Berichten

De Kuip, sentiment of ratio (2)

Beste Feyenoord-vrienden,

Een bijzondere belevenis was het juichende stadion nadat Feyenoord een goal had gescoord. De eerste keer dat ik mij daar als jongetje naast de vele andere indrukken van bewust werd was in een op 15 mei 1958 gespeelde wedstrijd tegen Fortuna ’54 uit Geleen, dat toentertijd nog absolute topspelers als goalgetter Bram Appel, Cor van der Hart (beste voetballer van Nederland) en verdediger Jan Notermans in de ploeg had. Frans de Munck, de onbetwiste nationale doelman met de exotische bijnaam Zwarte Panter was toen al naar DOS verhuisd, dat met hem in datzelfde seizoen de landstitel zou pakken. Kees Rijvers, die bij Feyenoord rechtsbinnen speelde, had met een dropkick gescoord (1-0) en het stadion ontplofte! Ik zat aan de zijkant van ‘de put’ (X noord) en zag al die juichende, springende, zwaaiende, elkaar omhelzende toeschouwers op de eerste en tweede ring en die aanblik maakte mij dubbel enthousiast om mee te delen in de tomeloze vreugde, waarmee die schitterende voetbaltempel seconden lang bezwangerd was. De domper kwam niet lang daarna en nog voor de rust toen Henk Angenent (een ver familielid van vooralsnog de laatste winnaar van de Elfstedentocht) tegen scoorde (1-1). Met name Coen Moulijn trachtte na rust met wervelende acties het pleit alsnog in het voordeel van de thuisclub te beslechten, maar helaas vond de droomvoorhoede van Feyenoord bij goede doelpogingen doelman Ed Belski van de Limburgers op zijn weg. Op een of andere manier heeft Fortuna ’54, ook als latere fusieclub Fortuna Sittard, ons vaker danig dwars gezeten. In 1957 verloren we na een  2-1 voorsprong bij de rust alsnog de bekerfinale in De Kuip tegen de Zuid-Limburgse topclub van weleer (2-4). In latere jaren verslikten we ons met 1-3 tegen het toen veel bescheidener Fortuna Sittard met de gevaarlijke sluipschutter Ronald Hamming in de ploeg. Tijdens het seizoen 1996-1997 zette de zuidelijke ploeg ons de voet dwars met 4-4 na een spectaculaire wedstrijd in De Kuip waarbij wij drie keer hadden achter gestaan en Ronald Koeman eerst een strafschop miste alvorens een tweede elfmetertrap feilloos te benutten. Mede door deze onverwachte remise werd PSV dat seizoen kampioen met uiteindelijk 4 punten voorsprong.

Waar Feyenoord in vroegere jaren in de eigen Kuip ook veel moeite mee had was stadgenoot Sparta. Er is zelfs een seizoen geweest dat Feyenoord in Spangen met 0-4 had gewonnen met koningsschutter Cor van der Gijp als scorende uitblinker (op 2 december 1956), waarna in De Kuip met 0-3 werd verloren. Het enige wapenfeit was een buitenspelgoal van Toontje Meerman die prompt werd afgekeurd. Historisch is natuurlijk de bizarre en onverdiende 0-1 nederlaag die Feyenoord op 23 augustus 1959 tegen Sparta leed na een uiterst omstreden strafschop die de Amsterdamse (!) Leo Horn kort voor tijd aan Sparta had geschonken nadat EddY Pieters Graafland de hinderende Wim van der Gijp een vriendelijk schopje onder het Dordtse achterwerk had gegeven na het wegtrappen van de bal. Tinus Bosselaar benutte de idiote strafschop en toen beleefde ik voor het eerst in mijn nog zeer jeugdige leven ongeregeldheden in Neerlands mooiste en meest traditionele voetbalstadion. De spelers en arbitrage moest toen nog over een onbeschermde sintelbaan naar de kleedkamers lopen. Een regen van gehuurde kussentjes daalde neer op Leo Horn  en een haag van agenten kon niet verhinderen dat de belaagde leidsman  van een woeste toeschouwer een schop moest incasseren. De eigenzinnige Mokummer zou een seizoen lang niet in De Kuip mogen fluiten en na zijn terugkeer in een wedstrijd tegen GVAV op 13 november 1960 was het eerste wat hij deed aan Feyenoord een pingel geven bij een 0-0 stand. De penalty werd benut, maar Feyenoord verloor wel met 1-3. Naar aanleiding van eerder genoemde gewelddadigheden werd het Leo Hornpad aangelegd. Veel stelde het niet voor, het was een looppad van de kleedkamers over de sintelbaan naar het hoofdveld, slechts afgezet met dranghekken die geen enkele bescherming boden tegen eventueel kwaadwillende toeschouwers.  Naderhand werd ter meerdere beveiliging (als gevolg van een verdere verruwing van de samenleving?) de spelerstunnel aangelegd.

