Sep en Max

Sep en Max getrouwd in Rotterdam 14-07-2006

sep en max 3
sep en max 2

Amanda en Scott Pols

Amanda & Scott Pols zijn op 7-8-15 getrouwd aan de kade van het Leuvehoofd.
Partyschip Grace Kelly meerde aan waarna de ceremonie op de kade plaatsvond. 

 Amanda en Scott

 

Kerst in Dubio

Op de hoek van de 2e IJzerstraat en de Pieter de Hoochstraat staat een groot imposant wit gebouw: ‘Huize Schoonderloo’. In de 19e eeuw gebouwd als buitenverblijf voor de rijke familie van der Pot van Groeneveld. Genoemd naar het ambacht Schoonderloo, toen gelegen tussen Delfshaven en Rotterdam. In de jaren na de 2e Wereldoorlog was de Keuringsdienst van Waren er gehuisvest.

Maar van 1979 tot 1983 huurde het kunstenaarscollectief KK Dubio het pand van de gemeente Rotterdam.

In die jaren kwam ik er regelmatig. Het werd toen ook vaak als de ‘Raketbasis’ aangeduid. ‘Raket’ was de naam van het blad dat de groep maakte. Een blad ‘zonder baas, zonder onderlinge competitie of afgunst, zonder winstbejag’. Iedereen mocht schrijven wat hij wilde, dat werd zonder enig commentaar of censuur geplaatst. Ultieme vrijheid van meningsuiting. Het papier was natuurlijk gerecycled, in die tijd nog grijs en zacht. Tekst en tekeningen gestencild. De exemplaren die ik bewaard heb, vallen bijna uit elkaar en zijn nog maar moeilijk te lezen.

Maar Huize Schoonderloo was meer. De kelders hadden extra dikke muren, verbouwd tot bunker en schuilkelder voor de 2e Wereldoorlog. Geluidsdicht dus.

Het kunstenaarscollectief maakte niet alleen kunst en een blad, maar ook muziek. Tezamen vormden ze de punkband de Rondo’s, en verbouwden hun eigen geluidsdichte kelder tot oefenruimte. Natuurlijk zaten ze niet de hele week in die kelder, en mochten een aantal andere bands de ruimte gebruiken om er hun muzikale uitingen vorm te geven. Ze trokken een hele rits punk-liefhebbers, die er allemaal kwamen kijken of repeteren, en elkaar ontmoetten na afloop van hun sessie.

2- Huize Schoonderloo RaketMal

 In de gemeenschappelijke huiskamer van Huize Schoonderloo wisselden ze hun ideeën uit over songteksten, gitaarakkoorden (drie, soms wel vier akkoorden!.. ;-), podiumervaringen, inspiraties en aspiraties. Die dan weer terecht konden komen in het blad Raket, dat in diezelfde ruimte samengesteld werd.

Langzaam maar zeker werd die huiskamer een ruimte waar je ook zomaar naartoe ging. Het was er altijd gezellig, bedrijvig en inspirerend. Iedereen was er wel bezig aan iets, of maakte op zijn minst wilde plannen.

De eerste graffiti-uitingen werden er voorbereid, jaren voordat de kleurige HipHop-pieces de stad zouden versieren, werden al spuitbussen gekocht en spoot iedereen de naam van zijn band op elektriciteitshuisjes. Een heel mooie, die nog lang heeft bestaan, was gemaakt door de Rondo’s zelf: getekend met een dikke rode en blauwe viltstift op elkaar geplakt, langs de wand van de voetgangerstunnel onder de Maas, trokken ze op de tegels een lange dubbele streep over de hele lengte van de tunnel. Door de ruimte tussen de rode en blauwe stift leek het een honderdmeterlange Nederlandse vlag: rood, wit, en blauw.

Onvergetelijk werd de kerst van 1980. Er werd een kerstboom neergezet in de gemeenschappelijke ruimte, maar natuurlijk zonder burgerlijke kerstballen. Een van punkjongens kwam binnen met een Mercedes-merk, gesloopt van de voorkant van een dure Mercedes, waar hij als fundamentalistische punk natuurlijk tegen was. Anderen volgden al snel zijn voorbeeld, en binnen een week hing de hele kerstboom vol Mercedes-emblemen. Een letterlijk onbetaalbare kerstversiering!

3- Huize Schoonderloo MercedesLogo

Ik heb er helaas geen foto van gemaakt, en kan er op internet ook geen foto’s van vinden. En vraag me af of iemand toen wel een fototoestel had? Bovendien illegaler dan illegaal natuurlijk, maar daardoor juist extra spannend.

Er moeten een hoop Mercedes-eigenaren bij hun verzekering aangeklopt hebben die maand!

Nu rijst bij mij wel de vraag: wat zou er na die kerst met de versiering gebeurd zijn? Zou er nog ieder jaar ergens in Nederland een boom versierd worden met de oude Mercedes-logo’s?..

We willen foto’s zien!..

Gronings

“Als je wilt onderduiken, moet je dus naar Groningen”, reageerde mijn vader nadat hij mijn Groningse avonturen had aangehoord. Zijn stelligheid werd zeker ook ingegeven door zijn afkomst, omdat zijn vaders wieg in Hoogezand/Sappemeer  ( Zuid – Oost Groningen) stond.  En in dat deel van de provincie speelde ik in een aantal dorpen een serie schoolvoorstellingen.

