Het ziet er niet uit

Tis wat, die KNVB-beker. De 17 miljoen bondscoaches, die Nederland rijk is, kunnen wel schieten op de voetbalbond, maar maandagochtend stonden vijftigduizend Rotterdammers in de stromende regen voor dat ding te juichen. De Coolsingel was een uitzinnige zee van mensen. Alhoewel rood en wit Feyenoords kleuren zijn, waren de meesten zwart gekleed. Het zal met het weer te maken hebben gehad, maar de euforie kende geen grenzen. De clubliefde ook en dat is vreemd, want zo goed gaat het niet met het voetbal.

Voetbal is technisch en tactisch gezien misschien wel de mooiste sport. Op papier dan. In de praktijk is het voetbal uitgegroeid tot één van de meest corrupte bezigheden van de laatste decennia. Omkooppraktijken passen wellicht in de tijdgeest, maar vermakelijk is anders en daarom gaat het toch bij het spelletje. Voetbal is amusement, maar het hedendaagse spel ergert mij. Het is jaren geleden dat ik een hele wedstrijd heb uitgezeten. Af en toe kijk ik nog naar een samenvatting. Ik heb geen abonnement op een voetbalzender. Op het internet zijn er talloze illegale (gok)sites, maar – ook al is het gratis – ik kijk er niet naar.

Als je onder de rook van de Kuip geboren bent, maakt Feyenoord deel uit van je DNA, maar ik heb betere dingen te doen dan mij op te winden over de geperverteerde mentaliteit van spelers die zich gedragen als verwende balletdansers. Door niet te kijken wapen ik mij tegen de grenzeloze irritaties over de zinloosheid van schwalbes en het groteske gejuich na het maken van een doelpunt. De gesimuleerde blessures en de ongebreidelde matennaaierij. De zeldzaamheid van tweebenige spelers. De incompetente scheidsrechters en het nodeloos uitblijven van de technologische ondersteuning ten bate van foutloze arbitraire beslissingen. Megalomane clubbestuurders en malafide makelaars van voetballers die onbelemmerd hun zakken kunnen vullen.

De extreme financiële wanverhoudingen. Voetballertjes die drie ton per week (!) verdienen. Spaanse clubs die een half miljard in de min mogen. De diffuse regelgeving waardoor het ene land wel en het andere land niet aan de bak komt en steeds dezelfde ploegen aan de top staan. De clandestiene overheidssteun en de torenhoge kosten van de massale politie-inzet met als gevolg dat de Hermandad niet meer aan haar eigen taak toekomt. Het primitieve gedrag van de zogenaamde supporters die met halfslachtige maatregelen niet in toom worden gehouden en hun fascistoïde lusten kunnen botvieren op van alles en nog wat.

Ik hou liever mijn bloeddruk op peil dan tot vervelens toe geconfronteerd te worden met matchfixing en andere vormen van machtsverstrengeling waarom de FIFA bekend staat. Of het gedogen van doping, homofobie en censuur, zoals tijdens het laatste WK. De dominante aanwezigheid van de exponenten van het grootkapitaal, zoals Coca Cola, McDonalds en Gazprom (!), zodat je tijdens een wedstrijd gedwongen bent ruim een uur naar reclames te kijken. Of het oeverloze gezeik over kunstgras door oude mannen op de televisie. Kunstgras ziet er niet uit.

Nu heeft Feyenoord na jarenlang geploeter weer een beker. Gefeliciteerd zou ik zeggen, maar waarmee eigenlijk? ‘We gaan Europa in’, zeggen de fans, een groep die nu niet bekend staat om haar liefde voor integratie op het oude continent. En dan? Dan winnen of verliezen we. En dan? Verlies nemen we en overwinningen worden gevierd. De uiteindelijke beloning is dan een ordinaire zuippartij.

Ik wacht het niet af. Ik word wel een keertje lazerus zonder kampioen te zijn.

