Pas aan het eind van het tuinseizoen waren deze kruisbessen rijp. Tot dan deden we het in de zomer met zelfgeplukte bramen, die langs het pad, dat oud en nieuw terrein scheidde, volop groeiden. Met emmertje en speelkleding aan struinde ik dwars door de gedoornde struiken, om compleet bekrast en geschaafd terug te keren met mijn volle emmertje. Achter die struiken was een heel groot grasveld, waar ik met het meidenteam mee mocht voetballen als kleinste en waar de jaarlijkse sportdag plaats vond.
Die speelkleren vielen in de categorie ‘bah!’, samen met tuinboontjes, warme appelmoes met stukjes en vla met vel. Opa had namelijk nog oorlogse handigheidjes. Waardoor ik dus behoorlijk voor joker liep. Mijn speelschoenen waren namelijk geprepareerd. Het waren te kleine schoenen, waar Opa handig de neuzen uit had gesneden. Ook was ik de enige die, na gevraagd te hebben of ik ook stelten mocht, op twee verschillende, aan beide zijden doorboorde, conservenblikjes met touwtjes door de speeltuin strompelde.
Toch was de tuin fijn. Ook al moesten we soms, door omstandigheden, lopend naar huis. Mij zie je niet op de vierdaagse van Nijmegen! En tuinboontjes komen er bij mij niet in. Nooit!

Met Opa Bram door Rotterdam -4

De zon schijnt, ook op de Willem Buytewechstraat, waar ik naast Opa druk aan het struikelen ben over het kleurrijke, samengeperste, balletje ter grootte van een tennisbal. Het zit middels een lang maar dun elastiek om mijn enkel en het doel is om, al lopende, je ene been in de rondte te draaien en dan met je andere been over het elastiek te springen. Zo kan ik mijn energie kwijt, druk bezig zijn en ondertussen bijna niet vooruit komen, zodat Opa mij bij kan houden.
Opa wandelt, zoals altijd wanneer hij ‘los loopt’, met zijn beiden handen gevouwen op zijn rug. Kuieren heet dat.
We lopen niet ‘zomaar’, neeheeeee, we zijn op weg naar het Heemraadsplein. Het is Koninginnedag. Overal hangen vlaggen uit. De zon maakt het alleen maar feestelijker. Met oversteken mag ik even niet huppelen. Ik volg Opa op de voet, als altijd gekleed in een driedelig pak, met bretels en stropdas, en daar overheen een trenchcoat in een gedekte kleur. Greige, heet dat tegenwoordig. Op zijn hoofd zijn onafscheidelijke Stetson herenhoed, mikpunt van menige duif of meeuw. Vandaag hoeft er geen das om de nek, het is lenteweer.
We wandelen langs Piet Heijn, waar ik even los mag gaan met het balletje om het standbeeld heen, terwijl Opa oversteekt en een plasje gaat doen in het eerste openbaar urinoir op onze route. Dan vervolgen we onze weg, over de ‘enge’ brug naar de Lage Erf brug en dan via het korte stukje van de Nieuwe Binnenweg naar het Heemraadsplein.
Het is een fijn plein, met veel bankjes, waarop Opa kan rusten en speeltoestellen van ijzer, felgekleurd. Ik zit graag achter het stuur van de Brandweerwagen op het pleintje. Aan de andere kant van het plein, grenzend aan de Mathenesserlaan, is een restant van de oorlog, een Bunker, een Schuilkelder volgens Opa. Aangezien ik schuilen op dat moment associeerde met regen, vond ik het een spannend stukje plein.
Vandaag, op Koninginnedag, is het druk op het plein. Je kunt er stoepkrijten, blikjes gooien, snoep en toetertjes kopen. Ik haal het balletje van mijn enkel en kijk bij de krijtschilderijen.
In die dagen waren de winkels nog dicht op Feestdagen, dus geen Jamin vandaag. Daarom krijg ik een lollie, door Opa gekocht op het plein. “Niet lopen met de lollie!” zegt Opa en ik ga naast hem zitten op het bankje helemaal links op het plein aan de kant van de Nieuwe Binnenweg. Maar niet voordat Opa zijn zakdoek op het bankje heeft gelegd, zodat mijn jurkje niet vuil wordt.
We kijken nog wat naar de mensen, Opa doet nog een plasje, en wanneer mijn lollie op is, gaan we weer kuierend huiswaarts.
Zelfde weg terug, alleen nu aan de overzijde van de straat. Thuis aangekomen kom ik erachter, dat mijn elastieken balletje nog steeds in mijn jaszak zit…