De voorstelling heet de Tovenaarsleerling en gaat over een bedelaartje dat bij toeval in het kasteel van een tovenaar belandt, zijn leerling wordt en op een nacht alleen in het kasteel gelaten is, als er een doodziek hondje aan de poort krabbelt en het enige wat de leerling kan doen is naar de geheime kamer van zijn meester te gaan om het stervende beestje te redden.
Begeleidt door mooie lichteffecten, spannende muziek en met behulp van pantomimetechniek beklimt de jongen de wenteltrap naar de verboden kamer. Een opgerold dekentje suggereert het zieke hondje en als naast het speelvlak dia ’s met afbeeldingen van het decor worden vertoond op een papieren scherm ter grootte van een deur, is de spanning optimaal. In Zuid-Holland schreeuwen de kinderen in de zaal dingen als: ”Nee, niet naar boven gaan.”, “Ga terug!” en “Niet doen. Dat mag niet” En het liefst door elkaar. In Groningen daarentegen is het meestal stil tijdens deze scene en een keer werd zachtjes gemompeld: “Als dat maer goed gaet.” Het aardige is dat de Groningse kinderen na de voorstelling rustig met mij en elkaar praten over de voorstelling, naar elkaar luisteren en elkaar uit laten praten. Ze wisten ook precies waar de voorstelling over ging en lieten dat ook merken.
De Haagse kinderen uit de Schilderswijk bijvoorbeeld schreeuwen in zo ’n zelfde situatie, in de 4e versnelling door elkaar heen en het is daardoor moeilijk om rustig met elkaar van gedachten te wisselen. In de benauwende omgeving  van diezelfde Schilderswijk wordt meestal alleen de grootste schreeuwer gehoord.  Het verschil met een rustige omgeving kan niet groter zijn dan in een stad of een dorp.  Ik kan me een Groningse situatie herinneren na een voorstelling in het dorpje Loppersum. De kinderen en ik keuvelden in de nazit rustig over de voorstelling en de mogelijkheid van echte tovermiddelen die ingezet konden worden tot heil der mensheid. Ook hier luisterden ze allemaal geïnteresseerd naar elkaar en mocht iedereen uit praten. Op de achtergrond bedelde een klein stevig ventje om mijn aandacht. Niet door te schreeuwen, maar door mij strak en blij aan te kijken terwijl hij van de ene voet op de andere hipte. Hij moest iets kwijt. Dat was wel duidelijk. “ En jij?” vroeg ik hem eveneens blij aankijkend?              “Wie hebb ’n neie Trekker ‘kocht” kraaide hij opgetogen en grijnsde van oor tot oor. Een uit de kluitengewassen boerendeerne van ongeveer 12 jaar keek glimlachend naar hem en legde mij rustig uit dat zijn vader en oom de dag daarvoor een tractor hadden gekocht, nadat er jaren over onderhandeld was. Ze aaide hem tijdens haar betoog moederlijk over de bol. Het manneke had nauwelijks aandacht voor mijn voorstelling gehad. Maar ja, wie kan er zijn aandacht bij houden als je weet dat thuis een landbouwwerktuig staat te schitteren, waar je later ook mee gaat werken. Ik vraag me soms wel eens af wat er van hem geworden is.
Dat Groningers nuchter zijn wist ik al en een staaltje daarvan maakte ik mee in het dorpje Leek.  Om de participatie te verhogen haalde ik in die tijd wat kinderen op het toneel om te helpen bij de genezing van het hondje. Op een kistje stond dan de grote toverhoed. Een keer stapte een jongen er op af en kneep keurend in de hoed. Geschokt riep ik: “Niet doen, dat is een toverhoed!” Zijn antwoord was:” ’Kwou ev’n voel’n wat voor maeteriael  het is, want waai h’bb’n thuus auk zo ’n lamp ’n kap.”

In het noorden hebben ze geen boodschap aan illusie, terwijl in het westen eens een groepje Turkse jongetjes zich na de voorstelling bij mij meldden met de vraag: “meester, mogen wij het hondje aaien.” Zij konden niet geloven dat er geen hondje was en dat ik hem alleen maar uitbeeldde met pantomime en een dekentje. Voor hen was het echt.

Op het moment dat het hondje beter is gemaakt met behulp van wat tovermiddelen en het levenswater, komt de tovenaar de trap op. De leerling zegt tegen het publiek: “jullie zeggen niks tegen de tovenaar, hè?” en verstopt zich. De muziek zwelt aan en daar staat de tovenaar als een silhouet achter het papieren scherm, stapt met een scheurend geluid door het scherm, neemt de situatie in ogenschouw en roept met donderende stem: “Wie was hier?”

In de Randstad sloegen de kinderen meestal onmiddellijk door en jengelde: “De leeeerling!”
Zo niet in Groningen. Bij dezelfde scene zwegen de kinderen in alle talen. Er hing dan een doodse stilte in Leek, Loppersum of Ten Boer. Er werd wel onderling gefluisterd. En een keer in Finsterwolde stond er plots een vierkant jongetje voor het podium en sprak rustig: “Ik. Ik was hier” hij keek me heldhaftig aan. En wat wou je hier aan doen? Zei zijn blik. Ik weet niet meer hoe ik het als tovenaar opgelost heb. Ze hadden heus wel door dat ik ook de tovenaar speelde met mantel en hoed. In het verhaal wordt de leerling wel weggestuurd, maar mag het hondje houden. Na de voorstelling dromden de kinderen om me heen en spraken onder elkaar over de keuze verraden of niet. Antwoord: Niet..
Dus als je wilt onderduiken: ga naar Finsterwolde, Leek of Loppersum. Met of zonder aardbevingen.