In het in 1937 opgeleverde stadion zijn vele historische wedstrijden gespeeld. Nederland won er een keer de derby der Lage Landen met 9-1 van de Belgische zuiderburen en Feyenoord won er met 7-3, 9-5 en 9-4 van Ajax.

Een kleinere stadsgenoot van de Mokumse aartsrivaal (De Volewijckers) werd ooit op een nederlaag van 11-4 getrakteerd. NAC werd een keer met 10-0 verslagen na een 1-0 ruststand. Geschiedenis werd natuurlijk ook geschreven met de 12-2 walk over tegen de IJslandse tegenstander KR Reykjavik en dan waren er de 2-0 triomf op wereldbekerhouder AC Milan en de latere identieke zege op die andere Italiaanse grootheid, afkomstig uit Turijn (Juventus). En al was het resultaat tegen AC Milan toernooitechnisch gezien van veel groter belang dan dat tegen De Oude Dame, juist die laatste zege was wellicht nog spectaculairder dan die tegen AC Milan, gelet op de toen al drastisch gewijzigde internationale verhoudingen bij het clubvoetbal. De Kuip ontplofte bij die beide goals van Julio Ricardo Cruz en voor mijn gevoel juichten de uitzinnige supporters minutenlang om die schitterende voltreffers van de Argentijnse centrumspits welke doelman Angelo Peruzzi kansloos maakten.

Maar het mooiste uit de relatief recente tijd moest nog komen. Dat geweldige, onvergetelijke, onnavolgbare en onovertrefbare UEFA Cup toernooi 2001-2002. We waren al verwend geweest met een verdienstelijke derde plaats in de CL poule waarbij wij Spartak Moskou achter ons lieten.

Het grote Bayern Muenchen werd met 2-2 bedwongen (na een 2-1 voorsprong) en zonder de geschorste Pi-air werd van de Russische topper met 2-1 gewonnen nadat in Moskou de tegenstander met 2-2 was geneutraliseerd!!

Daarna volgden een serie uiterst spectaculaire dubbelconfrontaties waarbij thuis tegen FC Freiburg met 1-0 werd gewonnen, daarna met 3-2 van Glasgow Rangers, vervolgens na strafschoppen de bloedstollende thriller tegen landgenoot PSV (my finest hour). Internazionale werd in de halve finale op 2-2 gehouden nadat in San Siro met 0-1 was gewonnen (Winnen in San Siro doen wij alleen hiero). Ja, en toen volgde de apotheose, twee dagen na de afgrijselijke en brute moord op de arme Pim Fortuyn. Borussia Dortmund was de naam, de Duitse kampioen van dat jaar 2002.  De historische finale is de enige Europese wedstrijd van het roemruchte seizoen 2001-2002 geweest waarvoor ik geen kaartje kon bemachtigen. Hoe slordig gaat ons dierbare Feyenoord soms met zijn supporters om door trouw stadionbezoek geenszins te belonen. Als je maar een silvercard had die even duur was als een gewone seizoenkaart maar destijds nog nauwelijks verplichtingen oplegde, had je met voorrang toegang tot de finale, ook al had je geen enkele Europacupwedstrijd eerder dat seizoen bijgewoond. Maar voor mijn gezondheid was het ongetwijfeld beter om de eindstrijd op zekere afstand te volgen, in mijn geval op ongeveer 140 kilometer. Nadat Jan Koller de achterstand tot 3-2 had verkleind hield ik het voor de buis niet meer uit en fietste ik de doodstille Peel in, weg van de stress, waarbij ik met mijn mobieltje een vriend uit het Noord-Limburgse Beringe had verzocht om mij na afloop van de wedstrijd alleen te bellen als Feyenoord had gewonnen. Aldus geschiedde en uit pure vreugde gaf ik een rondje weg in de plaatselijke dorpskroeg aan mijn jongste zoon (Feyenoorder in hart en nieren) en zijn vrienden die als geboren Zuid-Oost Brabanders uiteraard in meerderheid voor PSV waren. Ruim een jaar later onderging ik een open hart operatie voor drie omleidingen. Hoe zou het mij zijn vergaan als ik die hyperventilerende finale in De Heilige Kuip had moeten ondergaan? Nu, ruim 11 jaar later, heb ik het voorrecht er nog steeds met grote voldoening op terug te kijken. We zijn na al die tijd nog steeds de eerste EN laatste Nederlandse Europacupwinnaar. En daar tussendoor wonnen wij in 1974 ook als eerste Nederlandse club de UEFA Cup (tegen Tottenham Hotspur), waarbij horden gefrustreerde en gewelddadige Engelsen zich schandelijk gedroegen en hun vakken sloopten.

