Berichten

Slagschip

Wanneer  je vader voorzitter is van modelboot bouw vereniging “Poseidon” ben je aan je stand verplicht om ook een boot te bouwen, vond de 16 jarige Martin en dacht aan het vervaardigen van het grootste schip dat ooit door de clubleden van de vereniging aanschouwd was. Hij zou ze wel eens een poepie laten ruiken en eindelijk door die snoevers van het bestuur serieus genomen worden. Vooral zijn vader zou hem dan met andere ogen gaan bekijken. En dat werd tijd, omdat hij nooit ergens aan mocht komen van hem. Martins opmerkingen en ideeën werden meestal weggehoond.

Hij sprak in het geheim af met ome Jan, de jongere broer van zijn vader, die ook lid van de vereniging was en ook vaak met zijn grote broer overhoop lag. In zijn schuurtje bouwden ze stiekem een oorlogsschip met 20 boordkanonnen, echt draaiende radarschermen, reddingssloepen en natuurlijk de radiografisch bestuurbare motor, die het gevaarte geruisloos over de kanovijver van het Zuiderpark zou moeten laten glijden. Het schip werd wel anderhalve meter lang. En dat is zeer groot voor een modelboot. Naarmate de tijd verstreek, had Martin steeds meer moeite om voor zijn vader te verzwijgen waar hij mee bezig was, zelfs toen hij zijn moeder in het complot betrokken had. Ondanks de geheimzinnige stemming in huis had zijn vader niets in de gaten. Aan tafel bleef hij, zoals altijd, opschepperige anekdotes vertellen over zijn enorme slimheid. Tot de grote dag.

Bij de kanovijver werd, zoals elk jaar een gezamenlijke open dag gehouden door een aantal modelboot bouw verenigingen uit Rotterdam. Ze werkten samen, maar omdat er wedstrijden werden gehouden gunden ze elkaar het licht in de ogen niet. Er was meestal ontiegelijk veel gezeik over de jurysamenstelling en beschuldigden ze elkaar voortdurend van partijdigheid. Rond de vijver waren op de grote dag een aantal kramen neergepoot, gevuld met een groot aantal modelboten van allerlei soort en er werden demonstraties modelbootvaren gegeven. Het was prachtig weer, er werd zelfs gezwommen. Martin en ome Jan zouden pas tegen de middag verschijnen om het effect van de verrassing nog groter te maken. Om tien over twaalf stopte het busje van ome Jan op de parkeerplaats. Ze stapten uit, zetten hun “Poseidon” petten op en namen de situatie in ogenschouw. Het was druk bij de kramen en de vijver, maar Martin zag direct de rijzige gestalte van zijn vader, die met zijn armen over elkaar en met neergetrokken mondhoeken naar iemand stond te luisteren.
Daarna schudde hij z‘n hoofd, draaide zich om en beende weg. Martin zag nu ook zijn moeder, die zijn vader na stond te kijken. Het slagschip werd uit geladen en door ome Jan in Martins armen gevleid, die het, op van de zenuwen, bijna uit zijn poten liet vallen. “Kijk uit, jochie” siste ome Jan en keek zijn neef onderzoekend aan, “volgens mij ken je een ei in je reet gaarkoken, istnie?” Martin knikte bleekjes. Het was nu of nooit en daar stapte Martin kloek, stevig met de kruiser in zijn armen, alsof het een geweer betrof, op de menigte af. Hij keek niet op of om en stapte regelrecht naar de rand van de vijver. Het publiek week vol ontzag uiteen en er klonken kreten van bewondering.

