Berichten

Dank U Sinterklaasje !!!!

Eén van de spannendste dingen in een kinderleven is het Sinterklaasfeest.
Natuurlijk is 5 december zelf de apotheose van de voorpret, maar nog voor de aankomst van Sinterklaas loopt de spanning hoog op.

Op de scholen worden in, wat nu geheten,  groepen 1 en 2 en de onderbouw van het basisonderwijs al liedjes geoefend om luidkeels Sint en zijn Pieten te kunnen verwelkomen en strakjes bij de schoen te kunnen zingen, natuurlijk uit volle overtuiging.

Zelf was ik het type kind, en nog steeds wel,  van: een kinderhand is snel gevuld. Dat was ook zo met mijn schoentje. Ik ben snel tevreden.

Wij hadden al een gashaard in Delfshaven terwijl oma en opa nog een kolenkachel hadden.
De gashaard was handig voor meer dan verwarmen. Zo ‘streek’ mijn vader op de ronde hoeken mijn satijnen haarlinten op de kachel en kon de soep erop warm gehouden worden. Ook was het een mooi apparaat om bovenin je kleurpotloden in de kachel te laten vallen om daarna naar het verbrandingsproces te kijken achter de ruitjes.
Mijn moeder vond dat niet zo leuk en eigenlijk heeft het verbieden ervan mijn ontwikkeling in Bèta-vakken gestagneerd.

Maar wij, mijn zusjes en ik, zongen uit volle borst naast onze schoenen, voor de kachel, met een wortel en een glaasje water voor het Paard.
In pyjama en pantoffels. Buiten al donker, dus daarna naar bed .. naar bed.

We sliepen met zijn drietjes op de ‘halve’ zolder. De andere helft was van de buren en Jenny en Cocky sliepen daar.
Helaas hadden mijn ouders gedacht aan een babyfoon.. een intercomsysteem destijds… waar regelmatig uit klonk “Slapen, NU!” wanneer er weer eens een wedstrijdje trampolinespringen op de spiralen bed bodems aan de gang was.
Ook in de weekenden hadden wij veel lol wanneer we wakker werden en speelden we uitgelaten, wachtend op mama die ons zou roepen. Aangezien wij luiken voor de ramen hadden (enkel glas daar en op de 3e etage)  hadden we geen idee of het 4 uur in de ochtend was of ‘al weer’ 8 uur….

Maar ik dwaal af….

Schoen gezet.. de volgende ochtend was erg spannend. Wachten op mama, dan mochten we mee naar beneden. – probeer dat nu eens als ouder, met kids die in het weekend al om 6 uur voor de televisie zitten, stilletjes, kijkend naar Cartoon Network of Zappelin-. Mijn ouders hadden alle tijd om een verdieping lager de wortel te doen verdwijnen en het glas leeg te gooien.

In onze schoen zat altijd iets leuks. Of lekkers. Of allebei. Ik was blij met wat ik kreeg van Sinterklaas. Hij kon niet weten dat ik misselijk werd van grote suikerbeesten en gevulde chocomuizen. Maar een mandarijntje was al goed.

En je schoen vol betekende dat je lief bent geweest.

Op een dag was het die avond weer ‘schoenzetten’.
Het was een druilerige dag, maar dat hoort bij Sinterklaas.
Mijn twee jaar jongere zus en ik gingen buiten spelen. ( bij gebrek aan PC, 399 televisiezenders, Wii’s, Playstations, DS’sen etc., etc.)

Wij konden heel goed buiten spelen daar, want we konden heel ver weg op straat, zonder over te hoeven steken.
Hoe we op het idee kwamen… ik kan het me niet meer herinneren, maar we gingen ‘een rondje doen’.

De deur uit lopen, rechtsaf langs van der Ven groenten en fruit, hoekkie om de Coolhavenstraat in en dan langs de Piet Heijn school, de poort van de kleuterschool voorbij, nog een stukje doorlopen en dan de Schoonderloostraat in, op de hoek van de Coloniastraat.

Aan het einde van de Schoonderloostraat kon je de Willem Buytewechstraat weer op.
Maar dat ging niet zomaar… De Havenstraat en de Schoonderloostraat lagen aanzienlijk lager dan de Willem Buytewechstraat en de 1e IJzerstraat.
Om weer boven te komen was er aan het eind van de Schoonderloostraat ,die dus dood liep, een straatbrede stenen trap met heel veel treden met – -voor een kind-  erg grote ‘stappen’.
En zwaar verboden voor mijn zus en ik. Dus… terug of.. op avontuur.