© IJsbrand Flamminga

Kuip luchtfoto 446

Kannibaal

In het restaurant van een groot warenhuis zitten een hoog geblondeerde en bont geklede dame-op-leeftijd tezamen met echtgenoot en dochter koffie met gebak te nuttigen. Tussen moeder en dochter staat een met tassen behangen wandelwagentje waaruit baby geluidjes opstijgen. Om de blonde vrouw hangt het glanzende aura van de kersverse oma, die er volgens haarzelf nog deksels jong uitziet. De veel gehoorde kreet: ”Wat? Al oma? Nou dat zou je niet zeggen!” doet haar dan regelmatig blozen van genot. De eveneens kersverse opa denkt er zo te zien heel anders over. De vijandige blik die hij op een voor hem staand kopje koffie richt spreekt boekdelen.
“D ‘r zit verdomme geeneens melluk bij de koffie” mompelt de grootvader en leunt naar achteren in zijn stoel, niet van plan tot handelen over te gaan.
“Er ligt een zakje creamer bij, Arie. Dat is veel gezonder voor je” snauwt zijn vrouw op een toon, alsof ze het voor de zoveelste keer zegt. Ondertussen kan ze haar ogen geen moment van de baby afhouden. Ze lacht voortdurend tegen het wurmpje in het wandelwagentje en maakt daar kirrende geluidjes bij.
“Ik mot geen poeder en dat weet je” repliceert Arie en doet de armen over elkaar om aan te geven dat de discussie nu pas begonnen is. Oma blijft zich concentreren op de baby en negeert haar echtgenoot. De vermoeid uitziende dochter zucht geërgerd, staat op en stampt naar de balie om melk te gaan halen voor haar pappie. Op dat moment begint de baby zachtjes te huilen waarop de vrouw verbaasd opveert en haar borsten voorzichtig vasthoudt. “Joh Arie, mijn melk schiet toe. Dat gaat nooit over.” Arie ’s gelaat vertoont achtereenvolgens verschillende uitdrukkingen: verrast, verbaasd, verward en als laatste slim. “Ik al tevreden met een beetje koffiemelk, Riet” zegt hij met een scheve grijns.
Zijn vrouw heeft net de baby uit de wagen getild, trekt het mutsje van het hoofdje en begint het wurm verwoed te knuffelen. “O, heerlijk jong” lispelt oma en hervat haar geknuffel. De dochter is terug van haar melk corvee en plaatst een kannetje koffieroom naast het kopje van haar vader met de mededeling: “soo, melluk voor opaaa!” De spottende toon ontgaat hem niet en met een nijdige blik naar zijn echtgenote zegt hij luid: “Dank je schat. Aan jou heb ik tenminste wat!” Maar oma is met belangrijker zaken bezig. “Ooo, moet jij zo lachen tegen oma. Kijk Bianca, ze lacht, ze lacht! O kijk nou! Ze lacht echt. Ja, jaah! En daarnet schoot ook oma d ‘r melk toe!” kweelt ze tegen het kleine, tot een grimas vertrokken gezichtje. Arie en Bianca kijken elkaar veelbetekenend aan.
“Ja, ga jij zo lachen tegen oma? En tegen mamma en tegen pappa en tegen tante, maar niet tegen opa hè? Dat is zo ’n ouwe saggerijn! Daar valt niks te lachen, hè?” scandeert oma en begint de baby weer uitbundig te knuffelen. Arie kijkt vol walging naar het gedrag van zijn eega en steekt van wal: “Gatverdamme Riet. Dit is strafbaar, dat gesabbel. Niet normaal. Je bent een pedofiele oma. Je neemt zelfs grote happen van dat kind. Je vreet verdomme mijn kleindochter op. KANNIBAAL!! Je kan zo opgepakt worden voor pedofilie en kannibalisme!”