Op een afstand stond zijn vader met open mond te kijken naar zijn slungelige zoon die rustig de boot in het water plaatste, van zijn oom de afstandsbediening aannam en de motor startte die onmiddellijk aansloeg. Als in een film gleed het slagschip over het water. Het zag er fantastisch uit en verschillende leden van de vereniging kwamen erbij staan en klopten hem op de schouders en overlaadden hem met een reeks complimenten waar Martin behoorlijk van in de war raakte. Hij hoorde zijn oom zeggen dat hij maar een heel klein beetje geholpen had. Ome Jan gaf Martin dus alle eer. Daarop draaide hij zich om en stond ineens oog in oog met zijn broer, die hem zwijgend aankeek en met samengeknepen lippen zijn hoofd schudde. Plots klonken er kreten vanaf de vijver, waar een grote opwinding heerste. De motor was uitgevallen waardoor het schip stuurloos op de vijver ronddobberde. De zwemmers die vanaf de te waterlating oplettend waren geworden, naderden nu snel het scheepsmodel. Martin sprong nerveus langs de kant heen en weer en riep in paniek om een rubber bootje, dat hem door een bekende gestalte werd aangereikt. Het was zijn vader, die hem ook nog de peddel overhandigde. Ze keken elkaar even aan. Er werd geen woord gesproken, terwijl Pa de rubberboot vast hield en Martin snel aan boord stapte en zacht “bedankt” mompelde. Hij wist niet zeker of zijn vader hem wel gehoord had.
De jongen peddelde nu ijlings naar zijn meesterwerk. De zwemmers waren akelig dichtbij gekomen en maakten al aanstalten het schip te enteren. “Afblijven!!”gilde Martin met een hoog stemmetje. Vertwijfeld kwam hij overeind in het rubberbootje. Hij reikte naar het slagschip, verloor zijn evenwicht en stortte met de peddel in de aanslag op het scheepsmodel. Martin ging kopje onder en kwam weer boven te midden van de wrakstukken van zijn noeste arbeid. Verbijsterd keek hij om zich heen, zwom naar de kant en werd daar door ome Jan op het droge geholpen. Zijn moeder had een handdoek geleend en begon hem droog te wrijven. Al die tijd had hij de pet opgehouden, die zijn moeder nu van zijn hoofd haalde. Hij keek zwijgend en witjes voor zich uit en leek opeens op een ontredderde kleuter. Ontroerd sloeg zij haar arm om hem heen en fluisterde: “ Ach, jochie toch. Je vader is apetrots hoor, want  hij staat aan iedereen te vertellen dat zijn zoon, stiekem dat geweldige slagschip gebouwd heeft en dat zo’n ongeluk iedereen kan overkomen. Hij zal het alleen niet tegen je zeggen.” Martin glimlachte even naar zijn moeder en zag hoe allerlei vrijwilligers de kapotte onderdelen van zijn werkstuk verzamelden en bij hem brachten. “Kunnen we best nog wat van maken jongen”, zei ome Jan.

Aad Wieman. Rotterdam, 5-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

Feyenoord – Tottenham Hotspur 29 mei 1974.

Zestien jaar was ik en ik mocht met mijn grote broer mee naar de Kuip. Mijn broer was toen sportjournalist bij het Algemeen Dagblad en had kaartjes gekregen om deze UEFA Cup wedstrijd bij te wonen. Natuurlijk was ik opgetogen dat ik mee mocht.

Eenmaal in de Kuip gearriveerd ontdekten wij al heel snel dat wij in het vak met alleen maar Engelsen zaten. De Tottenham supporters waren al duidelijk flink onder de invloed van drank, want zij hadden in de middag al de horeca in het centrum van Rotterdam getrakteerd op een leuke extra omzet. Zelf durfden wij amper iets te zeggen, want we waren een soort van ‘als de dood’ dat zij zouden ‘ontdekken’ dat wij Feyenoord supporters waren.

Toch was het in eerste instantie wel een gezellige boel en ik vond het wel een aparte belevenis om tussen die Engelsen te zitten.
Voor ons zagen wij nog een Feyenoord supporter. Deze man stond driftig met een grote vlag te zwaaien, maar de Engels vonden dat geen probleem.

Uiteindelijk sloeg de vlam in de pan. Stalen hekken werden omver geduwd alsof het luciferhoutjes waren, stoelen werden losgerukt en alles wat los en vast zat werd gebruikt als wapen. De Engelsen klommen over de omheining richting vak GG. Het veranderde in een oorlogstafereel.

Tot mijn verbijstering zag ik hoe met ijzeren staven op mensen werd ingehakt en hoe mensen gewoon van de eerste ring naar beneden werden gegooid. De situatie was allesbehalve veilig en wij moesten z.s.m. een veilig heenkomen zien te vinden. Nederlands praten durfden wij amper.