Wij kozen voor het laatste.
En begonnen de trap te bestijgen. Met kriebels in onze buik omdat we wisten dat we iets deden wat niet mocht.

We waren al halverwege, het ging niet snel, want de ijzeren leuning was wel erg hoog en moeilijk vast te houden en we moesten hele grote stappen nemen. Ik weet niet meer wie van ons twee het eerst alarm sloeg, maar aan het begin van de Schoonderloostraat zagen wij onze vader naderen… dát was niet goed!! Snel draaiden we om, en probeerden snel, voor hij ons zag, verder naar boven te klimmen, maar tot onze ontzetting keken wij in het gezicht van Opa Bram, die boven aan de trap stond..
Ingesloten! Be’trapt’…

Moeder en Oma in paniek.. overstuur en de mannen eropuit gestuurd.

Die avond zongen wij extra hard. Om Sinterklaas te laten geloven dat wij héle lieve kindertjes waren.
En ja, de volgende ochtend waren ook onze schoenen gevuld….
De één had een roe… de ander een zakje zout…

Dank U Sinterklaasje !!!

Groen Rotterdam

Ja, Rotterdam! Een echte werkstad. Niet lullen maar poetsen! Opgestroopte mouwen. Havens, bouwen, de ene straat dicht, de volgende open. Wederopbouw, woonprojecten, verdwalen op het eens zo bekende Centraal Station, Markthal… Werk werk werk….

Toch is er ook ontspanning in deze stad. Zo woon ik in een ‘oude’ nieuwbouwwijk, met een fantastische Wijktuin. En komende zondag: Ladiesride. Verleden jaar weet ik nog dat na de start, in Nesselande, we het nog bijna ongerepte poldergebied inreden en ik een explosie van geuren heb ervaren, die mij emotioneel raakte. Zoete, dikke lucht, onmogelijk te negeren.

Aan de andere kant bevindt zich het Bergse Bos. Ja, ooit gebouwd op een ‘vuilnisbelt’, maar er is genoeg te recreëren. Wandelen, fietsen, hengelen, een buitensportcentrum, paardrijden, het Elysium, een tenniscentrum, skeeleren, ja, ook Nordic wandelen. En de skischans natuurlijk!

Dan is er het Kralingse Bos, ook op loopafstand van waar ik woon. Vaste prik is de jaarlijkse Marathon, altijd even de recreatie lopers aanmoedigen. Aan de ‘boerenzij’ is het Zuiderpark. Daar kom ik eigenlijk alleen om naar Metropolis te gaan.

Maar mijn eerste groen ervaring in deze fantastische stad was Het Park. Ook wel het park bij de Euromast genoemd. Of het Park bij de heuvel.

Ik ben er tegenover geboren, in het Dijkzigt ziekenhuis. Het ligt op loopafstand van waar wij woonden toen. Coolhavenstraat/1e IJzerstraat.

Natuurlijk kan ik mijn eerste bezoek niet navertellen, ik werd namelijk luxe gereden in de wandelwagen. Maar bewijs heb ik wel:

fotograaf: Aad Schell

 

Later, als kleuter herinner ik me warme zomerdagen, de zandbak in Het Park, de geur van warm zand en zon, mijn moeder op een bankje in de schaduw van de bomen en het gekwetter en gezang van de vogels in de volière aldaar.
Lauw geworden limonadesiroop uit hoge, slanke, Tupperware bekers met deksel.
Nog steeds vind ik Het Park een mooi park. Op zomerse dagen vinden nog steeds families gezelligheid op het grote grasveld, kleed mee, bal mee, eten en drinken…en genieten.
Zó maar, in het midden van de Stad, terwijl de Maastunnel is afgesloten, de sirenes loeiend over de Westzeedijk gillen en de werkschepen voorbijglijden.

Groen Rotterdam. Urban Genieten….

Rondje Scholing

Ik ben een laatbloeier.
Mijn vervolg opleidingen heb ik pas gevolgd en met goed gevolg afgesloten toen ik al een héle Grote Meid was. Naast of na mijn banen.

Middelbare school was meer in de geest van 12 vakken 13 onvoldoendes. Ik kon het wel..maar er was altijd wel iets waarom het niet ging.

Laat ik u meenemen naar de scholen en buurten waar ik heb mogen spelen, delen, weten en zweten..

