Berichten

Rotterdammert

Rotterdammert

Ik ben geboren in Schiedam in 1977. Daarna zijn we naar Zeeland verhuist en toen naar Rotterdam. Mijn leven begon dus op de Statenweg 119 (zeg maar hoek Stadhoudersweg) op de derde en vierde verdieping. Lees meer

Gedicht: Oud en Nieuw Rotterdam

Oud en Nieuw Rotterdam

De echte gezelligheid is weg,
merkt ik als ik naar de plaatjes kijkt.
Plaatjes en prenten van Rotterdam,
vroeger en nu laten aan mij het verschil zien,
wat is er toch veel veranderd. Lees meer

Tranen van vreugde bij weerzien van oudere Katendrechters

Op Katendrecht ben ik in 1946 geboren, dus ben ik – wat men noemt – een babyboomer. Vader kwam eind juli 1945 terug uit Duitsland en moeder was al snel zwanger. Mijn eerste schreeuw gaf ik in de voorkamer van opa en oma Reinier en Trees van Wijk aan de Tolhuislaan 49. Mijn bijna (helaas overleden) drie jaar oudere zus Miep zal toen best in de buurt zijn geweest. Nadat moeder van haar zwangerschap was hersteld, gingen we naar huis. Dat was een zolderkamer van de familie R. van der Gevel boven slager De Pater op de hoek van Heinlantstraat en Groene Hilledijk.

 Vanwege de familieband was ik vaak op Katendrecht te vinden, ging er naar de speeltuin en probeerde te piepen met het heen- en-weertje dat voer tussen de Kaap en de Willemskade. Ondertussen waren we verhuisd naar de (verdwenen) Pantserstraat en werden de Afrikaanderwijk en Hillesluis mijn nieuwe ontdekkingsgebieden. Ik kwam vaak in het patronaat van het Sint Franciscus Liefdewerk in de Brabantsestraat van de paters Bisschop en Bellemakers, die weer in contact stonden met het patronaat Rechthuislaan op Katendrecht. Ze woonden er trouwens ook bij de daar ingerichte wijkkapel.

Ook was ik lid van de padvinderij, de St.-Franciscusgroep, die haar honk had op de zolder van de St.-Louisschool aan de Putselaan. Hopman, zeg maar dé gróte groepsbaas van welpen en verkenners, was de Katendrechtse hoofdagent Theo Arntz. Ik had diep ontzag voor deze man, die autoriteit uitstraalde. Als hij ons welpenhonk betrad, was het doodstil en luisterden we extra nauwgezet naar de opdrachten van onze akela. Twee jaar later had ik andere interesses en zwaaide ik de padvinderij en de hopman en de akela vaarwel. Dat was 54 jaar geleden en ik heb Arntz daarna nooit meer gezien, wel een enkele keer aan hem gedacht en zelfs over hem geschreven. Ik zou hem best weer eens willen zien en spreken, bedacht ik wel eens in een nostalgische bui.

Mijn wens ging zaterdag 12 mei in vervulling toen ik op Katendrecht in letterencafé Tsjechov – de opvolger van het roemruchte café De Unie op de hoek van Delistraat en Lombokstraat – op uitnodiging van Ridderkerker Willem van Meer een reünie bezocht van ex-Katendrechters. Tachtig uitgezwermde schiereilanders waren voor even terug op hun thuishonk met oude foto’s, vreugdetranen en ‘praatje-pot’ onder het genot van smakelijk appelgebak. Ze genoten er op velerlei wijze van. Maar het meest van elkaar, want er lag in het weerzien soms een leemte van zestig jaar.

Uit alle hoeken van het land waren de reünisten gekomen. Onder hen, tot mijn grote vreugde, de 87-jarige Theo Arntz uit Nijmegen. In hem herkenden de meeste bezoekers hun buurtagent van destijds, die woonde aan de Sumatraweg. ,,Het was een fijne tijd,’’ vertrouwde Arntz mij toe nadat we onze herinneringen aan de padvinderij hadden opgehaald. Ton Kegel (72) uit Spijkenisse had het eveneens naar zijn zin. ,,Na 55 jaar heb ik daarnet Anet Rutjes gekust. Ik vond haar toen een leuke meid en dat is ze trouwens gebleven. Nu woont ze in IJsselmonde.’’

Ben Gelaudemans (73) genoot eveneens van het weerzien. ,,We zijn een uitstervend ras, maar onverwoestbaar,’’ zei hij met een armzwaai over de menigte heen en met een grote pils in zijn hand. ,,Ik ben geboren en getogen aan de Rechthuislaan, waar ik in 1962 ben uitgetrouwd. Nu woon ik alweer veertig jaar bij Venlo in Limburg. Mijn Rotterdam en mijn cluppie Feyenoord ben ik trouw gebleven.’’