Doodsbang was ik, want wat ik allemaal om mij heen zag, zag je niet eens in een film. Wij baanden ons een weg en van alles vloog om mijn oren en ik hoorde geschreeuw en zag bebloede mensen om mij heen. Uiteindelijk stonden we voor een hek en mijn broer heeft mij daar een
soort van over heen gegooid. Het ergste gevaar was voorlopig geweken. Opeens hoorden we de stadionspeaker mijn broer omroepen. Hij moest zich melden in de radiokamer. Ik kan je verzekeren dat het heel, heel raar klinkt, als je opeens je naam door de luidsprekers in de Kuip hoort.

Voorzichtig probeerden wij ons een weg naar beneden te banen. Om ons heen was een veldslag aan de gang. ‘Supporters’ gingen niet met elkaar op de vuist, maar belaagden elkaar met alle mogelijke attributen die enigszins als wapen konden dienen. Terwijl wij probeerden via de trappen naar beneden te komen, baande de politie zich voorzichtig een weg naar boven.

Uiteindelijk arriveerden wij in de catacomben van de Kuip en hier ontvouwde zich een schouwspel dat ik mij tot op de dag van vandaag glashelder kan herinneren. Gewonde mannen, vrouwen en kinderen werden achter elkaar naar binnengebracht. Mijn broer moest contact opnemen met de redactie van het Algemeen Dagblad, want zij wisten dat hij in het stadion was. Ze wilden dat hij verslag zou doen van deze rellen. Ook gingen er al spoedig geruchten dat de boot, die de Tottenham Hotspur fans naar Engeland zou terugbrengen, niet van plan was om uit te varen. Mijn broer moest naar Hoek van Holland, want men verwachtte daar ook nog problemen.

Geregeld werd dat ik met een collega van mijn broer, Van Hemert van het ANP, thuis gebracht zou worden. Deze journalist moest echter ook eerst nog even zijn ‘werk’ doen en ik werd ‘gedropt’ bij de ingang van de EHBO en hier moest ik wachten. Met ontzetting sloeg ik alles gade. Kermende en bebloede mensen zouden mijn netvlies een lange tijd beheersen. Opeens vroeg een journalist iets aan mij, want ik stond daar, zonder kleerscheuren, keurig voor de deur te wachten. Ik vertelde dat ik op de desbetreffende tribune zat en dat ik alles van zeer dichtbij had meegemaakt. Binnen de kortste keren had ik tal van journalisten om mij heen. Keer op keer moest ik mijn verhaal vertellen.

Ondertussen kwam er geen einde aan de stroom van gewonden. Ik zag de meest verschrikkelijke verwondingen. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen Nederlanders en de Engelsen. Zo lagen opeens ‘fans’, die eerder geprobeerd hadden om elkaar hersens in te slaan, nu gebroederlijk naast elkaar. Het was een enorme chaos. Uiteindelijk kwam van Hemert van het ANP mij halen. Het was tijd om te gaan. Inmiddels was de Kuip grotendeels verlaten, maar buiten was het nog een pandemonium van opstootjes en geweld. De Rolls Royce, met Engels kenteken, die wij bij het betreden van het stadion eerder die avond, in volle glorie hadden mogen aanschouwen, stond er nu bij als een schroothoop. Totaal vernield.

’s Avonds laat kwam ik totaal onthutst thuis en ik wist eigenlijk niet wat ik nu daadwerkelijk had meegemaakt.
Ik had de schrik goed te pakken en het zou jaren duren, eer ik weer de weg naar de Kuip wist te vinden.
Saillant detail is dat in de documentaire over Feyenoord vanzelfsprekend deze schokkende gebeurtenis getoond wordt en je kan dan ook duidelijk horen dat mijn broer wordt omgeroepen.
In 1974 had de wereld voor het eerst daadwerkelijk kennis gemaakt met ‘hooligans’ en vandalisme.
Het is een negatieve rol voor de Kuip, maar valt helaas niet meer terug te draaien.