Aad Wieman Rotterdam, 18-01-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

de draaischijf

Draaischijf

Dit is een ik verhaal. U bent gewaarschuwd. Als u niet van opschepperij houdt moet u niet verder lezen. Ik klop mij namelijk nu even flink op de borst voor iets wat ik vroeger heel erg goed kon. Ik zou nu geen seconde meer op dat ding willen en/of durven staan, maar toen… Tjonge jonge wat kon ik dat goed zeg. Ik zwelg nog van trots als ik er aan terug denk. En wel hierom: Als jochie van 12 was ik erg klein voor mijn leeftijd en niet goed in gymnastiek. Ik werd dan ook meestal als laatste gekozen bij verschillende balspelen zoals trefbal en bij de edele voetbalsport lag ik of op de grond te dweilen of kon je me zien wegduiken voor de aan suizende ballen. Touwklimmen, daar was ik wel goed in omdat ik bijna niks woog. In de tijd van een scheet zat ik dan tegen het plafond van de gymzaal, vanwaar je een goed uitzicht had. Ringen, rekstok en paard was niet aan mij besteed. En toch was ik een druk en bewegelijk ventje. De clown uithangen en af en toe een mooie tekening maken was niet voldoende om echt aanzien te verwerven.                                                                                                                                    In die tijd ging ik elke dag direct vanuit school naar de dierentuin, liet mijn abonnement zien, spoedde mij langs de dieren om bij mijn einddoel te geraken: de speeltuin met mijn favoriete speeltuig. In een uithoek van het speelterrein, waar de treinen langs raasden stond hij. De draaischijf. In een soort zandbak stond een vier meter brede schijf, vervaardigd van houten latten en voorzien van een metalen rand om het geheel stevig bij elkaar te houden. Het had wel iets van een middeleeuws martelwerktuig en alsof deze indruk versterkt moest worden, stond er een paal achter het speeltuig met daaraan een rechthoekig bord dat de waarschuwing bevatte: LET OP, kom niet met uw vingers aan de rand van de draaiende schijf! Deze mededeling sprak ernstig tot de verbeelding , want wat zou er gebeuren als je toch aan de rand van de in volle vaart draaiende schijf zou komen? Ik kon het wel vermoeden omdat er een  reeks ronde paaltjes, met schuin afgesneden toppen, vlak langs de metalen rand van de schijf geplaatst waren. Dus als je met je poten tussen rand en paaltjes kwam, dan lagen ze er onherroepelijk af. De paaltjes stonden er waarschijnlijk om te voorkomen dat er kindertjes onder het speeltuig zouden kruipen. De houten schijf stond in een hoek van ongeveer 30 graden, zodat hij met een beetje gewichtsverplaatsing makkelijk zou draaien en daar ging ik mee oefenen. Ik oefende en oefende elke keer als ik in de gelegenheid was en werd een meester in het beheerst laten draaien van de schijf. Ik kon hem met weinig moeite tot grote snelheid laten draaien door op een bepaald punt rustig omhoog te lopen en ook weer af te remmen als ik aan de andere kant liep. Als het druk was in de speeltuin kon ik een hele groep kinderen, die op de stilstaande schijf waren gestapt binnen dertig seconden in het zand laten bijten, door de draaisnelheid hoog op te laten lopen zodat iedereen van de schijf geslingerd werd. Ik lette wel op dat ik al rennend over de hardnekkige achterblijvers heen sprong terwijl ze zittend en gillend naar de rand gleden. En al deze toeren haalde ik uit met een uitgestreken gezicht, alsof niets mij deren kon. Ik genoot vooral als er van die sportieve jongens hun handigheid wilden etaleren en vol bravoure op de schijf sprongen. Je zag hen denken: O, dat doe ik wel even. Maar na amper 10 seconden dachten ze er liggend in het zand ineens heel anders over. Een enkeling kwam dan prachtig op zijn smoelwerk terecht en kon afdruipen richting EHBO, om een verzameling schrammen en verstuikte ledematen te laten verzorgen.

Later, toen ik al een jaar op het voortgezet onderwijs zat kon ik nog 1 keer mijn gram halen tijdens de driedaagse schoolreis. U weet dat pubers meedogenloos zijn in hun onderlinge kritiek. Mijn nietige gestalte en klunzige gymnastische toeren waren een prachtig doelwit voor de “populaire” sportjongens die ook nog gesteund werden door die klootzak van een  gymmeester. Totdat! In de buurt van het huis waar het schoolreisje gevierd werd was een verlaten speeltuin. In een hoekje stond tot mijn vreugde zo ’n zelfde draaischijf als het exemplaar uit Blijdorp. Nadat ik hem voorzichtig had uitgeprobeerd wist ik: Ik kan het nog! Deze schijf was goed gesmeerd en daardoor sneller dan die andere. Toen de groep de tweede dag al klierende en stoeiende in het speeltuintje terecht kwam stond ik te stuntelen op de draaischijf. Ik speelde de stuntel door wankel op de schijf te staan en er ook nog klunzig af te donderen en daar trapten de opscheppers mooi in. Gedrieën stapten ze nietsvermoedend op de schijf en zochten naar hun evenwicht, dat ze onmiddellijk en spectaculair verloren op het moment dat ik ook op de schijf sprong en er de vaart in zette en me enige tijd virtuoos amuseerde met het toestel, ondertussen achteloos naar de gevallen snoevers kijkend, die onder hoongelach van hun klasgenoten het terrein verlieten. Geen last meer van gehad. Over dit voorval is nooit een woord gesproken. Waarom zouden we ook.