Herinneringen aan zomerkampen van Sint Franciscus Liefdewerk naar Beuningen en Postel werden met foto’s ondersteund. Verhalen over met stro gevulde slaapzakken en poepen boven een gierput deden ook de ronde. Beeldend waren de verhalen over het wassen ’s ochtend in een teiltje ijskoud water op het boerenerf. ,,Niet voor te stellen wat een geweldige tijd dat is geweest,’’ deed Willem van Meer als herinneringsduit in de zak. Hij broedt op nog een reünie.

Opa Henk

Daar zat hij in zijn stoel voor het raam. Het knusse huis aan de Walchersestraat in Rotterdam Zuid zat, zoals elke zondag, vol met bezoek en de sfeer van nostalgie hing in de lucht. Met zijn vinger in de lucht zat hij voorovergebogen een verhaal te vertellen. Hij vond het prachtig. Zijn vrouw rolde met haar ogen en maakte een sarcastische opmerking. Hij keek niet op of om en ging verder met zijn verhaal. Ik luisterde aandachtig en genoot van de beleving die hij in zijn verhaal lag. De verhalen raakten mij. Het ging vaak over de oorlog, over de gure tijden waarin hij had geleefd. Hij nam mij mee naar die tijd en liet me de dagelijkse beslommeringen even vergeten.

Even later nam hij plaats in de stoel aan de andere kant van de kamer voor de tv. Feyenoord moest spelen dus hij zat klaar. Zijn koptelefoon stond op maximale volume, want hij werd een beetje doof. Hij was Feyenoorder in hart en nieren. Ruim 80 jaar lang ging hij naar elke wedstrijd van Feyenoord aan de kromme zandweg in Charlois en in de Kuip. Hij was er bij in 1924 toen Feyenoord voor het eerst landskampioen werd. Drie stuivers telde hij voor die legendarische wedstrijd neer. Het spel van Puck van Heel en Adriaan Koonings had zijn liefde voor de ‘arbeidersclub’ uit Rotterdam voor altijd aangewakkerd. Met zijn broer en zijn vrienden zwierf hij over straat als Feyenoord moest spelen. Ze verzamelden zich voor de etalage van de sigarenhandel Van Twist, die bij elke goal de tussenstand op het krijtbord schreef, maar die tweede pinksterdag in 1924 móesten ze erbij zijn.

Hendrikus Johannes Lutgerus Geurtz, ofwel opa Henk. Mijn overgrootopa. Hij was een bijzonder mens met een passie voor zijn club Feyenoord. Op 5 november 2007 overleed hij op 95-jarige leeftijd. Tot een jaar voor zijn dood bezocht hij nog trouw elke wedstrijd van Feyenoord in de Kuip vanuit zijn eigen stoeltje. De eerste wedstrijd na zijn overlijden werd zijn stoel vrij gehouden. Iedereen in het vak kon Henk en Henk kon iedereen.

De beelden van de Feyenoord rellen deden mij aan hem denken. Hij zou voor altijd achter zijn club zijn blijven staan. Ik zie hem zo weer voor me, zijn ongeloof uitsprekend over de rellende jongeren. Met zijn vinger in de lucht zou hij dan zeggen: ‘Ik blijf voor altijd Feyenoorder!’ Ik ben trots dat ik lang heb mogen genieten van deze bijzondere man en met elke overwinning die Feyenoord behaalt, denk ik even aan hem met mijn vinger in de lucht.

In 2008 kwam het boek ‘Legioen!’ uit. Dit boek gaat over de eeuwige liefde voor Feyenoord 1908-2008. Een heel hoofdstuk is er aan opa Henk gewijd. Dit hoofdstuk gaat over die bewuste tweede pinksterdag in 1924. Hij vond het prachtig dat hij werd geïnterviewd, omdat hij niets liever deed dan praten over ‘zijn’ Feyenoord. Helaas heeft hij het boek nooit overhandigd gekregen. Hij was toen al overleden, maar ik weet zeker dat hij trots was geweest. Dit boek is een mooie nagedachtenis aan hem en brengt mooi in beeld wat Feyenoord voor hem betekende.

 

Hendrikus Johannes Lutgerus Guertz 5 februari 1912 – 5 november 2007 

Feyenoord

De Nederlandse club Feyenoord is een voetbalclub met een lange historie.

Op 19 juli 1908 werd in het café “de Vereeniging” van de eigenaar Jac. Keizer de voetbalclub ‘Wilhelmina’ opgericht. Er werd gespeeld in rode shirts met blauwe mouwen, en witte broeken. In 1909 werd de naam veranderd in HFC (Hillesluise Footbal Club). HFC sloot zich aan bij de Rotterdamse Voetbalbond, maar omdat er al een club was die HFC (nu Koninklijke HFC, in Haarlem) heette, moest de naam wederom veranderd worden.

De naam werd RVV Celeritas, er werd gespeeld in horizontaal geel-zwart gestreepte shirts en witte broek. In 1912 promoveerde Celeritas naar de NVB. Omdat er ook al een club was die Celeritas heette, moest de naam weer veranderd worden en nu kreeg het de naam Feijenoord (met ij). Tegelijkertijd kreeg het de rood-witte shirts met zwarte broek en zwarte kousen, zoals we ze nu nog steeds kennen.