Jeroen Noppen

13 mei 1940 – Deel 2

Dit is een kort verhaal in verschillende delen waar ik mijn tijd voor neem. Alle namen van de personages en dit verhaal zijn tijdens het schrijven eigenlijk zo gemaakt dus mocht er iets overkomen alsof het echt was dan is dit toeval, behalve het stukje bij het Stadhuis dat ik van verschillende sites heb vernomen. Lees meer

13 mei 1940 – Deel 1

Dit is een kort verhaal in verschillende delen waar ik mijn tijd voor neem. Alle namen van de personages en dit verhaal zijn tijdens het schrijven eigenlijk zo gemaakt dus mocht er iets overkomen alsof het echt was dan is dit toeval. Lees meer

Gedicht: Oud en Nieuw Rotterdam

Oud en Nieuw Rotterdam

De echte gezelligheid is weg,
merkt ik als ik naar de plaatjes kijkt.
Plaatjes en prenten van Rotterdam,
vroeger en nu laten aan mij het verschil zien,
wat is er toch veel veranderd. Lees meer

De Perzik

Beste lezer, deze keer wil ik het hebben over een zeer speciale Rotterdammer, helaas is hij er niet meer, maar hij was jaren de smoel, de porum, van de Schiedamseweg.
Ja, ik kende de man via Opa. Wanneer Opa en ik voor een boodschap op de Schiedamseweg moesten zijn, of op de ‘Mart’ op het Visserijplein, zat er voor mij altijd een versnapering in. Soms een ijsje van Jamin, een andere keer een, wat men in die tijd dacht, gezondere snack. Fruit.
Het lekkerste vond ik het wanneer Opa een hele grote, rijpe, perzik kocht. Zo eentje die het sap over je kin laat lopen. Gelukkig had Opa altijd een grote zakdoek bij zich en zijn zakmes. Dan zochten we een bankje uit en sneed Opa de perzik in parten. Na het verorberen kon indien nodig mijn snoet worden gepoetst. Niet met moderne vochtige doekjes…nee… gewoon met een door Opa bespuugde punt van de betreffende zakdoek. Zo ging dat vroeger..
De man waar ik het over wil hebben is de eigenaar van de fruitstal. Algemeen bekend onder de naam Japie. Altijd vrolijk en zonnig, niks leek hem te veel. Ik vond het nooit erg daar op onze beurt te wachten. En dat duurde vrij lang, want: druk en…voor iedereen had hij een praatje klaar. Wat een gezellige man vond ik dat!
Jaren later wist ik dat Japie ‘meneer Querido’ heette. Hij kwam te wonen in dezelfde flat als waar ik woonde met mijn ouders en zussen. Ook hoorde ik zijn ‘verhaal’, niet van hem, van anderen, onder andere van mijn moeder. Een naar verhaal. Een 2e Wereld Oorlog verhaal. Een Kampgeschiedenis verhaal. Een ‘zoveel meegemaakt verhaal’ dat Japie onder de medicatie zat. Wegens een KZ-syndroom. Hij had geen fruitstal meer, maar praatjes nog wel. Wanneer men uit de flat kwam beneden en hij stond op de parkeerplaats, dan duurde het uren eer je boodschappen in huis waren. En nog steeds, altijd even opgewekt. Nou ja, eigenlijk medicinaal opgepept. Hij was altijd samen met zijn hondje. Die twee waren onafscheidelijk.
Nog steeds krijg ik een glimlach om mijn lippen wanneer ik denk aan zonnige dagen, lang wachten, vrolijk gekakel aan de fruitstal en het oppeuzelen van de sappige perzik op een bankje aan het Heemraadsplein.
Een glimlach om de zomer, om het samenzijn met Opa en de herinnering aan Japie Querido.
Ondertussen weet ik heel veel over de oorlog, de razzia’s in Rotterdam, het bombardement één dag voor mijn moeders’ verjaardag en wat er in de kampen is gebeurd.
Een postuum petje af voor Japie. De oorlog heeft hem op zijn knieën gekregen, maar hij is weer overeind gekomen en, al was het niet hard, door gegaan met lopen.