Ik begon op de crèche.. als oudste kind vond mijn moeder dat ik contacten moest hebben en moest socialiseren. Logisch, want toen ik drie jaar was, was de middelste nog geen één jaar oud en voor de jongste werd nog niet eens geoefend.
Dus ik ging (ik meen) 2 dagdelen per week naar de crèche. Die was in Delfshaven, in de Koloniastraat of vlak daarbij. Ik herinner me nu nog dat het er rook naar warme melk en oud brood. En er waren kinderbedjes voor de allerkleinsten.
Wat ik me heel duidelijk herinner is dat we ook spelletjes deden. Bij Jan Huigen in de ton viel IK in duigen, omdat een jongetje mij waarschijnlijk toen al zo aantrekkelijk vond (ja ik ben bescheiden) dat hij bovenop me sprong. Ik werd afgevoerd met een gebroken sleutelbeen.
Wekenlang in een mitella, niemand die aan die kant mocht staan of zitten, behalve natuurlijk Opa.

Ik werd groter en mocht naar de kleuterschool. Die was in de Coolhavenstraat, achter de Piet Hein School. Je ging door een hek, onder een poort door, het paadje af en dan kwam je bij de voordeur.
Bij buiten spelen gingen alle materialen naar buiten. Die waren gemerkt met kleuren. En je hoefde het niet te wagen om een andere kleur schep te pakken dan die van jouw klasje. Wij hadden blauw. Maar niemand die je dat vertelde.
Ook was er een grote zandbak met een klimrek. Daar leerde ik dat ik hoogtevrees heb.
Eigenlijk was de school erg voortvarend met hun ‘ervarend leren’ en ‘trial and error’.
Op een dag was ik lekker van het zonnetje aan het genieten, standje ‘relaxed’ toen ik een zet kreeg en hoorde “jij bennum”… maar ik deed niet mee. Ik viel en mijn hoofd raakte vol de rand van het stenen trappetje, waardoor mijn voorhoofd uit elkaar spatte en ik met een theedoek op mijn hoofd werd afgeleverd bij mijn moeder op de stoep.
Die kreeg zowat een flauwte toen de Juf subtiel de theedoek van mijn hoofd af haalde en moest de buurvrouw mee naar het Dijkzigt (tegenwoordig EMC) waar ik al worstelend verloor van de artsen, die mijn voorhoofd probeerden te hechten.
Ik ben J.K. Rowlings eeuwig dankbaar voor haar Harry Potter boeken, tegenwoordig zeg ik gewoon dat ik de tante ben van Harry, want ik heb (nog steeds) zo’n soort litteken op mijn voorhoofd.
Dat was trauma 2!

Toen was ik een grote meid! Ik mocht naar de Grote School! Op de Willem Buytenwechstraat kocht mijn moeder voor mij een polshorloge, want ik was nu echt groot. En omdat ik ging leren lezen mocht ik ook een boek uitzoeken. Het werd een heel groot sprookjesboek van H.C. Andersen, met hele mooie illustraties. De St Nicolaasschool op de hoek van de Schiedamseweg en de Korfmakersstraat werd het. Die school was het jaar ervoor nog een jongensschool. Maar de wet zei: gemengde scholen. Het was dus een vriendinnengroepje van vier daar… dat waren: ik, zei de gek, en de andere 3 meisjes. Op die school heeft mijn brilletje regelmatig vliegles gehad, maar aangezien ik er maar één jaar heb verbleven, geen brevet gehaald. Ja, ze sloegen op school! In klas 3 (groep 5) sloeg de meester zelfs met de liniaal!
De redenen waren natuurlijk legitiem. Als je knoeide met je inkt en kroontjespen. Wanneer je niet netjes genoeg met je armen over elkaar zat. Of je kauwde op een potlood. Of een jongen plaagde een meisje…
Ik weet nog dat Sinterklaas op school kwam. Via de speakers in de klassen noemde hij de stoute kinderen op. Plaatsvervangend schaamde ik me toen de Sint zei: en ‘Jantje’ plast nog steeds in zijn bed…

Toen verhuisden we naar Ommoord en ging ik naar de Minister Marga Klompéschool op de Robert Kochplaats. Een Katholieke school met Daltononderwijs. Een verademing!
Met een infocentrum en een muziekleraar en sportdagen! Zónder traporgeltje… En we zaten in groepjes vanaf de 5e klas (groep 7)
Met veel plezier kijk ik terug naar deze schooltijd.