Aad Wieman, Rotterdam, 30-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen die mijn teksten redigeert.

Netwerkborrel

Eerst houdt de Jos Nijhuis een praatje, omdat zijn vliegveld over een paar weken honderd jaar bestaat. Hij is de directeur van Schiphol. Zijn verhaal is niet te verstaan, maar uit de lichtbeelden op het grote scherm achter hem maak ik op, dat het de strekking heeft van “kijk eens hoe goed ik ben”. Na de Schipholbaas neemt de organisator van de Winter Netwerk Borrel het woord. De directeur van Amsterdam Marketing is al net zo blij met zichzelf en zijn organisatie. Hij vertelt over het fantastische logo van de stad. Tien jaar geleden is het bedacht en nu wordt het nog beter, want het rode streepje gaat er af. I AMsterdam wordt nu nog krachtiger. Nog meer mensen zullen Amsterdam gaan bezoeken. En het waren er al zo veel. Dit jaar maar liefst 7% meer dan vorig jaar en de cruiseschepen brachten 6,4% meer bezoekers naar onze stad. En zo gaat hij maar door. Oh wat doet onze stad het goed. De dames om mij heen staan te soppen en de mannen krijgen spontaan een Amsterdammertje in de broek. Maar hé, hoezo onze stad? Ik werk hier alleen maar. Ik ben ook blij met al die toeristen, ik eet er van, maar dit is niet mijn stad. Na het praatje van de Marketingbaas is het de bedoeling dat iedereen een biertje of een wijntje in de hand neemt en de eigen succesjes deelt met de anderen. Zo hoort dat op een netwerkborrel. Ik luister naar het verhaal van de ZZP marketingdame die voor wel tien Amsterdamse musea werkt en de succesvolle jonge ondernemer die boottochtjes organiseert langs Amsterdamse architectuur. “Dan vaar je vast ook langs onze Munttoren”, vraag ik geïnteresseerd. Nee, hij doet alleen moderne architectuur op het IJ. “Maar dan moet je toch in Rotterdam zijn? De Kop van Zuid, het Centraal Station, De Rotterdam van Rem Koolhaas?” De succesvolle ondernemer kijkt mij schaapachtig aan. Rotterdam?

Het wordt mij te veel. Ik moet hier weg. Met een pover gevulde goodybag loop ik met grote passen naar het station. De trein naar Vlissingen. In Schiedam stap ik over. Maar misschien blijf ik vandaag wel zitten. Even door naar Rotterdam en dan een rondje over het stationsplein. Een blik op de stad. De lucht van Rotjeknor. En dan naar perron 1B. De trein naar Vlaardingen.

Slagschip

Wanneer  je vader voorzitter is van modelboot bouw vereniging “Poseidon” ben je aan je stand verplicht om ook een boot te bouwen, vond de 16 jarige Martin en dacht aan het vervaardigen van het grootste schip dat ooit door de clubleden van de vereniging aanschouwd was. Hij zou ze wel eens een poepie laten ruiken en eindelijk door die snoevers van het bestuur serieus genomen worden. Vooral zijn vader zou hem dan met andere ogen gaan bekijken. En dat werd tijd, omdat hij nooit ergens aan mocht komen van hem. Martins opmerkingen en ideeën werden meestal weggehoond.

Hij sprak in het geheim af met ome Jan, de jongere broer van zijn vader, die ook lid van de vereniging was en ook vaak met zijn grote broer overhoop lag. In zijn schuurtje bouwden ze stiekem een oorlogsschip met 20 boordkanonnen, echt draaiende radarschermen, reddingssloepen en natuurlijk de radiografisch bestuurbare motor, die het gevaarte geruisloos over de kanovijver van het Zuiderpark zou moeten laten glijden. Het schip werd wel anderhalve meter lang. En dat is zeer groot voor een modelboot. Naarmate de tijd verstreek, had Martin steeds meer moeite om voor zijn vader te verzwijgen waar hij mee bezig was, zelfs toen hij zijn moeder in het complot betrokken had. Ondanks de geheimzinnige stemming in huis had zijn vader niets in de gaten. Aan tafel bleef hij, zoals altijd, opschepperige anekdotes vertellen over zijn enorme slimheid. Tot de grote dag.

Bij de kanovijver werd, zoals elk jaar een gezamenlijke open dag gehouden door een aantal modelboot bouw verenigingen uit Rotterdam. Ze werkten samen, maar omdat er wedstrijden werden gehouden gunden ze elkaar het licht in de ogen niet. Er was meestal ontiegelijk veel gezeik over de jurysamenstelling en beschuldigden ze elkaar voortdurend van partijdigheid. Rond de vijver waren op de grote dag een aantal kramen neergepoot, gevuld met een groot aantal modelboten van allerlei soort en er werden demonstraties modelbootvaren gegeven. Het was prachtig weer, er werd zelfs gezwommen. Martin en ome Jan zouden pas tegen de middag verschijnen om het effect van de verrassing nog groter te maken. Om tien over twaalf stopte het busje van ome Jan op de parkeerplaats. Ze stapten uit, zetten hun “Poseidon” petten op en namen de situatie in ogenschouw. Het was druk bij de kramen en de vijver, maar Martin zag direct de rijzige gestalte van zijn vader, die met zijn armen over elkaar en met neergetrokken mondhoeken naar iemand stond te luisteren.
Daarna schudde hij z‘n hoofd, draaide zich om en beende weg. Martin zag nu ook zijn moeder, die zijn vader na stond te kijken. Het slagschip werd uit geladen en door ome Jan in Martins armen gevleid, die het, op van de zenuwen, bijna uit zijn poten liet vallen. “Kijk uit, jochie” siste ome Jan en keek zijn neef onderzoekend aan, “volgens mij ken je een ei in je reet gaarkoken, istnie?” Martin knikte bleekjes. Het was nu of nooit en daar stapte Martin kloek, stevig met de kruiser in zijn armen, alsof het een geweer betrof, op de menigte af. Hij keek niet op of om en stapte regelrecht naar de rand van de vijver. Het publiek week vol ontzag uiteen en er klonken kreten van bewondering.