“Paha, laat haar nou. Het is d ‘r eerste kleinkind.” Zucht dochter Bianca en pakt resoluut de baby uit de handen van haar moeder, gaat zitten, knoopt haar bloes open en legt de baby aan, waarop deze gulzig begint te drinken.
De vermoeidheid verdwijnt uit het gezicht van de jonge vrouw. De ontspanning maakt haar mooi. Arie zwijgt en kijkt stil naar zijn dochter. Oma zit met lege handen en kijkt ook zwijgend en ontroerd toe.
“Hee, Arie!” klinkt ineens een mannenstem.
“Hee Japie Houtekop! Ouwe gek. Hoe kom jij nou hier?” roept Arie en staat op spreidt zijn armen ter begroeting en omhelst de forse man, die een gezicht heeft dat het meest wegheeft van een boomstronk. Zijn aanstekelijke lelijkheid heeft gedurende zijn bestaan veel hilariteit veroorzaakt bij zijn medemens. De beide vrouwen aan de tafel slaan verbijsterd, met hetzelfde gebaar, de handen voor hun mond. Arie stelt Jaap aan zijn vrouw en dochter voor, die nog steeds ongelovig naar de knoestige kop kijken. Ze kunnen geen woord uitbrengen. Jaap geeft moeder en dochter een hand en zegt met onverwacht diepe stem: “ En, is dat de nieuwe nazaat van Arie?” Riet wil gaan spreken maar wordt in de rede gevallen door Arie: “Da ’s me kleindochter en ze heeft al naar me gelachen” kraait hij en kijkt triomfantelijk naar zijn echtgenote die hem verontwaardigt aankijkt. “Niewaar, da kannie” krast Riet. “Jawel. Vanmorgen. Ik was effe alleen met d ‘r”  “Dat mot ik zien. Ik geloof er geen donder van, Arie. Maak haar eens aan het lachen dan?” Riet wijst gebiedend naar de baby die lodderig in de armen van haar moeder ligt. Arie kijkt geschrokken om zich heen. Ze hebben plotseling de aandacht van alle aanwezigen. Aarzelend knielt hij voor zijn dochter op de grond zodat zijn gezicht vlakbij het babyhoofdje verschijnt, dat angstige trekken begint te vertonen, waardoor de opa met allerlei grimassen probeert het kind een lachje te ontlokken. Dit lukt niet. Zijn kleindochter blijft hem ongerust aankijken. Er komt wel een lachje. Maar in de vorm van een hatelijke lach van oma, die Arie opzij duwt en zich vooroverbuigt naar de baby: ”Hallo, schat. Jij gaat wel lachen tegen oma, hè?” Haar te luide en doorrookte stem klinkt zo dwingend dat de baby begint te huilen. Arie kijkt triomfantelijk naar het publiek, dat een hoongelach laat horen, hetgeen de woede van oma tot gevolg heeft. Ze gaat er even flink voor staan om het ondankbare publiek de huid vol te schelden maar merkt dat iedereen langs haar heen kijkt naar iets achter haar. Als ze zich omdraait ziet ze het grote lichaam van Jaap over de baby gebogen staan en hoort ze zijn diepe stem zachtjes vragen: “Waarom moet jij zo huilen?” Het kind stopt subiet met huilen en als Jaap zijn grote gezicht met enige moeite heeft geplooid tot een glimlach, lacht de baby terug met een verrassend vrolijk geluidje. In het restaurant valt een eerbiedige stilte. Opa en oma kijken Jaap bedremmeld aan. Deze zegt alleen: ”Het is een gave”