Qua resultaat is eigenlijk de meest historische wedstrijd in De Kuip de zege op Estudiantes de la Plata op 9 september 1970 geweest. Het was een draak van een duel, waarbij de maffiose Argentijnen het veld heel klein hielden door telkens de buitenspelval te laten dichtklappen. Maar invaller en eigen kweek Joop van Deale scoorde het enige doelpunt van de wedstrijd met een ziedend afstandschot en sindsdien mag Feyenoord zich erop beroepen als het eerste uit Nederland afkomstig voetbalelftal wereldkampioen te zijn geworden, hetgeen Oranje ondanks drie WK finales tot op heden niet is gelukt! De Wereldbeker is ook nog eens de hoogste prijs die een clubteam op deze aardbol kan winnen.

Wordt vervolgd.

ForLife en ForEver

Rood-wit-zwart

Feyenoord-hart.

Feyenoord – Tottenham Hotspur 29 mei 1974.

Zestien jaar was ik en ik mocht met mijn grote broer mee naar de Kuip. Mijn broer was toen sportjournalist bij het Algemeen Dagblad en had kaartjes gekregen om deze UEFA Cup wedstrijd bij te wonen. Natuurlijk was ik opgetogen dat ik mee mocht.

Eenmaal in de Kuip gearriveerd ontdekten wij al heel snel dat wij in het vak met alleen maar Engelsen zaten. De Tottenham supporters waren al duidelijk flink onder de invloed van drank, want zij hadden in de middag al de horeca in het centrum van Rotterdam getrakteerd op een leuke extra omzet. Zelf durfden wij amper iets te zeggen, want we waren een soort van ‘als de dood’ dat zij zouden ‘ontdekken’ dat wij Feyenoord supporters waren.

Toch was het in eerste instantie wel een gezellige boel en ik vond het wel een aparte belevenis om tussen die Engelsen te zitten.
Voor ons zagen wij nog een Feyenoord supporter. Deze man stond driftig met een grote vlag te zwaaien, maar de Engels vonden dat geen probleem.

Uiteindelijk sloeg de vlam in de pan. Stalen hekken werden omver geduwd alsof het luciferhoutjes waren, stoelen werden losgerukt en alles wat los en vast zat werd gebruikt als wapen. De Engelsen klommen over de omheining richting vak GG. Het veranderde in een oorlogstafereel.

Tot mijn verbijstering zag ik hoe met ijzeren staven op mensen werd ingehakt en hoe mensen gewoon van de eerste ring naar beneden werden gegooid. De situatie was allesbehalve veilig en wij moesten z.s.m. een veilig heenkomen zien te vinden. Nederlands praten durfden wij amper.

Doodsbang was ik, want wat ik allemaal om mij heen zag, zag je niet eens in een film. Wij baanden ons een weg en van alles vloog om mijn oren en ik hoorde geschreeuw en zag bebloede mensen om mij heen. Uiteindelijk stonden we voor een hek en mijn broer heeft mij daar een
soort van over heen gegooid. Het ergste gevaar was voorlopig geweken. Opeens hoorden we de stadionspeaker mijn broer omroepen. Hij moest zich melden in de radiokamer. Ik kan je verzekeren dat het heel, heel raar klinkt, als je opeens je naam door de luidsprekers in de Kuip hoort.