Op een afstand stond zijn vader met open mond te kijken naar zijn slungelige zoon die rustig de boot in het water plaatste, van zijn oom de afstandsbediening aannam en de motor startte die onmiddellijk aansloeg. Als in een film gleed het slagschip over het water. Het zag er fantastisch uit en verschillende leden van de vereniging kwamen erbij staan en klopten hem op de schouders en overlaadden hem met een reeks complimenten waar Martin behoorlijk van in de war raakte. Hij hoorde zijn oom zeggen dat hij maar een heel klein beetje geholpen had. Ome Jan gaf Martin dus alle eer. Daarop draaide hij zich om en stond ineens oog in oog met zijn broer, die hem zwijgend aankeek en met samengeknepen lippen zijn hoofd schudde. Plots klonken er kreten vanaf de vijver, waar een grote opwinding heerste. De motor was uitgevallen waardoor het schip stuurloos op de vijver ronddobberde. De zwemmers die vanaf de te waterlating oplettend waren geworden, naderden nu snel het scheepsmodel. Martin sprong nerveus langs de kant heen en weer en riep in paniek om een rubber bootje, dat hem door een bekende gestalte werd aangereikt. Het was zijn vader, die hem ook nog de peddel overhandigde. Ze keken elkaar even aan. Er werd geen woord gesproken, terwijl Pa de rubberboot vast hield en Martin snel aan boord stapte en zacht “bedankt” mompelde. Hij wist niet zeker of zijn vader hem wel gehoord had.
De jongen peddelde nu ijlings naar zijn meesterwerk. De zwemmers waren akelig dichtbij gekomen en maakten al aanstalten het schip te enteren. “Afblijven!!”gilde Martin met een hoog stemmetje. Vertwijfeld kwam hij overeind in het rubberbootje. Hij reikte naar het slagschip, verloor zijn evenwicht en stortte met de peddel in de aanslag op het scheepsmodel. Martin ging kopje onder en kwam weer boven te midden van de wrakstukken van zijn noeste arbeid. Verbijsterd keek hij om zich heen, zwom naar de kant en werd daar door ome Jan op het droge geholpen. Zijn moeder had een handdoek geleend en begon hem droog te wrijven. Al die tijd had hij de pet opgehouden, die zijn moeder nu van zijn hoofd haalde. Hij keek zwijgend en witjes voor zich uit en leek opeens op een ontredderde kleuter. Ontroerd sloeg zij haar arm om hem heen en fluisterde: “ Ach, jochie toch. Je vader is apetrots hoor, want  hij staat aan iedereen te vertellen dat zijn zoon, stiekem dat geweldige slagschip gebouwd heeft en dat zo’n ongeluk iedereen kan overkomen. Hij zal het alleen niet tegen je zeggen.” Martin glimlachte even naar zijn moeder en zag hoe allerlei vrijwilligers de kapotte onderdelen van zijn werkstuk verzamelden en bij hem brachten. “Kunnen we best nog wat van maken jongen”, zei ome Jan.

Aad Wieman. Rotterdam, 5-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

De trouwfoto van Stefan en Leonie Herrewijn

image3

Wij zijn Stefan en Leonie en de foto’s zijn gemaakt in het europark. We zijn 8 mei getrouwd op de Euromast!
Kortom, ech wel Rotterdams!!!

image2

Toerist in eigen stad

Toerist in eigen stad Nou leef ik m’n hele leven al in deze mooie stad, en soms moet je jezelf eens dwingen om met andere ogen naar je stad te kijken.
Dat heb ik dus geprobeerd. Opmerkelijk toch wel. Zaterdag naar de centrummarkt gegaan, met vrienden uit 020, ja, ook dat kan, maak je geen zorgen, prachtige dag van gemaakt. Lopend over de markt begint het waarnemen.
Ik verraadde mijn afkomst doordat ik een trui aan had waar vrij prominent opstaat dat ik Rotterdam Gers! vind. Dus weer leuke commentaren ook. Maar kijkend naar de Rotterdammers op de markt zag ik weinig opvallends, gewoon een normale marktdag, luide marktkoopmannen, chagrijnige mensen met haast, winkelkarretjes voortslepende dames, vrouwen met net aangeschafte mooie bossen bloemen, vissen, groenten en fruit, kortom, een gewone marktdag in 010.
Tot het moment gekomen was dat we besloten de markthal eens te bezoeken. Op dat moment waan je je toerist in eigen stad. En dat had ik niet verwacht. Die hal staat er al even, wat me het meeste eraan opvalt is het aantal mensen wat apatisch naar het plafond staart als ze binnen komen, smartphone of fotocamera bij de hand, om hun bezoek vooral niet te vergeten.
Dat heeft iets weg van mensen die bij je thuis komen en ipv te groeten of om zich heen te kijken je schilderijen beginnen te fotograferen. Heel apart. En dan word je naar binnen gezogen door de shops, waar vriendelijk personeel groetend hoopt dat je iets wilt kopen. En eerlijk, er is veel, voornamelijk eten, te koop.
Het was de tweede keer sinds de hal er staat dat ik binnen was, maar veel zul je me er verder denk ik niet zien, het is een goede trekpleister voor toeristen, zag en hoorde veel nationaliteiten, maar voor Rotterdammers is het, wat mij betreft, buiten op de markt veel gezelliger. En delicatessen, die je er veel vindt, koop ik zelf ook liever in een delicatessenwinkel. Maar dat is persoonlijk, ieder voor zich in deze.