Aad Wieman, Rotterdam, 3-4-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen voor de redactie.

Schiebroekselaan

Onlangs was ik in Rotterdam noord, daar waar ik vandaan kom. De straat is de Schiebroekselaan.
Onbewust gingen mijn gedachten terug naar een onbezorgde jeugd. Naar onze buren, we zijn nog steeds bevriend ook al woon ik nu al jaren elders in de stad, maar op éen of andere manier blijft noord trekken. Jeugdvriend van het eerste uur, Jeroen, we zien elkaar nog graag, we renden vaak naar de Juliana van Stolbergschool, voetbalden bij Veenstra voor de deur, tussen de pleintjes, (met o.a. Martin, Marcel, Harry, José, Rémon, Bertje, Santi) en fietsten rondjes door de Schiebroeksestraat.
Ik moest lachen, er stond weleens een pestkop op de hoek en dan mochten we alleen doorfietsen als we een stuk papier gaven, de bijnaam ‘papierel’ was snel geboren.
We voetbalden ook weleens illegaal op het afgesloten terrein bij de Vrijebansestraat, als de politie je dan ophaalde zetten ze je af op….de Schiebroekselaan. Ook de kerstbomenjacht was altijd weer spannend…..

Het huis is er nog, bewoond door vreemden. Ben toch benieuwd hoe het er binnen uitziet, 20 jaar na ons vertrek. Jeugdherinneringen, ik hou ervan. Schrijven over Rotterdam, het blijft gers. Rotterdam is mijn stad, jouw stad, onze stad!

Vroeger in het oude Rotterdam

Wij hadden vroeger thuis geen vroeger. Wij gingen bij de buren, die hadden vroeger. Vroeger was duur. Wij hadden geeneens een vloer. Wij hadden een vuil en nat gat en daarom vochten wij. Wij wroetten op de vuilnisbelt en wij filterden het rioolvocht voor de thee, gezet van het zakje dat we van de buren kregen of de rest van de straat. Nou ja, straat… Het was meer een stinkende modderstroom waarvan zelfs de ratten waren gevlucht.

Wij hadden nooit tijd en als wij te laat kwamen, kregen wij ongenadig op onze sodemieter van de buurman, want onze vader moest 36 uur per dag werken. Als die zijn best deed, mocht hij eens per jaar naar ons vuile gat en hij nam dan voor ons een kiezelsteen mee om op te zuigen, maar dan moestie weer snel weg om zijn geleende sandaal terug te brengen.

Ik kreeg dan onze broek aan om de kiezel te gaan ruilen voor een hap zand, zodat wij die eerlijk konden verdelen onder onze 54 kinderen waarvan er eentje meestal dood was of opgegeten door mijn oudere broer, die zo ontzettend blind was dat wij hem ’s winters gebruikten om te kijken of er nog ergens iets brandbaars was voor de kachel, die wij eigenlijk niet hadden.

Sommigen van ons hadden wel eens gehoord van een bed. Dat was alleen voorbestemd voor de oudsten. De jongeren mochten nog niet horen. Dat kwam goed uit, want ze luisterden toch niet. Praten mocht alleen op vrijdag als mijn moeder een goede bui had. En dan enkel nog een paar woorden. Er waren maanden dat wij alleen één letter mochten zeggen. Dan ruilde ik met mijn broertjes bijvoorbeeld de ‘w’ voor een ‘h’, zodat je na vijf maanden hallo kon zeggen, maar dan moest je wel mazzel hebben. Waarover je dan ook weer een half jaar had gedaan.

De uitverkorenen onder ons groeiden op voor galg en rad of gingen naar sodom en gommora op de Blaak. Ik piepte meestal naar binnen, want het was voor boven de 18 en zo oud werden wij toen niet. Trauma’s zouden er door mijn moeder vakkundig uitgeslagen moeten worden, maar ze had nooit tijd. Dan had je pech, die wij onderling ruilden. Met Oud en Nieuw (in ons geval alleen Oud) kregen wij een klap en dan kon je er weer een jaar tegen.

Het was puur een kwestie van overleven. Wij waren blij als er iemand waterpokken had, want wij stierven van de dorst. Hoewel het zó donker was, dat wij niet precies wisten hoeveel kinderen er waren. Het komt allemaal weer naar boven, hoewel wij dat niet konden betalen. Bij speciale gelegenheden kregen wij een portie zure lucht van het abattoir. Dat moesten wij zeven en een mochten wij houden voor de kleinste, waarvan wij niet zeker wisten of hij wel bestond. Zo klein waren wij toen.

Vaak leek het of er helemaal niemand was. Soms hoorde je wel eens iets. Genieten was dat. Meestal was er niets. Niets was voor ons ook een buitenkansje. Je was met niets dolblij. Alleen dat werd dan weer afgepakt door mijn moeder om te bewaren voor slechte tijden. Dat lijkt gemeen, maar wij konden nooit iets achter de hand houden. Dat werd gebruikt als onderpand. Als wij dan zonder zaten, hadden wij altijd nog niets en dan was het feest. Maar dat was vroeger, hoewel wij dat toen niet hadden.