Historie Sint Franciscus Gasthuis vastgelegd in fraai boekwerk

Het Sint Franciscus Gasthuis in Rotterdam heeft de respectabele leeftijd van 120 jaar bereikt. Voor  Aad Koster, Annemiek Kunen, Cees Commerell en Pierre Pijpers was dat reden voor het schrijven en samenstellen van een fraai boekwerk: ‘Sint Franciscus Gasthuis 1892 – 1912’. Het eerste exemplaar is voor Zuster Agnita. De Augustinesse non was tot op het laatst van haar loopbaan verantwoordelijk voor de Eerste Hulp in het van oorsprong katholieke ziekenhuis.

Hubertus Kusters was er twaalf decennia terug de grondlegger van. De pater Franciscaan was als pastoor werkzaam in het centrum van Rotterdam. Hij opende het ziekenhuis voor arme rooms-katholieke zieken en zal toen niet hebben bevroed dat zijn initiatief zou uitgroeien tot een van de belangrijkste ziekenhuizen van Rotterdam en wijde omgeving. Menigeen zal nog herinneringen hebben aan het oude ziekenhuisgebouw aan de Schiekade met de hol klinkende gangen en de hoge plafonds in de verpleegzalen.

Oer-Rotterdammer Koos Postema schreef in het voorwoord dat de kerstnacht van 1997 in het doodstille ziekenhuis in zijn geheugen staat gegrift. ,,Op de afdeling waar baby’s ter wereld komen, werd de tweeduizendste van dat jaar verwacht – een kerstkind. Mijn microfoon van Radio Rijnmond had ik in de aanslag en het kind kwam in die historische nacht ter wereld. Het was een Turks kindje. Een mooi jongetje met gelukkige ouders, die geen Kerstmis kennen.’’

Over de reden van zijn voorwoord: ,,Ik woon al jaren niet meer in de buurt van Rotterdam, maar aan het Sint Franciscus Ziekenhuis heb ik heel wat onvergetelijke herinneringen. Ik kwam of kom er regelmatig op bezoek bij familie of kennissen. Daarnaast ook om te helpen bij de presentatie van feestelijkheden, zoals bij het afscheid van een directeur, maar ook bij de ingebruikname van een zeer uitgebreide dialyseafdeling.’’

Waarmee Koos Postema tegelijk aangeeft hoe het ziekenhuis, dat op 26 mei 1892 is begonnen met twaalf bedden aan de Oppert, is uitgegroeid tot een topklinisch en hoog gewaardeerd instituut in 2012.

Niet alleen de beperkte capaciteit van het Gasthuis aan de Oppert leidde naar het uitzien van een andere behuizing. Ook de kwaliteit van het gebouw en de bedompte omgeving lieten te wensen over. Een doordringende alcohollucht van de distilleerderij op de begane grond, evenals de hinder van ongedierte, lieten de verantwoordelijken zoeken naar andere huisvesting. In september 1892 viel de keuze op het pand Schiekade 64 met ruim uitzicht op de Schie. Nog voordat het nieuwe ziekenhuis in gebruik zou worden genomen, werd al besloten om op het bestaande pand een etage te bouwen. Hierdoor ging het nieuwe complex ruimte bieden aan vijftig tot zestig zieken en twintig zusters. De verhuizing daarheen van de Oppert was op 19 juni 1893 een feit.

In het boek komen in vier hoofdstukken chronologisch aan de orde de locaties van het Gasthuis door de jaren heen, de afdelingen, de impact van de Tweede Wereldoorlog en de belangrijke rol van de zusters Augustinessen in de ontwikkeling van de organisatie. Alle hoofdstukken worden geopend met foto’s van gebrandschilderde ramen uit de kapel van het voormalige gebouw aan de Schiekade. Bij de afbraak zijn deze zorgvuldig uit de sponningen gehaald en terug te vinden in onder meer de polikliniekgangen van het op 16 december 1975 geopende nieuwe ziekenhuis aan de Kleiweg.

Het boek geeft een ruime inkijk in de ontwikkeling van het ziekenhuis, zowel qua gebouwen als van de afdelingen. Extra inkijkjes zijn er van de Tweede Wereldoorlog. Het boek is een uniek naslagdocument voor elke rechtgeaarde Rotterdammer met belangstelling voor de historie van de stad.