markthal 2

Beatclub Flamingo

Rond deze tijd moet het vijftig jaar geleden zijn dat ik mijn eerste popconcert bezocht (een halve eeuw!). Ik kan via Google niets over het concert vinden, zelfs niet over de zaal. Boven in het Flevogebouw bevond zich een ruime hal met een groot podium waar toen best beroemde bands hebben gespeeld. Volgens mij werd de zaal, of in ieder geval tijdens de concerten, beatclub ‘Flamingo’ genoemd.

In Engeland was in die tijd de gewoonte dat een band vaak 2 concerten gaf: het eerste op zaterdagavond, en daarna nog eens op zondagmiddag. Dankzij de geboortegolf was er een hoop jeugd dat de concerten wel wilde bezoeken, maar nog niet oud genoeg om op zaterdagavond laat uit te gaan. Ik vermoed dat zoiets in Nederland ook gebeurde. Of misschien werd zelfs alleen voor de zondagmiddagconcerten gekozen.

In 1965 was ik 13 jaar oud, en uitgaan op zaterdagavond was er nog niet bij. Maar op zondagmiddag ging ik wel regelmatig met mijn schoolvrienden op stap. Zo ook die zondagmiddag.

Flevogebouw

Er zou een echte beat-band uit Engeland optreden in het Flevogebouw: ‘the Action’. We hadden er geen van allen van gehoord, maar het feit dat ze uit Engeland kwamen, het land van the Beatles, had aantrekkingskracht genoeg. Een van de vrienden wist waar het Flevogebouw was: bij de markt, op de plaats waar tegenwoordig ‘de Hooge Marinier’ staat. De ingang was echter niet makkelijk te vinden. Een keer om het gebouw heen gelopen. Uiteindelijk bleek in de onderdoorgang, die de Hoogstraat verbond met het Pannenkoekhof, een deur te zitten die naar een trap leidde. Bovenaan de trap, derde of vierde verdieping zaten aan een tafeltje een paar jongens die de kaartverkoop regelden: 2,50 entree. Oeps, daar hadden we niet op gerekend. Een concert bezoeken kostte geld! Ik kreeg in die tijd 1,- zakgeld per week, de anderen niet veel meer. Blijkbaar waren ze dat bij de ingang gewend, en stelden meteen een oplossing voor: als we een uurtje konden wachten, mochten we het laatste deel van het concert voor 1,- bekijken. Het voorprogramma en een groot deel van het concert zouden we dan wel missen, maar nu we eenmaal zover waren, gingen we door natuurlijk.

Netjes op de trap gaan zitten wachten. Andere bezoekers kwamen langs. Ze waren allemaal een stuk ouder dan wij. En ook stukken groter, sommigen al met lang haar! Dat maakte het allemaal nog spannender.

Eindelijk was het uur voorbij, en mochten we naar binnen. Vlak naast het podium was de ingang, de Engelse band speelde hard en was al volop aan de gang. De ruimte voor het podium was afgeladen met veel te lange en duwende jongens. Ik kan me trouwens geen meisjes herinneren. Waren die er wel?.. We konden niets van de band zien en werden bijna onder de voet gelopen.

De zaal was een soort auditorium zonder stoeltjes. Achterin kon je steeds hoger klimmen. Wij gingen helemaal naar boven, en hadden een goed uitzicht op het podium en de zaal met springende mensen ervoor. Vermoedelijk inmiddels dronken, her en der lagen lege bierflesjes op de grond. Plotseling ontstond er onenigheid voor het podium. Een kolkende massa was het gevolg. Indrukwekkend om te zien vanaf de hoge plek bovenin. We stonden er wel veilig, maar schrokken toch toen we door kregen dat ze allemaal met elkaar aan het vechten waren. Ook omdat ze voor de uitgang stonden, vluchten zat er niet in. De band stopte met spelen, en riep iedereen op zijn kalmte terug te vinden. Dat lukte na een paar minuten, en de band speelde nog de laatste paar nummers.

Het werd een onvergetelijke middag. Mede dankzij de bloedende jongens die ik later op de gang tegenkwam.

Natuurlijk was ik meteen fan van the Action, en heb ik later twee singles van ze gekocht. Die zijn inmiddels heel wat waard, want ze bleken geproduceerd door George Martin, die in diezelfde tijd ook de productie van the Beatles deed. Dat zei me toen weinig. Ik vond het gewoon geweldige muziek van de eerste en daardoor beste band die ik ooit gezien had!