© IJsbrand Flamminga

Schotsie piepen

De winter van 1963 was, zoals bekend, de koudste winter van de vorige eeuw. Met temperaturen van rond de – 15 graden, zodat de oren van je kop vroren en toch ging je op de fiets, over de Abraham van Stolkweg naar de ULO school in Overschie. Niet de mode, maar de ijzige koude schreef hier de wet voor.

Warm gekleed en getooid met de merkwaardigste hoofddeksels, bestaande uit mutsen, lappen en dassen die je als 15 jarige normaal voor geen goud zou dragen. Buiten was alles lichtgrijs. De grond, de lucht en het water hadden dezelfde grijstint met hier en daar een donkerder accent, zodat je een beetje wist waar je fietste. De singels, de vijvers en de vaarten waren stijf bevroren. Ook de Schie zou wel bevroren zijn. En dat wilden we tussen de middag graag onderzoeken.

Gevieren gingen we, in plaats van naar de overblijf op pad en wandelden in de richting van de Schie. Het plan was om over het ijs naar de overkant te lopen. Waarom? Zomaar! Vier 15 jarige jongens: vrolijke Dick met zijn bravoure, laconieke Ruud, die het best beschreven kon worden als “cool”. (want hij had altijd als eerste de meest swingende schoenen) En “ Gimp”, waarvan we de echte naam niet wisten en ikzelf als uw verslaggever. Als kleinste van de klas deed ik natuurlijk mee voor zoete koek, dus kan ik me nu maar beter een bepaalde functie toeschrijven.