Voorzichtig probeerden wij ons een weg naar beneden te banen. Om ons heen was een veldslag aan de gang. ‘Supporters’ gingen niet met elkaar op de vuist, maar belaagden elkaar met alle mogelijke attributen die enigszins als wapen konden dienen. Terwijl wij probeerden via de trappen naar beneden te komen, baande de politie zich voorzichtig een weg naar boven.

Uiteindelijk arriveerden wij in de catacomben van de Kuip en hier ontvouwde zich een schouwspel dat ik mij tot op de dag van vandaag glashelder kan herinneren. Gewonde mannen, vrouwen en kinderen werden achter elkaar naar binnengebracht. Mijn broer moest contact opnemen met de redactie van het Algemeen Dagblad, want zij wisten dat hij in het stadion was. Ze wilden dat hij verslag zou doen van deze rellen. Ook gingen er al spoedig geruchten dat de boot, die de Tottenham Hotspur fans naar Engeland zou terugbrengen, niet van plan was om uit te varen. Mijn broer moest naar Hoek van Holland, want men verwachtte daar ook nog problemen.

Geregeld werd dat ik met een collega van mijn broer, Van Hemert van het ANP, thuis gebracht zou worden. Deze journalist moest echter ook eerst nog even zijn ‘werk’ doen en ik werd ‘gedropt’ bij de ingang van de EHBO en hier moest ik wachten. Met ontzetting sloeg ik alles gade. Kermende en bebloede mensen zouden mijn netvlies een lange tijd beheersen. Opeens vroeg een journalist iets aan mij, want ik stond daar, zonder kleerscheuren, keurig voor de deur te wachten. Ik vertelde dat ik op de desbetreffende tribune zat en dat ik alles van zeer dichtbij had meegemaakt. Binnen de kortste keren had ik tal van journalisten om mij heen. Keer op keer moest ik mijn verhaal vertellen.

Ondertussen kwam er geen einde aan de stroom van gewonden. Ik zag de meest verschrikkelijke verwondingen. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen Nederlanders en de Engelsen. Zo lagen opeens ‘fans’, die eerder geprobeerd hadden om elkaar hersens in te slaan, nu gebroederlijk naast elkaar. Het was een enorme chaos. Uiteindelijk kwam van Hemert van het ANP mij halen. Het was tijd om te gaan. Inmiddels was de Kuip grotendeels verlaten, maar buiten was het nog een pandemonium van opstootjes en geweld. De Rolls Royce, met Engels kenteken, die wij bij het betreden van het stadion eerder die avond, in volle glorie hadden mogen aanschouwen, stond er nu bij als een schroothoop. Totaal vernield.

’s Avonds laat kwam ik totaal onthutst thuis en ik wist eigenlijk niet wat ik nu daadwerkelijk had meegemaakt.
Ik had de schrik goed te pakken en het zou jaren duren, eer ik weer de weg naar de Kuip wist te vinden.
Saillant detail is dat in de documentaire over Feyenoord vanzelfsprekend deze schokkende gebeurtenis getoond wordt en je kan dan ook duidelijk horen dat mijn broer wordt omgeroepen.
In 1974 had de wereld voor het eerst daadwerkelijk kennis gemaakt met ‘hooligans’ en vandalisme.
Het is een negatieve rol voor de Kuip, maar valt helaas niet meer terug te draaien.

Jeroen Noppen

Historie Sint Franciscus Gasthuis vastgelegd in fraai boekwerk

Het Sint Franciscus Gasthuis in Rotterdam heeft de respectabele leeftijd van 120 jaar bereikt. Voor  Aad Koster, Annemiek Kunen, Cees Commerell en Pierre Pijpers was dat reden voor het schrijven en samenstellen van een fraai boekwerk: ‘Sint Franciscus Gasthuis 1892 – 1912’. Het eerste exemplaar is voor Zuster Agnita. De Augustinesse non was tot op het laatst van haar loopbaan verantwoordelijk voor de Eerste Hulp in het van oorsprong katholieke ziekenhuis.

Hubertus Kusters was er twaalf decennia terug de grondlegger van. De pater Franciscaan was als pastoor werkzaam in het centrum van Rotterdam. Hij opende het ziekenhuis voor arme rooms-katholieke zieken en zal toen niet hebben bevroed dat zijn initiatief zou uitgroeien tot een van de belangrijkste ziekenhuizen van Rotterdam en wijde omgeving. Menigeen zal nog herinneringen hebben aan het oude ziekenhuisgebouw aan de Schiekade met de hol klinkende gangen en de hoge plafonds in de verpleegzalen.