Prof. dr. Paul van de Laar, bijzonder hoogleraar stadsgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, zei na lezen: ,,Een verrassend document. Door de veelzijdigheid aan beeldmateriaal wordt een goed beeld geschetst van het Rotterdamse Sint Franciscus Gasthuis door de tijd heen. Een aanrader voor elke liefhebber van de stad en geïnteresseerde in de ontwikkeling van de gezondheidszorg. Een boek om in te blijven bladeren.’’

‘Sint Franciscus Gasthuis 1892 -2012’ telt 128 pagina’s en 217 foto’s en illustraties. Prijs: 17,95 euro. ISBN 978.90.7364.7725. Vanaf 25 mei is het verkrijgbaar in de reguliere boekhandel of via www.uitgeverijvoet.nl

Met Opa Bram door Rotterdam -5

– De zomer komt eraan. En met de zomer het tuinseizoen.
Oma en Opa hebben een Volkstuin. Niet zomaar een groentetuintje, nee, een echte grote tuin, met gazon en een huisje er op, waar je zelfs in zou kunnen overnachten. Een keukenblok, een zitbank, een eethoek. In het begin was er nog geen stromend water in de huisjes en moesten we naar de W.C. in het toiletgebouw bij de speeltuin.
De ‘Tuin’ is in Overschie. Zestienhoven heet het complex. Het is verdeeld in een nieuw en oud gedeelte. Oma en Opa hebben een huisje op het oude deel, het gezellige gedeelte. Als je van de Overschiese Kleiweg rechts de hol afliep, was Opa’s tuin aan je linkerhand. Eerst was er een plein, waar ik met plezier heb staan kijken naar fanfare optredens met een majorettegroep. Daar was ook het eindpunt van de jaarlijkse bloemencorso’s, de lampionnen optocht en het informatiebord te vinden. Dan liep je rechtdoor en op het hoofdpad aan de linkerkant was Opa’s tuin, Opa’s trots.
De allereerste dag van het seizoen was nooit zo leuk. Om bij het huisje te komen, ging je door het tuinhekje van zilver metaal met een ontwerp in spijlen van een opkomende (of ondergaande) zon. Dan lopen via de flagstones. We mochten uitdrukkelijk niet op het gras!! Dat was niet gemakkelijk, want het gras stond uiteraard erg hoog, na het winterseizoen. Aan het eind van het pad was het terras, waar in de zomer altijd een tafeltje stond met stoelen in elk een andere kleur waslijnzitting. Dan, uiteindelijk ging de deur van het huisje open. Een muffe lucht stroomde je tegemoet, opgesloten vocht en stof van maanden. In de vensterbanken lagen, op hun rug, dode vliegen. Je kon de zon door het stof zien schijnen.
Gelukkig voor mij was schoonmaken een taak van de ‘vrouwen’, dus ik ging met Opa eerst eens de tuin inspecteren. Staande, bekeken vanuit de deuropening van het huisje, was rechts het groente- en fruitgedeelte. Een moesappelboom, waar heel zure, wormgevulde, appels aan groeiden en waar Oma appelcompote van maakte. Deze werd vaak geserveerd met de verse tuinboontjes, die maar niet op leken te raken. De appelmoes was meestal nog lauwwarm. Net als de gekookte custardvla als toetje. Die was met vel. Ook had Opa aardbeien en kropgroenten. In mijn herinnering hadden we ook kroten, maar zeker ben ik er niet van. Helemaal voorin de tuin, tegen de heg aan, waren de bloemen. Mijn lievelingsbloemetjes waren de leeuwenbekjes. Fascinerend hoe je die ‘plop!’ open kon laten springen. In het midden van het grasveld, sorry Opa, gazon, stond een fiere perenboom. Ook niet vegetarisch, want, wormen inclusief. Aan de lange linkerkant waren struiken en planten. Maar er was ook een geheim… achter het huisje stond mijn lievelingsstruik, altijd in de schaduw. De klapbessenstruik! Pas aan het eind van het tuinseizoen waren deze kruisbessen rijp. Tot dan deden we het in de zomer met zelfgeplukte bramen, die langs het pad, dat oud en nieuw terrein scheidde, volop groeiden. Met emmertje en speelkleding aan struinde ik dwars door de gedoornde struiken, om compleet bekrast en geschaafd terug te keren met mijn volle emmertje. Achter die struiken was een heel groot grasveld, waar ik met het meidenteam mee mocht voetballen als kleinste en waar de jaarlijkse sportdag plaats vond.
Die speelkleren vielen in de categorie ‘bah!’, samen met tuinboontjes, warme appelmoes met stukjes en vla met vel. Opa had namelijk nog oorlogse handigheidjes. Waardoor ik dus behoorlijk voor joker liep. Mijn speelschoenen waren namelijk geprepareerd. Het waren te kleine schoenen, waar Opa handig de neuzen uit had gesneden. Ook was ik de enige die, na gevraagd te hebben of ik ook stelten mocht, op twee verschillende, aan beide zijden doorboorde, conservenblikjes met touwtjes door de speeltuin strompelde.
Toch was de tuin fijn. Ook al moesten we soms, door omstandigheden, lopend naar huis. Mij zie je niet op de vierdaagse van Nijmegen! En tuinboontjes komen er bij mij niet in. Nooit!