Bij de Schie aangekomen zagen we een sleepboot met verzwaarde boeg bezig het ijs te breken. Dick en Gimp keken beteuterd. Ze zagen tot aan de andere oever alleen maar ijsschotsen drijven. Ze hadden zich tijdens de wandeling een heroïsche voorstelling gemaakt van de tocht over het ijs en dat kon nu niet doorgaan. Dick praatte een minuut geleden nog opgewekt over het leger van Napoleon en de ijzige terugtocht over Russische rivier de Berezina. Ruud viel Dick in de rede en wees naar de voorbij varende sleepboot en zei: “Die vaargeul moet open blijven voor de aken die hier altijd varen. Dat is een ijsbreker. Dus.” Hij keek er overdreven ernstig bij. Je wist bij hem nooit zeker of hij het meende. Hij kon je soms ineens heel dreigend aankijken en sissen: “wou je vechten?” om dan gelijk om te slaan als het blad van een boom en zich te verontschuldigen met: ”Ik niet.” Gimp liet zich niet uit het veld slaan en klom over de basalt blokken naar de waterkant. Zonder dralen stapte hij op de dichtstbijzijnde schots en draaide zich triomfantelijk om, wenkte en stapte op een tweede schots, die vervaarlijk begon te wiebelen. Wijdbeens en met de handen in de zij hervond hij zijn evenwicht, stond rustig op de schots en keek ons met een zelfverzekerde grijns aan.
“Lefgozer” mompelde Dick en stapte over de basaltkeien op het ijs en sprong vervolgens van de ene op de andere schots tot bij Gimp die Dick gelijk vast greep zodat ze elkaar in evenwicht konden houden. Tenslotte was Dick niet voor niets de beste met gym. Schaterend keken de jongens elkaar aan en wendden daarna de blik naar de overkant. Hun einddoel. Ze bleven ons wenken. “Ik heb nieuwe schoenen!” riep Ruud naar de waaghalzen. ”Nou en?” was het antwoord . Ruud maakte een begrijp-je-dat-nou gebaar naar mij en keek bezorgt naar zijn glanzende laarsjes.
Intussen was de sleepboot teruggevaren en ging midden op de vaart liggen. In de stuurhut zagen we twee silhouetten van de bemanning. Dick en Gimp hadden net ontdekt, dat als je elkaar goed vast hield en dan tegelijk sprong, je gemakkelijk van de ene schots op de ander kon komen, waardoor ze flink opschoten. Plotseling schalde er een blikkerig geluid over het water. Een van de mannen in de stuurhut had de megafoon ingeschakeld. De metalen stem riep: “Jongens, ga van dat ijs af. Dat is veel te gevaarlijk.” Op dat zelfde moment lieten de jongens van schrik elkaar los. Gimp stond ineens alleen en de schots waar Dick opstond kantelde, waardoor hij in het water tuimelde en kopje onder ging. Hij kon zich nog net aan de schots vastgrijpen en hees zich er op en terwijl hij naar de kant scharrelde klonk er door de sleepbootmegafoon een honend geschater. Door het metalige geluid klonk het nog hatelijker. Ruud en Gimp hielpen Dick op het droge. Hij was kletsnat en keek verbijsterd van de een naar de ander totdat hij begon te klappertanden en bevend in elkaar dook. We wisten dat er snel iets moest gebeuren. We hadden pas op school geleerd dat onderkoeling heel gevaarlijk is. Ruud wees naar het dichtstbijzijnde flatgebouw: “Rosita woont daar in die flat. Effe kijken of er iemand huis is” Ze
renden naar het portiek, belden aan, spraken door de intercom, struikelden de lift binnen die hen naar de 5e verdieping bracht. Gimp en ik bleven in de hal achter en er zat niets anders op dan weer naar school te gaan. Onderweg bleef Gimp mij doorzagen over de borstjes van Rosita, omdat hij ze wel eens betast zou hebben en gevoeld had dat ze geen BH droeg. Rosita was als ik me goed herinner niet knap maar rijper dan de andere meisjes en dat maakte haar in onze ogen interessant. Van de acties van Gimp geloofde ik geen ene moer en toen we op school arriveerden had Ruud, die gek genoeg eerder dan wij aanwezig was, zijn verhaal gedaan en de opwinding onder de leerlingen tot grote hoogten doen oplopen. De volgende dag kwam Dick wazig glimlachend op school. Er werden van alle kanten vragen op hem afgevuurd met als resultaat dat zijn glimlach veranderde van wazig naar geheimzinnig. Het bleek dat toen hij in het huis van Rosita binnenkwam, hij zonder plichtplegingen in een heet bad werd gestopt. Op de vraag of Rosita zijn rug gewassen had schudde hij ontkennend zijn hoofd en mompelde: ”D‘r moeder” En weer met die glimlach. Wij, 15 jarige jongens deden er het zwijgen toe en over die moeder konden we alleen maar fantaseren, want Dick weigerde er verder nog iets over te zeggen en vertoonde alleen nog die irritante glimlach van hem.

Aad Wiegman, Rotterdam, 13-3-16. Met dank aan Jolanthe van Dongen voor het redigeren van de tekst.

Larmoyant

Het woord larmoyant zie ik de laatste tijd steeds vaker. Dat komt niet omdat ik een nieuw abonnement heb op een krant met veel moeilijke woorden of ineens veel literatuur lees. Nee, mijn leesvoer is hetzelfde gebleven. Het woord larmoyant is met een gestage opmars bezig en dat is frappant. Ik zag het nota bene in het Algemeen Dagblad, niet bepaald een krant voor hoogopgeleiden die in Frankrijk hun vakantie doorbrengen of voor snobs met een tweede huis in de Provenc
Larmoyant is namelijk Frans. Frappant trouwens ook. Je hoort larmoyant niet veel. Soms, laat op de avond na een intiem etentje aan een Kralingse borreltafel, als iemand zeurt over de culinaire kwaliteit. Larmoyant komt nogal kakkineus over, maar dat kan veranderen. Als het maar genoeg gebruikt wordt, dan wordt het woord vanzelf minder elitair. Larmoyant betekent huilerig, klagend of sentimenteel. Niet iets om mee te koop te lopen.

Vandaar de vraag of de groeiende populariteit van het woord is te verklaren door de opbloei van het sentiment om ons heen en of de gemiddelde Nederlander daardoor zelf sentimenteler is geworden? Het zou zomaar kunnen. Met de komst van de commerciële radio en televisie ontstond de behoefte aan herkenbare emoties. Janken op de buis werkt namelijk omzet verhogend. Huilen is makkelijk, goedkoop en dus winst bevorderend. En daar gaat het om bij de commerciëlen.