De CITO-toets (toen nog leuk en zonder kinderstress) gaf aan dat ik qua talenkant naar de HAVO-VWO kon en qua logicakant nog niet eens aangenomen kon worden op de MAVO… Ik zei dus eigenlijk ‘A’ maar geen ‘Bèta’.
Uiteindelijk werd het het Emmauscollege, in Alexanderpolder aan de Michelangelostraat. Het waren noodlokalen die allemaal roken naar gesmolten bekers en chocolademelk die overleden waren op de gevelkachels. Als je bij het scheikundelokaal op de gang iets te hard tegen de muur leunde, vielen binnen in het magazijn de chemische stoffen om. Dat was eigenlijk het leukste van de Bètavakken.
Buiten dat ik, door huiselijke omstandigheden, de brugklas een jaar over mocht doen, heb ik het er erg naar mijn zin gehad.
Ik herinner me nog dat er veel leerlingen van gegoede families op die school zaten en na de Kerstvakantie was het vaste prik dat sommige op krukken naar school kwamen. Wintersport!
Fun was het om dan (het noodgebouw was een vierkant, rondom een tuin, met klapdeuren tussen de gangen) wedstrijdje te doen op de krukken van een klasgenoot, wie het eerst rond was..

Uiteindelijk ben ik zelf, na veel verschillende banen in het onderwijs terecht gekomen… Wie mij goed kent, had dat nooit, echt nooit, kunnen voorzien.
Ja, ik ken mezelf. Ik dus ook niet!

Samen op de Fiets

Vandaag laat ik Opa Bram thuis. Waarom? Omdat ik met mijn vader Aad Schell op de fiets mee mag. Mijn vader werkt vol continue, dus onze tijd is schaars.
De fiets was een basis fiets, geen versnellingen, wel een bel, en een stoeltje aan het stuur.
Samen weg vond ik altijd leuk.
Oh nee, één keer was ik bang. Toen had mijn vader zich voorgenomen samen met mij naar de Kuip te gaan. Hij was een Spartapiet, heeft zelf ooit als jeugdige in het eerste van Sparta gevoetbald, dus ik denk dat het om een wedstrijd ging tussen Feijenoord en Sparta, maar ik durf er mijn hand niet voor in het vuur te steken.
Om een kort verhaal lang te maken: we hebben de tribune nooit bereikt. Waarom niet?
Assie durfde de trappen niet op. Veel te hoog, maar daar kwam ik halverwege pas achter, toen ik niet meer vooruit durfde. Dus tegen de stroom in terug naar beneden. En met het pontje terug naar de Parkkade.

Maar meestal fietsen we door het Havengebied. Het gedeelte tussen de Sint Jobshaven en het Marconiplein.
Langs de horlogemaker en langs Stokvis.
De wind in mijn gezicht en haren, soms mocht ik bellen, en mijn vader trappend tegen de wind in en voluit zingend.
Ja, zingend. Iedereen mocht weten dat we langs waren geweest.
En ik had ook mijn eigen partij in mijn favoriete liedje: “How much is that Doggie in the Window”.. Ik deed vol overtuiging de “woef woef”.

http://www.youtube.com/watch?v=L-U894UkSNI

Ik vond het fantastisch als hij zong. Maar ik was de enige geloof ik. Nu zong hij dus vaak op straat en verhaspelde teksten met ondeugende zinnen als: “Vader liet een frisse dreutel, vader lied een frisse wind, zie hem schuiven in extase…” Ik vond het hilarisch.

Maar goed, tegen de tijd dat wij van Gend en Loos aan de linkerkant voorbij waren, staken we over, oppassen voor de rails en eventuele goederenwagons en reden wij het echte havengebied in.

Mijn vader was ooit kraanmachinist en mijn moeder ‘stekker’- telefoniste bij hetzelfde bedrijf. Zo hebben zij elkaar ook ontmoet. Dit terrein was hem dan ook goed bekend.

Tegen die tijd zette hij weer een ander liedje in. Bijvoorbeeld “Bird Dog”. Ik verstond toen ‘sjannie is een sjoker’, maar ach, ik was maximaal 4 jaar oud.
Laatst vertelde iemand mij dat hij als kind het zo fantastisch vond dat Bad Moon Rising van CCR begon met “Assie a Bad Moon rising”. Herkenbaar dus.

Ik hield van de bewegingen in de havens, kranen die loom draaiden, ook op zondagen, om een schip te laden en te lossen. De loodsen, rails en goederenwagons die zomaar konden oversteken zonder spoorbomen. Zó spannend! En de krijsende meeuwen natuurlijk!
Dat havengebied is niet meer. Er staan flats op en appartementen met penthouses.
De rails is weg, de goederenwagons zijn niet meer.

