Berichten

De Perzik

Beste lezer, deze keer wil ik het hebben over een zeer speciale Rotterdammer, helaas is hij er niet meer, maar hij was jaren de smoel, de porum, van de Schiedamseweg.
Ja, ik kende de man via Opa. Wanneer Opa en ik voor een boodschap op de Schiedamseweg moesten zijn, of op de ‘Mart’ op het Visserijplein, zat er voor mij altijd een versnapering in. Soms een ijsje van Jamin, een andere keer een, wat men in die tijd dacht, gezondere snack. Fruit.
Het lekkerste vond ik het wanneer Opa een hele grote, rijpe, perzik kocht. Zo eentje die het sap over je kin laat lopen. Gelukkig had Opa altijd een grote zakdoek bij zich en zijn zakmes. Dan zochten we een bankje uit en sneed Opa de perzik in parten. Na het verorberen kon indien nodig mijn snoet worden gepoetst. Niet met moderne vochtige doekjes…nee… gewoon met een door Opa bespuugde punt van de betreffende zakdoek. Zo ging dat vroeger..
De man waar ik het over wil hebben is de eigenaar van de fruitstal. Algemeen bekend onder de naam Japie. Altijd vrolijk en zonnig, niks leek hem te veel. Ik vond het nooit erg daar op onze beurt te wachten. En dat duurde vrij lang, want: druk en…voor iedereen had hij een praatje klaar. Wat een gezellige man vond ik dat!
Jaren later wist ik dat Japie ‘meneer Querido’ heette. Hij kwam te wonen in dezelfde flat als waar ik woonde met mijn ouders en zussen. Ook hoorde ik zijn ‘verhaal’, niet van hem, van anderen, onder andere van mijn moeder. Een naar verhaal. Een 2e Wereld Oorlog verhaal. Een Kampgeschiedenis verhaal. Een ‘zoveel meegemaakt verhaal’ dat Japie onder de medicatie zat. Wegens een KZ-syndroom. Hij had geen fruitstal meer, maar praatjes nog wel. Wanneer men uit de flat kwam beneden en hij stond op de parkeerplaats, dan duurde het uren eer je boodschappen in huis waren. En nog steeds, altijd even opgewekt. Nou ja, eigenlijk medicinaal opgepept. Hij was altijd samen met zijn hondje. Die twee waren onafscheidelijk.
Nog steeds krijg ik een glimlach om mijn lippen wanneer ik denk aan zonnige dagen, lang wachten, vrolijk gekakel aan de fruitstal en het oppeuzelen van de sappige perzik op een bankje aan het Heemraadsplein.
Een glimlach om de zomer, om het samenzijn met Opa en de herinnering aan Japie Querido.
Ondertussen weet ik heel veel over de oorlog, de razzia’s in Rotterdam, het bombardement één dag voor mijn moeders’ verjaardag en wat er in de kampen is gebeurd.
Een postuum petje af voor Japie. De oorlog heeft hem op zijn knieën gekregen, maar hij is weer overeind gekomen en, al was het niet hard, door gegaan met lopen.

Met Opa Bram door Rotterdam -4

De zon schijnt, ook op de Willem Buytewechstraat, waar ik naast Opa druk aan het struikelen ben over het kleurrijke, samengeperste, balletje ter grootte van een tennisbal. Het zit middels een lang maar dun elastiek om mijn enkel en het doel is om, al lopende, je ene been in de rondte te draaien en dan met je andere been over het elastiek te springen. Zo kan ik mijn energie kwijt, druk bezig zijn en ondertussen bijna niet vooruit komen, zodat Opa mij bij kan houden.
Opa wandelt, zoals altijd wanneer hij ‘los loopt’, met zijn beiden handen gevouwen op zijn rug. Kuieren heet dat.
We lopen niet ‘zomaar’, neeheeeee, we zijn op weg naar het Heemraadsplein. Het is Koninginnedag. Overal hangen vlaggen uit. De zon maakt het alleen maar feestelijker. Met oversteken mag ik even niet huppelen. Ik volg Opa op de voet, als altijd gekleed in een driedelig pak, met bretels en stropdas, en daar overheen een trenchcoat in een gedekte kleur. Greige, heet dat tegenwoordig. Op zijn hoofd zijn onafscheidelijke Stetson herenhoed, mikpunt van menige duif of meeuw. Vandaag hoeft er geen das om de nek, het is lenteweer.
We wandelen langs Piet Heijn, waar ik even los mag gaan met het balletje om het standbeeld heen, terwijl Opa oversteekt en een plasje gaat doen in het eerste openbaar urinoir op onze route. Dan vervolgen we onze weg, over de ‘enge’ brug naar de Lage Erf brug en dan via het korte stukje van de Nieuwe Binnenweg naar het Heemraadsplein.
Het is een fijn plein, met veel bankjes, waarop Opa kan rusten en speeltoestellen van ijzer, felgekleurd. Ik zit graag achter het stuur van de Brandweerwagen op het pleintje. Aan de andere kant van het plein, grenzend aan de Mathenesserlaan, is een restant van de oorlog, een Bunker, een Schuilkelder volgens Opa. Aangezien ik schuilen op dat moment associeerde met regen, vond ik het een spannend stukje plein.
Vandaag, op Koninginnedag, is het druk op het plein. Je kunt er stoepkrijten, blikjes gooien, snoep en toetertjes kopen. Ik haal het balletje van mijn enkel en kijk bij de krijtschilderijen.
In die dagen waren de winkels nog dicht op Feestdagen, dus geen Jamin vandaag. Daarom krijg ik een lollie, door Opa gekocht op het plein. “Niet lopen met de lollie!” zegt Opa en ik ga naast hem zitten op het bankje helemaal links op het plein aan de kant van de Nieuwe Binnenweg. Maar niet voordat Opa zijn zakdoek op het bankje heeft gelegd, zodat mijn jurkje niet vuil wordt.
We kijken nog wat naar de mensen, Opa doet nog een plasje, en wanneer mijn lollie op is, gaan we weer kuierend huiswaarts.
Zelfde weg terug, alleen nu aan de overzijde van de straat. Thuis aangekomen kom ik erachter, dat mijn elastieken balletje nog steeds in mijn jaszak zit…