Met Opa Bram door Rotterdam -3

Toen ik net zeven jaar oud was zijn papa, mama, mijn twee zusjes en ik verhuisd naar een nieuwbouwwijk in Rotterdam. Ik wilde helemaal niet verhuizen! Ik zou Marian dan nooit meer zien en ook Robbie Koek niet, waar ik heimelijk verliefd op was. Hij heeft nog wel eens straf gekregen op school van de broeders omdat hij het lint uit mijn haar had gepikt. Ons gezin kreeg eerst bezoek van de verhuurder, of wij wel netjes genoeg waren om in een van hun flats te mogen wonen. Daarna gingen we naar een modelwoning. Er was een flat al klaar, even verderop en op de galerij kon ik op mijn tenen een kamertje inkijken. “Dat wordt jouw kamer, Assie”, zei mijn moeder. Ik vond het maar een saaie kamer. In augustus 1970 ging het dus gebeuren, de verhuizing, met pijn in mijn maag. Nu kon ik niet meer zomaar de hoek om en naar Oma en Opa gaan. En een hele nieuwe school… zouden ze daar ook kinderen slaan als die vlekken maken met inkt en pen in hun schrift? Of op een potlood kauwden?
Die kamer, die leek helemaal niet op de modelkamer, gelukkig maar. Het was wel heel raar allemaal. De flat was nog niet af, de derde verdieping had nog geeneens een reling, of ‘balustrade’ zoals mij geleerd was door Opa. En heel vroeg in de ochtend was er overal herrie, van de heimachines. Wel rook het buiten lekker, naar hout en nat cement.
Na de grote vakantie ging ik naar de nieuwe school. Naar de tweede klas. De school had nog niet zoveel leerlingen, het was lekker rustig in de pauzes op het schoolplein. En we mochten met gewone pennen schrijven! Geen kroontjespen meer, geen vlekken meer! Geen slaag meer, zodat mijn brilletje door de klas vloog. Met sommige dingen was ik verder dan de andere kinderen in de klas. Zo kon ik al goed overweg met let-ter-gre-pen en moesten zij dat nog leren. Aan de andere kant had ik nog nooit van HOOFDLETTERS gehoord. We kregen muziekles in een apart lokaal en niet onder begeleiding van een traporgeltje, maar met een muziekleraar op een ontstemde piano. Tenminste, dat zei de muziekleraar, over die piano.
Ook fijn was, dat ik niet meer zo ver hoefde te lopen naar school. En de wandeling was ook wel fijn. Geen winkels en etalages, dat niet, maar wel een mooi weiland met slappe koeienvlaaien en een kleine boerderij met een boomgaard. Omdat het poldergebied was dat ontwikkeld werd tot wonen droegen alle kinderen groene rubberen kaplaarzen, waar aan de binnenkant je initialen stonden. In je laarzen droeg je dan een soort warmhoudslofjes met een ritsje bovenop. Die hielden we dan aan in school. De kaplaarzen gingen in de hal onder de kapstok.
Al met al ben ik met veel plezier naar deze school in Ommoord (ja daar was het) blijven gaan.
En het aller- aller- ALLERMOOISTE…. Toen de torenflat klaar was, kwamen Oma en Opa er ook wonen!

Met Opa Bram door Rotterdam -2

Ik ben zes jaar al en ga naar de ‘grote school’. Mijn school heeft een hele fijne naam: de Sint Nicolaas school. Het klinkt of het er altijd feest is. Eerst zou ik naar de Piet Heijn school, in de Coolhavenstraat, om de hoek, waar ook mijn oma en Opa wonen. Maar die school had een nieuw beleid, ging ‘anders doen’, zei mijn moeder, dus werd ik ingeschreven op een andere school. Inderdaad, niks nieuws daar. Behalve dat er in het jaar van mijn aanname voor het eerst meisjes op die school mochten komen. Een Katholieke Basisschool, met voornamelijk Broeders. Het klooster was ernaast gelegen.

Broeder Bernardinus was het schoolhoofd en hij had altijd lekkere dropjes in zijn jaszak. Ooit heb ik zelfs de kloostertuin mogen zien. Niemand mocht normaal door de poort in de muur om het schoolplein, maar ik wel! Ik heb niet veel van de tuin onthouden, alleen al om het feit dat ik hem mocht zien. Dat was het meest bijzondere. De derde klas had een ‘Meester’, een niet-broeder. De eerste klas een juffrouw. Juffrouw Hagendoorn. Een juf met saaie jurken.