Action-NeverEver

Aldus Robert van der Kroft

De twee singles die ik later kocht, zijn ook op YouTube te vinden:

Shadows and reflections

https://www.youtube.com/watch?v=Dgqn8vvdT0c

Never ever

https://www.youtube.com/watch?v=AI-gSNAbh2A

En ook leuk:

I’ll keep holding on

https://www.youtube.com/watch?v=mUuaVWIPG6g

 

Moorkop

Op een van de laatste zonnige herfstdagen is het goed toeven op het terras bij de eendenvijver in Diergaarde Blijdorp. De weldadige rust die van de rood en geel gekleurde bomen uitgaat, wordt wreed verstoord door een naderende groep hard pratende vrouwen. Ze zijn zo druk en bewegelijk dat het moeilijk te zien is hoeveel het er eigenlijk zijn. Ze voeren een rolstoel mee met daarin iets, wat zo bedekt is met plaids en shawls, dat men alleen kan vermoeden dat daar een levend wezen onder verborgen zit. Als ze dan met veel geschuif van stoelen en pinnige commentaren over en weer eindelijk zijn gaan zitten, is nadat de kruiddampen zijn opgetrokken het groepje te overzien. Zeker vijf vrouwen hebben hetzelfde tanige uiterlijk, met dezelfde grote handen en dezelfde puntneus en dezelfde harde stemmen, waardoor je van een zusterlijke gelijkenis kunt spreken.
De zesde vrouw  is kleiner, blonder en ronder dan de zussen en bovendien toegerust met een koket, klein wipneusje. Ze is ronduit sensueel te noemen en valt lichtelijk buiten de groep, alsof ze bij het verkeerde reisgezelschap is ingedeeld. Het mensje in de rolstoel wordt door een aantal zussen zonder plichtplegingen ontdaan van de lappen en de shawls, waardoor er weer een puntneus als die van de vijf vrouwen tevoorschijn komt. Het dunne grijze haar van de moeder ziet er ongewassen en sliertig uit en haar magere handen omklemmen een versleten handtas met een fanatisme, die je alleen bij amateurtoneel spelers ziet die de vrek uitbeelden. “Is het niet te koud, moeder?” wordt er van alle kanten geroepen, zonder dat er op antwoord gewacht wordt. De opeengeklemde kaken van het vrouwtje geven aan dat enige opheldering van haar kant niet te verwachten is.
Nu is het tijd om onderling uit te maken welke versnaperingen er genuttigd gaan worden en wie het gaat halen. De langste zus heeft een blocnote ter hand genomen om de bestellingen te noteren. Er klinken kreten als “Ja, koffie met gebak” en “Doe mij maar een moorkop, als ze die hebben” en “O ja, willikook!” “En je zou aan de lijn doen!” “Kijk naar je eige”  “Moeder wil ook een moorkop, zegt ze”  “Neehee! Geen moorkop voor moeder, dat geeft zo ’n kleverige troep” “Ach, wat geeft dat nou voor een keer?” “Ja hoor, ruim jij het op? Ik heb d ‘r net verschoont. Ja, en ook een schone luier, dus ik heb mijn portie wel gehad vandaag”  “Dat haar zou ook wel eens gewassen mogen worden” “Ik zou zeggen: ga je gang en veel succes. De vorige keer gilde ze de hele tent bij elkaar” En zo babbelen de zussen verder over de verzorging van moeder.
Als eindelijk de afspraken zijn gemaakt, marcheren drie zussen kordaat in de richting van het restaurant, de andere twee zussen en de blonde schoonzus bij de moeder achterlatend. De stilte die volgt doet het vrouwtje een zucht van verlichting slaken en ze laat zich ontspannen achterover zakken in de rolstoel, met haar vlekkerig rode gezichtje naar de zon gekeerd. De stem van een achtergebleven dochter doet haar weer overeind schieten en de schoudertjes van schrik optrekken. Die dochter is waarschijnlijk in een verhaal blijven steken, want ze vertelt verder aan weer een andere zus, met de jengelstem van de achtergestelde, over een verbouwing waarbij van alles misging. Ondertussen onderhoudt het blonde schoonzusje zich met de oude in de rolstoel, die haar in eerste instantie achterdochtig aankijkt. De zachte lieve stem van de schoondochter heeft echter een ontspannend effect op het oudje, want ze reageert zelfs met een glimlachje op het onverstaanbare, zoete geprevel van de schoondochter, die zelfs haar oude hand mag strelen.
Dit liefelijke tafereeltje wordt echter ruw verstoord door de komst van de zussen met de versnaperingen, die onmiddellijk en met veel opgewonden gekakel worden uitgeserveerd. De langste zus sommeert het schoonzusje: “O, Betty?  Help jij moeder even met die appelpunt? Je kan het goed met haar vinden , zie ik. Ga d ‘r maar gewoon voeren. Dan zet ik je moorkop hier. Die kan je dan straks opeten.” En ze zet de moorkop uit het zicht van de moeder op een tafeltje achter haar, terwijl Betty met opperste verbazing kijkt naar het bazige optreden van de langste zus, die zich na de instructie onmiddellijk omdraait, om het gezag over het ronddelen van de verfrissingen verder te voeren. De zussen eten en drinken hun moorkoppen en koffie in een straf tempo op. Betty, die van verontwaardiging geen woord kan uitbrengen, probeert nu de moeder de appelpunt te voeren, wat geen eenvoudige zaak is omdat moeder niet erg meewerkt.
Grimmig gooit ze stukjes appeltaart naar de spreeuwen die daar massaal op afkomen. Betty houdt het voor gezien, staat op en trippelt naar het tafeltje met de moorkop, die ze staande en zo snel mogelijk probeert op te eten. De laatste grote hap gaat in een keer naar binnen. De moeder heeft nu de brokstukken van de appeltaart in haar tasje gefrommeld en klemt deze tegen de magere borst. De spreeuwen wachten intussen rustig af. De zussen voeren een hooglopende discussie over een heet hangijzer, want er klinken kreten als: “En ik heb altijd gezegd dat dat niet goed ging!” en “Ja, en wat doe we nou?” en “Ik bemoei me er niet meer mee” Al bekvechtend pakken ze hun boeltje bij elkaar en verlaten druk door elkaar pratend het terras, ijlings gevolgd door Betty die niet achter kan blijven en ook aan de discussie wil deelnemen. Als ze weg zijn is het ineens zo stil, dat het oudje ervan schrikt. Verbaasd kijkt ze om zich heen.
Dan begint ze met een gelukzalige glimlach de spreeuwen te voeren, die als een zwerm komen aangesneld, om op het tafeltje elkaar de stukjes appeltaart ernstig te misgunnen. Het moedertje kraait van plezier en spreekt de vogels vriendelijk toe. Deze idylle wordt wreed verstoord door komst van Betty die de rolstoel achteruit sleurt en er haastig mee vandoor gaat. Men hoort het moedertje hartgrondig vloeken terwijl ze de hoek om gaan.