Mijn vader is ook niet meer, maar nog steeds geniet ik als ik in een havengebied ben. De geuren, het nooit stoppende werk.

En.. nog steeds heb ik hoogtevrees.

Rotterdammert

Rotterdammert

Ik ben geboren in Schiedam in 1977. Daarna zijn we naar Zeeland verhuist en toen naar Rotterdam. Mijn leven begon dus op de Statenweg 119 (zeg maar hoek Stadhoudersweg) op de derde en vierde verdieping. Lees meer

Gedicht: De Maasstad

De Maasstad

Van de Maasboulevard tot aan de Euromast,
loop ik en geniet van het uitzicht.
Van de Bergselaan tot aan de Statenweg,
in het donker zijn de straten verlicht. Lees meer

Met Opa Bram door Rotterdam -2

Ik ben zes jaar al en ga naar de ‘grote school’. Mijn school heeft een hele fijne naam: de Sint Nicolaas school. Het klinkt of het er altijd feest is. Eerst zou ik naar de Piet Heijn school, in de Coolhavenstraat, om de hoek, waar ook mijn oma en Opa wonen. Maar die school had een nieuw beleid, ging ‘anders doen’, zei mijn moeder, dus werd ik ingeschreven op een andere school. Inderdaad, niks nieuws daar. Behalve dat er in het jaar van mijn aanname voor het eerst meisjes op die school mochten komen. Een Katholieke Basisschool, met voornamelijk Broeders. Het klooster was ernaast gelegen.

Broeder Bernardinus was het schoolhoofd en hij had altijd lekkere dropjes in zijn jaszak. Ooit heb ik zelfs de kloostertuin mogen zien. Niemand mocht normaal door de poort in de muur om het schoolplein, maar ik wel! Ik heb niet veel van de tuin onthouden, alleen al om het feit dat ik hem mocht zien. Dat was het meest bijzondere. De derde klas had een ‘Meester’, een niet-broeder. De eerste klas een juffrouw. Juffrouw Hagendoorn. Een juf met saaie jurken.

Naar school gaan was niet echt een pretje. Ik woonde in de 1e IJzerstraat, de school was bij het Marconiplein. Ik had korte beentjes. Ik weet de route nog. IJzerstraat, hoekkie om, Willem Buytewegstraat uit naar de Kolk, waar een nieuw zogeheten bejaardenhuis was gebouwd. Over de brug, jeetje wat was ik bang voor die brug. Ik dacht altijd dat de brugwachter me niet zou zien en de brug zou opendoen als ik er nog opliep. Daarom huppelde ik altijd over de brug, dan was ik beter zichtbaar… Langs het pleintje met Piet Heyn, geheel ondergepoept door de meeuwen en dan de heeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeele Schiedamseweg af.  Langs de linkerkant en bij het kruispunt met aan de overkant Jamin oversteken. Dit om de speelgoedwinkel te vermijden, die had een belletje aan de buitenkant van de etalage en als je daarop drukte ging het treintje rijden achter het glas. Zo kwam je nooit op school aan.

Ik had een klasgenootje, al sinds de kleuterschool en zij ging ook naar dezelfde grote school. Mijn moeder en haar moeder hadden, zeer vooruitstrevend, een soort wandelpool bedacht. De ene week was het mijn moeders beurt en de andere keer de moeder van Marianne Blaak. Marianne moest nóg verder lopen, zij woonde aan het Kerkepad, bijna bij de Pieter de Hooghweg.

Op een dag kon mijn moeder ons niet komen halen en zij had Opa gevraagd de honneurs waar te nemen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik was er opgewonden van, dit was wel heel bijzonder, dat mijn Held ons van school kwam halen. Na school hebben wij uuuuuren gewacht op Opa. Natuurlijk was dit misschien niet langer dan een kwartier. Toen besloten wij zelf naar huis te lopen, misschien was Opa wel verdwaald. We vonden het een goede oplossing, Marian en ik, en we hebben niet eens getreuzeld of bij de speelgoedwinkel op het belletje gedrukt.

Thuis aangekomen bleek, dat alleen Marian en ik het een goed idee vonden. Mijn moeder was ‘not amused’.

Opa had gewoon ergens anders op het schoolplein op ons staan wachten. Tsja, mobieltjes bestonden toen nog niet…..