Met Opa Bram door Rotterdam -2

Ik ben zes jaar al en ga naar de ‘grote school’. Mijn school heeft een hele fijne naam: de Sint Nicolaas school. Het klinkt of het er altijd feest is. Eerst zou ik naar de Piet Heijn school, in de Coolhavenstraat, om de hoek, waar ook mijn oma en Opa wonen. Maar die school had een nieuw beleid, ging ‘anders doen’, zei mijn moeder, dus werd ik ingeschreven op een andere school. Inderdaad, niks nieuws daar. Behalve dat er in het jaar van mijn aanname voor het eerst meisjes op die school mochten komen. Een Katholieke Basisschool, met voornamelijk Broeders. Het klooster was ernaast gelegen.

Broeder Bernardinus was het schoolhoofd en hij had altijd lekkere dropjes in zijn jaszak. Ooit heb ik zelfs de kloostertuin mogen zien. Niemand mocht normaal door de poort in de muur om het schoolplein, maar ik wel! Ik heb niet veel van de tuin onthouden, alleen al om het feit dat ik hem mocht zien. Dat was het meest bijzondere. De derde klas had een ‘Meester’, een niet-broeder. De eerste klas een juffrouw. Juffrouw Hagendoorn. Een juf met saaie jurken.

Naar school gaan was niet echt een pretje. Ik woonde in de 1e IJzerstraat, de school was bij het Marconiplein. Ik had korte beentjes. Ik weet de route nog. IJzerstraat, hoekkie om, Willem Buytewegstraat uit naar de Kolk, waar een nieuw zogeheten bejaardenhuis was gebouwd. Over de brug, jeetje wat was ik bang voor die brug. Ik dacht altijd dat de brugwachter me niet zou zien en de brug zou opendoen als ik er nog opliep. Daarom huppelde ik altijd over de brug, dan was ik beter zichtbaar… Langs het pleintje met Piet Heyn, geheel ondergepoept door de meeuwen en dan de heeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeele Schiedamseweg af.  Langs de linkerkant en bij het kruispunt met aan de overkant Jamin oversteken. Dit om de speelgoedwinkel te vermijden, die had een belletje aan de buitenkant van de etalage en als je daarop drukte ging het treintje rijden achter het glas. Zo kwam je nooit op school aan.

Ik had een klasgenootje, al sinds de kleuterschool en zij ging ook naar dezelfde grote school. Mijn moeder en haar moeder hadden, zeer vooruitstrevend, een soort wandelpool bedacht. De ene week was het mijn moeders beurt en de andere keer de moeder van Marianne Blaak. Marianne moest nóg verder lopen, zij woonde aan het Kerkepad, bijna bij de Pieter de Hooghweg.

Op een dag kon mijn moeder ons niet komen halen en zij had Opa gevraagd de honneurs waar te nemen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik was er opgewonden van, dit was wel heel bijzonder, dat mijn Held ons van school kwam halen. Na school hebben wij uuuuuren gewacht op Opa. Natuurlijk was dit misschien niet langer dan een kwartier. Toen besloten wij zelf naar huis te lopen, misschien was Opa wel verdwaald. We vonden het een goede oplossing, Marian en ik, en we hebben niet eens getreuzeld of bij de speelgoedwinkel op het belletje gedrukt.

Thuis aangekomen bleek, dat alleen Marian en ik het een goed idee vonden. Mijn moeder was ‘not amused’.

Opa had gewoon ergens anders op het schoolplein op ons staan wachten. Tsja, mobieltjes bestonden toen nog niet…..