Met Opa Bram door Rotterdam -4

De zon schijnt, ook op de Willem Buytewechstraat, waar ik naast Opa druk aan het struikelen ben over het kleurrijke, samengeperste, balletje ter grootte van een tennisbal. Het zit middels een lang maar dun elastiek om mijn enkel en het doel is om, al lopende, je ene been in de rondte te draaien en dan met je andere been over het elastiek te springen. Zo kan ik mijn energie kwijt, druk bezig zijn en ondertussen bijna niet vooruit komen, zodat Opa mij bij kan houden.
Opa wandelt, zoals altijd wanneer hij ‘los loopt’, met zijn beiden handen gevouwen op zijn rug. Kuieren heet dat.
We lopen niet ‘zomaar’, neeheeeee, we zijn op weg naar het Heemraadsplein. Het is Koninginnedag. Overal hangen vlaggen uit. De zon maakt het alleen maar feestelijker. Met oversteken mag ik even niet huppelen. Ik volg Opa op de voet, als altijd gekleed in een driedelig pak, met bretels en stropdas, en daar overheen een trenchcoat in een gedekte kleur. Greige, heet dat tegenwoordig. Op zijn hoofd zijn onafscheidelijke Stetson herenhoed, mikpunt van menige duif of meeuw. Vandaag hoeft er geen das om de nek, het is lenteweer.
We wandelen langs Piet Heijn, waar ik even los mag gaan met het balletje om het standbeeld heen, terwijl Opa oversteekt en een plasje gaat doen in het eerste openbaar urinoir op onze route. Dan vervolgen we onze weg, over de ‘enge’ brug naar de Lage Erf brug en dan via het korte stukje van de Nieuwe Binnenweg naar het Heemraadsplein.
Het is een fijn plein, met veel bankjes, waarop Opa kan rusten en speeltoestellen van ijzer, felgekleurd. Ik zit graag achter het stuur van de Brandweerwagen op het pleintje. Aan de andere kant van het plein, grenzend aan de Mathenesserlaan, is een restant van de oorlog, een Bunker, een Schuilkelder volgens Opa. Aangezien ik schuilen op dat moment associeerde met regen, vond ik het een spannend stukje plein.
Vandaag, op Koninginnedag, is het druk op het plein. Je kunt er stoepkrijten, blikjes gooien, snoep en toetertjes kopen. Ik haal het balletje van mijn enkel en kijk bij de krijtschilderijen.
In die dagen waren de winkels nog dicht op Feestdagen, dus geen Jamin vandaag. Daarom krijg ik een lollie, door Opa gekocht op het plein. “Niet lopen met de lollie!” zegt Opa en ik ga naast hem zitten op het bankje helemaal links op het plein aan de kant van de Nieuwe Binnenweg. Maar niet voordat Opa zijn zakdoek op het bankje heeft gelegd, zodat mijn jurkje niet vuil wordt.
We kijken nog wat naar de mensen, Opa doet nog een plasje, en wanneer mijn lollie op is, gaan we weer kuierend huiswaarts.
Zelfde weg terug, alleen nu aan de overzijde van de straat. Thuis aangekomen kom ik erachter, dat mijn elastieken balletje nog steeds in mijn jaszak zit…