Naar school gaan was niet echt een pretje. Ik woonde in de 1e IJzerstraat, de school was bij het Marconiplein. Ik had korte beentjes. Ik weet de route nog. IJzerstraat, hoekkie om, Willem Buytewegstraat uit naar de Kolk, waar een nieuw zogeheten bejaardenhuis was gebouwd. Over de brug, jeetje wat was ik bang voor die brug. Ik dacht altijd dat de brugwachter me niet zou zien en de brug zou opendoen als ik er nog opliep. Daarom huppelde ik altijd over de brug, dan was ik beter zichtbaar… Langs het pleintje met Piet Heyn, geheel ondergepoept door de meeuwen en dan de heeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeele Schiedamseweg af.  Langs de linkerkant en bij het kruispunt met aan de overkant Jamin oversteken. Dit om de speelgoedwinkel te vermijden, die had een belletje aan de buitenkant van de etalage en als je daarop drukte ging het treintje rijden achter het glas. Zo kwam je nooit op school aan.

Ik had een klasgenootje, al sinds de kleuterschool en zij ging ook naar dezelfde grote school. Mijn moeder en haar moeder hadden, zeer vooruitstrevend, een soort wandelpool bedacht. De ene week was het mijn moeders beurt en de andere keer de moeder van Marianne Blaak. Marianne moest nóg verder lopen, zij woonde aan het Kerkepad, bijna bij de Pieter de Hooghweg.

Op een dag kon mijn moeder ons niet komen halen en zij had Opa gevraagd de honneurs waar te nemen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik was er opgewonden van, dit was wel heel bijzonder, dat mijn Held ons van school kwam halen. Na school hebben wij uuuuuren gewacht op Opa. Natuurlijk was dit misschien niet langer dan een kwartier. Toen besloten wij zelf naar huis te lopen, misschien was Opa wel verdwaald. We vonden het een goede oplossing, Marian en ik, en we hebben niet eens getreuzeld of bij de speelgoedwinkel op het belletje gedrukt.

Thuis aangekomen bleek, dat alleen Marian en ik het een goed idee vonden. Mijn moeder was ‘not amused’.

Opa had gewoon ergens anders op het schoolplein op ons staan wachten. Tsja, mobieltjes bestonden toen nog niet…..

Met Opa Bram door Rotterdam -1-

Ik ben drie jaar oud en al een echte dame. Mijn papa en mama en mijn pasgeboren zusje en ik natuurlijk wonen in de 1e IJzerstraat, naast Groenteboer van der Ven en tegenover van der Meer & Schoep.

Opa en oma, de ouders van mijn moeder, wonen om de hoek, in de Coolhavenstraat, boven de schoenmaker en zijn vrouw. Winkel voor, woonhuis achter. Verderop in die straat staat de Piet Heijn school met daarnaast een poort die toegang geeft tot het pad naar de kleuterschool, waar ik volgend jaar naar toe zal gaan.

Opa is mijn held. Ik geloof alles wat hij mij vertelt. Opa weet ook alles, lijkt wel. Soms zit ik op zijn schoot, met mijn rug naar hem toe, in zijn leunstoel. Om de zoveel tijd steekt hij beide armen recht vooruit, voor mijn gezicht. Dan lik ik aan de plakrand van zijn vloeitje en draait hij zijn sjekkie af om het daarna bij de eerder gedraaide sjekkies in een blikje te doen.

Opa is mijn held, maar ik ben zijn prinsesje. Wat heeft hij mij verwend en ook voor de mannenmarkt later verpest. Mijn stoel wordt aangeschoven, deuren voor mij opengehouden, mijn jas aangegeven en opgehouden…

Maar van dat alles weet ik nog niets. Wat ik weet is, dat Opa niet meer kan werken. Dat hij schuin achter het raam in zijn fauteuil zit, met zicht op het spionnetje. Zo kan hij zien dat de kolenboer eraan komt. Dat het druk is bij de slager op de hoek. Hoe de auto’s geparkeerd staan. Ik weet dat Opa graag een ommetje maakt. En dat Opa álle urinoirs in de Stad kent. Van buiten én van binnen.

Opa is een Rotterdammer, maar dat hoor je niet. Hij was loodsbaas in de haven vroeger. Opa leest graag en Opa gebruikt hele rare woorden. Chique woorden.

Toen ik dus die dag bij Oma en Opa was keek ik ook in het spiegeltje de straat op. Ik zag een agent van politie, zo noemde Opa dat, bij een auto stil staan, nadenken, naar zijn borst- en broekzak  gaan en dat hij begon met schrijven. Daarna stopte hij het briefje onder de ruitenwisser van de auto in kwestie.

Opa! Opa! Kijk die meneer krijgt een bon!!! Nee, meisje, dat heet geen bon maar een ‘proces verbaal’. Zeg maar na: Proces Verbaal. “Posesse baal” zei ik braaf. “Goed zo meisje” en ik kreeg een aai over mijn bol.

Zo, nu heeft u een beeld van Opa en Opa en mij. Ik zal mijn avonturen met mijn Opa in Rotterdam hier met u delen. Van Stadswandelingen tot een bokkum kopen op de ‘Mart’. En alles daar tussenin.