De verdebielisering van de samenleving nemen zij voor lief. Sterker nog, der Volksverblötung, zoals de Duitsers het zo mooi noemen, lijkt opzettelijk de bedoeling van de mediamaffia. Huilen is normaal en van alledag. Tussen de reclames moeten we onze gevoelens ongebreideld kunnen uiten. Reclameboodschappen zijn ingeblikte sprookjes. Geanimeerde poppetjes die de onderkant van een toiletrand schoonspuiten, brandend maagzuur blussen, badkamertegels ontschimmelen, hardnekkige tandplak verwijderen en het nationale probleem van de kalkteennagel tot een goed einde weten te brengen. Zij leefden nog lang en gelukkig.

Onzin! We schaffen spullen aan die we helemaal niet nodig hebben. De drassige pulp waarmee de bevolking dag in en dag uit geïndoctrineerd wordt, leidt tot een toenemende frustratie, die op zich zelf weer tot gevolg heeft dat gevaarlijke sentimenten opbloeien. Terwijl onze samenleving feitelijk op een intellectueel en materieel hoogtepunt verkeert, wordt er momenteel meer geklaagd dan ooit.

Over zwarte Piet, over negers, over blanken, over de banken, over Griekenland, over Rusland, over China, over Amerika, over vluchtelingen, over het spoor, over moslims, over de regering, over links, over rechts, over de huizenmarkt, over de zorg, over de belastingen, over het onderwijs, over het voetbal en zelfs over het weer. Het is allemaal te veel om op te noemen en het is daarom niet vreemd dat men zoekt naar moeilijke woorden, maar toch komt het veelvuldig gebruik van larmoyant nogal pathetisch over.

Het woord pathetisch is van Franse oorsprong en betekent aandoenlijk. Ik voorspel het een grote toekomst.

© IJsbrand Flamminga

Astrid Aveling

Wij zijn op 27 mei 1988 getrouwd op het Stadhuis van Rotterdam 

daarna is ons huwelijk ingezegend in de St. Laurenskerk.

Foto’s gemaakt in het Kralingse Bos. 

Ons feest was ‘s avonds in de Keizershof (Ommoord).

we zijn nog steeds gelukkig samen

astrid aveling (1)

astrid aveling (2)

Marloes en Raymond van der Vliet

Op 19-04-2013 ben ik getrouwd met mijn grote liefde Marloes. 

Wij zijn getrouwd in het stadhuis van Rotterdam
en erna naar de Kuip gereden voor een trouwreportage.

raymond en marlies (2)

raymond en marlies (3)

raymond en marlies (4)

Transavia

We vlogen van Zestienhoven (rot op met je The Hague airport!) en weer was de sandwich van de maand uitverkocht, terwijl wij speciaal voor het broodje Meatball Red Onion in september hadden geboekt. Het overkwam ons vorig jaar ook. Ik zag het laatste doosje met de smakelijke driehoekjes voor mijn neus verdwijnen op rij 17, waar een gulzige dertiger de populaire vliegtuigsandwich ongegeneerd naar binnen werkte. Wij zaten toen op rij 18.

Dit jaar bevonden wij ons opnieuw in het midden van het – overigens zeer gedateerde – vliegtuig. Niet alleen wordt op die plaats het uitzicht door de vleugel ontnomen, ook is de kans groot dat naast de Meatball Red Onion ook de Chicken Pesto, de Creamy Tuna, de Crispy Bacon & Egg Salad en de Cheese & Slow Roasted Tomato reeds in de magen van de medepassagiers zijn verdwenen, voordat de crew met hun vreet- en zuiptrolley ter plekke is gearriveerd. Hetgeen geschiedde.