Opa Henk

Daar zat hij in zijn stoel voor het raam. Het knusse huis aan de Walchersestraat in Rotterdam Zuid zat, zoals elke zondag, vol met bezoek en de sfeer van nostalgie hing in de lucht. Met zijn vinger in de lucht zat hij voorovergebogen een verhaal te vertellen. Hij vond het prachtig. Zijn vrouw rolde met haar ogen en maakte een sarcastische opmerking. Hij keek niet op of om en ging verder met zijn verhaal. Ik luisterde aandachtig en genoot van de beleving die hij in zijn verhaal lag. De verhalen raakten mij. Het ging vaak over de oorlog, over de gure tijden waarin hij had geleefd. Hij nam mij mee naar die tijd en liet me de dagelijkse beslommeringen even vergeten.

Even later nam hij plaats in de stoel aan de andere kant van de kamer voor de tv. Feyenoord moest spelen dus hij zat klaar. Zijn koptelefoon stond op maximale volume, want hij werd een beetje doof. Hij was Feyenoorder in hart en nieren. Ruim 80 jaar lang ging hij naar elke wedstrijd van Feyenoord aan de kromme zandweg in Charlois en in de Kuip. Hij was er bij in 1924 toen Feyenoord voor het eerst landskampioen werd. Drie stuivers telde hij voor die legendarische wedstrijd neer. Het spel van Puck van Heel en Adriaan Koonings had zijn liefde voor de ‘arbeidersclub’ uit Rotterdam voor altijd aangewakkerd. Met zijn broer en zijn vrienden zwierf hij over straat als Feyenoord moest spelen. Ze verzamelden zich voor de etalage van de sigarenhandel Van Twist, die bij elke goal de tussenstand op het krijtbord schreef, maar die tweede pinksterdag in 1924 móesten ze erbij zijn.

Hendrikus Johannes Lutgerus Geurtz, ofwel opa Henk. Mijn overgrootopa. Hij was een bijzonder mens met een passie voor zijn club Feyenoord. Op 5 november 2007 overleed hij op 95-jarige leeftijd. Tot een jaar voor zijn dood bezocht hij nog trouw elke wedstrijd van Feyenoord in de Kuip vanuit zijn eigen stoeltje. De eerste wedstrijd na zijn overlijden werd zijn stoel vrij gehouden. Iedereen in het vak kon Henk en Henk kon iedereen.

De beelden van de Feyenoord rellen deden mij aan hem denken. Hij zou voor altijd achter zijn club zijn blijven staan. Ik zie hem zo weer voor me, zijn ongeloof uitsprekend over de rellende jongeren. Met zijn vinger in de lucht zou hij dan zeggen: ‘Ik blijf voor altijd Feyenoorder!’ Ik ben trots dat ik lang heb mogen genieten van deze bijzondere man en met elke overwinning die Feyenoord behaalt, denk ik even aan hem met mijn vinger in de lucht.

In 2008 kwam het boek ‘Legioen!’ uit. Dit boek gaat over de eeuwige liefde voor Feyenoord 1908-2008. Een heel hoofdstuk is er aan opa Henk gewijd. Dit hoofdstuk gaat over die bewuste tweede pinksterdag in 1924. Hij vond het prachtig dat hij werd geïnterviewd, omdat hij niets liever deed dan praten over ‘zijn’ Feyenoord. Helaas heeft hij het boek nooit overhandigd gekregen. Hij was toen al overleden, maar ik weet zeker dat hij trots was geweest. Dit boek is een mooie nagedachtenis aan hem en brengt mooi in beeld wat Feyenoord voor hem betekende.

 

Hendrikus Johannes Lutgerus Guertz 5 februari 1912 – 5 november 2007