Oer-Rotterdammer Koos Postema schreef in het voorwoord dat de kerstnacht van 1997 in het doodstille ziekenhuis in zijn geheugen staat gegrift. ,,Op de afdeling waar baby’s ter wereld komen, werd de tweeduizendste van dat jaar verwacht – een kerstkind. Mijn microfoon van Radio Rijnmond had ik in de aanslag en het kind kwam in die historische nacht ter wereld. Het was een Turks kindje. Een mooi jongetje met gelukkige ouders, die geen Kerstmis kennen.’’

Over de reden van zijn voorwoord: ,,Ik woon al jaren niet meer in de buurt van Rotterdam, maar aan het Sint Franciscus Ziekenhuis heb ik heel wat onvergetelijke herinneringen. Ik kwam of kom er regelmatig op bezoek bij familie of kennissen. Daarnaast ook om te helpen bij de presentatie van feestelijkheden, zoals bij het afscheid van een directeur, maar ook bij de ingebruikname van een zeer uitgebreide dialyseafdeling.’’

Waarmee Koos Postema tegelijk aangeeft hoe het ziekenhuis, dat op 26 mei 1892 is begonnen met twaalf bedden aan de Oppert, is uitgegroeid tot een topklinisch en hoog gewaardeerd instituut in 2012.

Niet alleen de beperkte capaciteit van het Gasthuis aan de Oppert leidde naar het uitzien van een andere behuizing. Ook de kwaliteit van het gebouw en de bedompte omgeving lieten te wensen over. Een doordringende alcohollucht van de distilleerderij op de begane grond, evenals de hinder van ongedierte, lieten de verantwoordelijken zoeken naar andere huisvesting. In september 1892 viel de keuze op het pand Schiekade 64 met ruim uitzicht op de Schie. Nog voordat het nieuwe ziekenhuis in gebruik zou worden genomen, werd al besloten om op het bestaande pand een etage te bouwen. Hierdoor ging het nieuwe complex ruimte bieden aan vijftig tot zestig zieken en twintig zusters. De verhuizing daarheen van de Oppert was op 19 juni 1893 een feit.

In het boek komen in vier hoofdstukken chronologisch aan de orde de locaties van het Gasthuis door de jaren heen, de afdelingen, de impact van de Tweede Wereldoorlog en de belangrijke rol van de zusters Augustinessen in de ontwikkeling van de organisatie. Alle hoofdstukken worden geopend met foto’s van gebrandschilderde ramen uit de kapel van het voormalige gebouw aan de Schiekade. Bij de afbraak zijn deze zorgvuldig uit de sponningen gehaald en terug te vinden in onder meer de polikliniekgangen van het op 16 december 1975 geopende nieuwe ziekenhuis aan de Kleiweg.

Het boek geeft een ruime inkijk in de ontwikkeling van het ziekenhuis, zowel qua gebouwen als van de afdelingen. Extra inkijkjes zijn er van de Tweede Wereldoorlog. Het boek is een uniek naslagdocument voor elke rechtgeaarde Rotterdammer met belangstelling voor de historie van de stad.

Prof. dr. Paul van de Laar, bijzonder hoogleraar stadsgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, zei na lezen: ,,Een verrassend document. Door de veelzijdigheid aan beeldmateriaal wordt een goed beeld geschetst van het Rotterdamse Sint Franciscus Gasthuis door de tijd heen. Een aanrader voor elke liefhebber van de stad en geïnteresseerde in de ontwikkeling van de gezondheidszorg. Een boek om in te blijven bladeren.’’

‘Sint Franciscus Gasthuis 1892 -2012’ telt 128 pagina’s en 217 foto’s en illustraties. Prijs: 17,95 euro. ISBN 978.90.7364.7725. Vanaf 25 mei is het verkrijgbaar in de reguliere boekhandel of via www.uitgeverijvoet.nl

De weddenschap station Blaak

Het van een schooljongetje naar volwassen worden is me wat mij betreft toch wel met ’n hoop plezier gelukt… (Bang dat sommige mensen hier minder plezier aan beleefd hebben, maar dat terzijde..)