Machteloos keken wij toe. Onder het motto ‘profiteer en geniet’ konden wij wel een handje bremzoute pinda’s inclusief een blikje bier aanschaffen voor het equivalent van 9 gulden 35, maar zover kwam het niet. Naast mij ontstond onenigheid over de laatste saucijzenbroodjes, die door een naar het achterste deel van het vliegtuig gesticulerende stewardess in tot ontdooien werden gesommeerd. Het zou even kunnen duren. Zij waren namelijk diepgevroren. Inmiddels hadden mijn buren zonder handgemeen overeenstemming bereikt over de verdeling van de worstenbroodjes. Er waren er nog drie. Stoel 18 E en 18 F hadden nogal last van turbulentie, dus zij namen genoegen met ieder een halve vette hap.

Ik verbeet mij over de gang van zaken. Kan er niet beter worden ingekocht? De stewardess deelde mij mee, op een toon alsof ik zelf volledig verantwoordelijk zou zijn voor het falende inkoopbeleid, dat zij hieraan niets kon doen. ‘Wie dan wel?’, vroeg ik. Zo’n vliegtuigmeisje is vaker in de lucht dan ik en de maatschappij weet weken, zo niet maanden, tevoren hoeveel passagiers er zijn. Ik nam genoegen met een colaatje. Zij hadden alleen cola light. Niet omdat het vliegtuig overbelast was, maar de gewone cola was op.

Ruim een kwartier nadat de landing was ingezet wachtten mijn buren nog steeds op hun saucijzenbroodje. Ik drukte op het belletje voor tekst en uitleg. ‘Mijn medereisgenoten wachten al een eeuwigheid op hun hapje en waar was trouwens het karretje met de taxfree producten? Noemen jullie dit service?’ Het signaal fasten seatbelts had allang geklonken toen de kartonnen doosjes met de lauwwarme snacks alsnog verschenen. Niet lang daarna kwam een stewardess, die schijnbaar de MAVO wel had afgemaakt, naar mij toe met een formulier. Verheugd veronderstelde ik dat ik mijn klacht op papier zou kunnen zetten.

Tot mijn verbijstering kreeg ik een printje in de handen gedrukt waarop in minuscule letters (corps 6) en in vier talen gedrukt stond dat ik mij schuldig had gemaakt aan on-toe-laat-baar gedrag! Het betrof een laatste waarschuwing en kennisgeving van overtreding. Als ik door zou gaan, zou ik een strafbaar feit plegen. Mijn gedrag was in strijd zijn met de goede orde en discipline aan boord. Ik zou de veiligheid van personen, goederen en zelfs het vliegtuig in gevaar brengen. Waarna een opsomming volgde van categorieën van zogenaamd ontoelaatbaar gedrag. Overigens viel klagen over de service daar niet onder. Als ik geen gehoor gaf aan deze oproep, zou ik kunnen worden vervolgd onder Nederlands strafrecht, hetgeen zou kunnen leiden tot een boete van 45.200 (typisch Nederlands) euro of een gevangenisstraf van maximaal vijftien jaar!

Wat een onmetelijke gotspe. Het was dat ik mijn gordel om had. Is het vreemd dat sommige vliegtuigen exploderen? Alhoewel veel reizigers de lettertjes waarschijnlijk niet eens kunnen lezen. Dat ik door het cabinepersoneel gebruikt werd als kop van jut voor het schromelijk tekort aan service bleek nog eens vlak voordat wij de grond raakten. Toen pas kregen de saucijzenbroodjes hun wisselgeld terug. 18 A had zijn saucijsje niet eens gezien en 18 B kreeg een kwartje te weinig retour. Eenmaal op Turkse bodem deed ik mij, lichtelijk aangedaan, tegoed aan Sultans Kebab: gekruide meatballs met garlic yogurt en groenten op een broodje. Heerlijk.

© IJsbrand Flamminga

Kevin en Jolanda Jansen

Kevin en Jolanda Jansen

wij zijn op 20-07-2015 voor de 2de keer met elkaar getrouwd

kevin en jolanda jansen (5)

kevin en jolanda jansen (4)

kevin en jolanda jansen (2)

kevin en jolanda jansen (1)

Gea Bakker

Stadhuis Rotterdam

19 december  1973

gea bakker