Aad Wieman, Rotterdam 25-10-2015

Rotterdam – Amsterdam

Rotterdam en Amsterdam, dat gaat niet zo goed samen. In Rotterdam spreken ze de naam van onze hoofdstad niet uit. Ze krijgen het in Rotjeknor niet over hun lippen. Nul twintig noemen ze die stad. In Amsterdam spreken ze de naam van de grootste havenstad van Europa ook niet uit. Gewoon omdat het ze niet kan boeien. In Amsterdam zijn ze met andere zaken bezig. In Amsterdam wordt gefeest, gezopen, geblowd en gesnoven. In Rotterdam werken ze zich het apelazerus om de boel in de rest van Nederland draaiende te houden. Ondertussen brassen de yuppen in Amsterdam het geld er weer doorheen. In Rotterdam staat de mooiste voetbaltempel van Nederland en in Amsterdam worden ze meestal kampioen. Rotterdam en Amsterdam, dat gaat niet goed samen. En toch was het ooit anders. Ik liep pas geleden door het centrum van Amsterdam en op de Oude Hoogstraat zag ik op de pui van een winkel, in mooie koperen letters, de tekst “Amsterdam Volkswarenhuis Rotterdam”. Dat moet een vruchtbare samenwerking geweest zijn. Als je het weet, kan je midden in Rotterdam het stadswapen van Amsterdam vinden. In 1964 gingen de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank samen verder. Het hoofdkantoor kwam op de Coolsingel in Rotterdam en de drie kruizen op het schild werden fraai in de gevel van het mooie pand opgenomen. In 1984 stond diezelfde Coolsingel vol. Feyenoord was kampioen van Nederland en dat was te danken aan een Amsterdammer, Johan Cruijff. En nu is die Amsterdammer met nummer veertien ziek. Niet zomaar ziek. Kanker. Afgelopen weekend werd er in de voetbalstadions geklapt, om Johan een hart onder de riem te steken. Dat was mooi. Maar het allermooiste applaus klonk in de Rotterdamse Kuip. Het legioen klapte in de veertiende minuut zijn handen blauw voor het clubicoon van 020. Kippenvel. Ik hoop dat Johan nog heel lang een levende legende mag blijven. En dat de Coolsingel dit voorjaar weer vol staat.

Muizen

Zit u wel eens ’s avonds laat op de trein te wachten? Ik wel. Op de meeste stations is er na tien uur niet veel meer te beleven, maar op Amsterdam Centraal is dat anders. Het prachtige gebouw van architect Cuypers dateert uit de negentiende eeuw. Glimmend aan de buitenkant, viezig aan de binnenkant. Als de avond gevallen is en de NS de massa het station uitgereden heeft, kan je weer rustig op een bankje plaatsnemen om op de vertraagde intercity naar Rotterdam te wachten. En dan begint het: Het is geen vlooientheater, maar het lijkt er wel op. De muizen komen uit de gaten en kieren en gaan op zoek naar voedsel. Ik zie een heel kleintje over de spoorbielzen trippelen. Zenuwachtig drentelt hij heen en weer. “Die smerige duiven hebben alles al opgevreten. Oohhh, wegwezen, daar is de sprinter naar Haarlem.” Als het fluitje van de conducteur over de perrons echoot en de trein de nacht inrijdt, heb ik weer zicht op het perron aan de overkant. En ja hoor. Daar is hij. Meneer Veldmuis. Driftig rent hij van links naar rechts. Het lijkt wel of hij dronken is. Zijn vrouwtje komt onder de snoepautomaat vandaan. Volgens mij heeft zij ook te diep in de verfrommelde bierblikjes gekeken. Als je dronken bent vergeet je te eten. Waar zijn ze mee bezig? Proberen ze stoer te doen? “Kijk ons eens. We rennen gewoon over het perron hè, terwijl jullie ons niet te pakken kunnen krijgen!” Of proberen ze de meisjes bang te maken? Muizenhumor. Het doel van hun caperiolen is mij totaal onduidelijk. Voor het applaus hoeven ze het ook niet te doen. Het lijkt er op dat ik de enige ben die aandacht voor het stelletje heeft. “Waar blijft Pinkeltje?”, vraag ik mij ineens af. Die is toch bevriend met de muizen? Maar het kleine mannetje laat zich niet zien. Pinkeltje zit sinds vorige maand in een ander gebouw van Pierre Cuypers, het Rijksmuseum. Verstandig. Daar is een Rotterdammer de baas, en die laat elke avond iemand stofzuigen.