Na mn eerste mislukte verkering van n week (type meisje: gespreksstofloos, te dromerig, geen gevoel voor humor maar verder was ze toch wel…slaapverwekkend vooral!) Naast dat alles was t wel een kanjer om te zien! Maar ja, toch maar uitgemaakt… Of was zij nou degene die… Ach, maak nie uit!

Met het uiteenvallen van mn eerste serieuze relatie, begon de opbouw van een grote vriendenclub! En daarnaast ook het vermelden waard ; de ombouw van mijn slaapkamertje naar n heuse english pub, waar wij toendertijd het voordrinken uitgevonden hebben ben ik bang…

Ons eindpunt van n avond stappen was meestal de big ben op t stadhuisplein, waar de sfeer in mijn eigen pub/slaapkamer al steeds meer mee te vergelijken viel.

Begin Big-Ben-avond begon op station Lombardijen, meestal met het uit de automaat halen van een reepje Bros,Mars of Topdrop rolletje voor 50 cent… Bleef ik me toch een keer met mn vinger vastzitten om n verkeerd gevallen reep eruit te halen. Iedereen lachen… had ik mn vinger gelukkig los, bleef dat laatje voor aatje half openstaan en zag ik de volgende reep ook naar beneden zakken! Ook maar effe eruit gehaald en de rest van de repen volgden automatisch… Ik was er als de pinken bij met mn pinken zeg maar! Oh! De trein! Snel met volle zakken gratis brosrepen de trein in! Ongelofelijk hoe we het voor elkaar kregen, maar toch in de restauratietrein voor station Blaak allemaal snel nog een blikje bier, en… op tijd leeg! Met als gevolg deze weddenschap…

De oude spoorbrug Blaak, vlakbij de hoogstraat… Effe erop klimmen, naar je maatjes zwaaien en weer terug naar beneden… Voordat iemand de tijd had “ dat durft niemand!”
te zeggen zat ik al bovenop de historische treinbrug te zwaaien naar mn maatjes!
Al zwaaiend naar mijn maatjes, vroeg ik me af of ik van het klimmen nog zo trilde, of..een trein.. uitgesloten! ik had de borden snel en goed gelezen! aan beide sporen gedurende mijn heldhaftig optreden dit tijdstip geen trein!Begint me toch een hoop getril en gedonder!Kolere! niet bij stil gestaan op de borden geen vermelding olietreinen!

Hebbie wel eens een parend kikkerstelletje gezien? Die mekaar 4 dagen lang niet loslaat?
Zo hing ik dus aan die brug, daar ik niet berekend was op de olietrein die mijn kant op kwam denderen! ‘k Ben nie gauw bang, maar heeft me 10 minuten geduurd nadat de trein weg was, voor ik weer naar beneden durfde te zakken!

Beneden met trillende benen, maar wel als held ontvangen!
Eenmaal aankomst Big-Ben, merkte de op leeftijd zijnde toiletjuffrouw wel op dat ik wat witjes en stilletjes was, hoefde dit keer dan ook niet te betalen van de lieverd. Na wat halve liters gelukkig trillen en de schrik in mn benen over.. Versieren van een nieuwe vriendin die avond niet gelukt… Bij terugkomst station Lombardijen wel grappig; de automaatlade nog steeds half open… Toch effe hoor… lade dicht, 2 kwartjes…naar volgende lade..half open…2 pinken beide zijkanten en… mn hele vriendengroep weer voorzien van topdrop,bros,mars,dropstaafjes….

Te leven op duizend plaatsen. Jo Otten 1901-1940

Rob Groenewegen (R’dam 1960) promoveerde aan de Universiteit Leiden onder leiding van prof. dr. Jaap Goedegebuure tot doctor in de geesteswetenschappen op een biografie van de Rotterdamse schrijver en non-conformist Jo Otten. De handelseditie van dit kloeke proefschrift werd in de pers lovend ontvangen.

Enkele reacties:

‘Naar de schrijver Jo Otten, die in 1928 promoveerde op de dissertatie Het Fascisme en in 1932 het opwindende essay Bed en wereld publiceerde, ben ik al lang nieuwsgierig. Als bewonderaar en ijverig lezer van Menno ter Braak, E. du Perron en andere schrijvers uit het interbellum kwam ik zijn naam herhaaldelijk tegen. Nu weet ik alles van hem, dankzij de gedetailleerde biografie waarop neerlandicus Rob Groenewegen afgelopen week promoveerde (…). In een defensief nawoord probeert de biograaf te rechtvaardigen waarom “een vergeten literaire figuur” zo’n omvangrijke biografie verdient. Overbodig: een goed boek als dit, over een fascinerend mens in een belangrijke historische periode heeft geen rechtvaardiging nodig.’
Elsbeth Etty, Nieuwe Rotterdamsche Courant

‘Iets te dikke, maar mooie biografie van de jong gestorven Rotterdamse schrijver en wetenschapper Jo Otten, die in 1928 promoveerde op een interessant proefschrift over het Italiaanse fascisme. Groenewegen geeft een levendig beeld van het literaire leven in het Interbellum, waarin Otten contact had met essayist Menno ter Braak. Beiden stierven in de meidagen van 1940: Ter Braak door zelfmoord, Otten door een bombardement. Waar Ter Braak een plek in de literatuurgeschiedenis verwierf, raakte Otten in de vergetelheid. Groenewegen doet een poging hem daaraan te ontrukken en slaagt wonderwel. Hij schetst het beeld van een overgevoelige en eenzame jongen, die zijn heil zocht, en vond, in boeken. Lezing van dit proefschrift, waarvan deze uitgave een handelseditie is, zet aan tot het ontdekken van Ottens literaire werk.’

Wim Berkelaar, Historisch Nieuwsblad

‘Deze biografie is een duizelingwekkend verhaal vol wetenswaardigheden rond het Rotterdamse (literaire) leven tijdens het interbellum. Groenewegen laat niets onbesproken en is uiterst zorgvuldig en volledig (misschien té) in zijn analyse van Otten en de tijd waarin hij leefde. Daarmee is deze biografie veel meer dan de levensbeschrijving van een man geworden. Het biedt ook een schat aan informatie over architectuur, kunst, film, politieke stromingen, etc. (…) Als veelzijdige, grillige figuur is Otten geen gemakkelijk ‘materiaal’ voor een biograaf. Groenewegen is er desondanks in geslaagd een evenwichtig beeld te schetsen van diens leven en tijd en daarmee is de biografie een aanwinst voor wie geïnteresseerd is in deze literaire periode.’
Rien van den Berg, Nederlands Dagblad

‘Groenewegen geeft een beeld van Rotterdam in de eerste decennia van de twintigste eeuw, dat zich schoksgewijs ontwikkelde tot wereldhaven. Hij beschrijft het culturele leven: het was de tijd van de filmliga, de charleston en de grammofoonplatenfeestjes, de tijd ook van nieuwe zakelijkheid, vitalisme en futurisme. Groenewegen schetst de gecompliceerde veelvormigheid van de Nederlandse literatuur uit die tijd, met allerlei avant-gardebewegingen die over elkaar heen tuimelen. En hij doet een verdienstelijke poging de waardering van Otten en vele anderen voor het fascisme en andere autoritair-populistische stromingen te begrijpen in de context van hun tijd.’
Joost van der Vleuten, Literair Nederland

‘Groenewegen beschrijft nauwkeurig het leven van de schrijver. Fijn is ook dat Groenewegen zeer uitgebreid én adequaat over Forum schrijft – Otten had namelijk contact met Menno ter Braak en publiceerde zijn werken in een tijd dat de mannen van Forum het literaire landschap overheersten. Het is een zeer toegankelijke biografie geworden. Groenewegen is nu bezig met een biografie over Victor E. van Vriesland – The Leading Man van de Nederlandse literatuur. (…) Met deze biografie over Jo Otten heeft Groenewegen aangetoond dat hij over de kwaliteiten beschikt om over Van Vriesland te schrijven.’
Bart Temme, Tzum

In 2008 bezorgde Rob de vierde druk van Ottens novelle Bed en wereld (1932). Momenteel werkt hij aan de samenstelling van diens Verzameld werk, dat in het voor- en najaar van 2012 in twee afzonderlijke edities bij Uitgeverij In de Knipscheer het licht zal zien.

Rob werkte tot 2011 als redacteur voor de Stichting Menno ter Braak, waar hij o.a. de boeken van Ter Braak van een inleiding en een editiegeschiedenis voorzag.

(overgenomen van http://www.victorvanvriesland.nl/de-biografie)