Gesprekje bij stoplicht

Het is mooi weer, weinig wind en eindelijk een heerlijk voorjaarszonnetje. In een lekker tempootje ben ik op weg naar mijn werk. Het verkeerslicht op de Mathenesserlaan springt op oranje en ik schat in, dat ik nog net te ver van de kruising verwijderd ben om nog even aan te zetten en dus knijp ik in de remmen. Ik kom tot stilstand naast de jonge dame die vlak voor mij reed en zich heerlijk op deze zonnige dag gekleed heeft. Dankzij het rode licht heb ik de gelegenheid om mijn aandacht  even af te wenden van het verkeer en mijn mede weggebruikster te observeren. Leuk, denk ik bij mijzelf. “Wat zijn jullie keurig bezig”, klinkt er ineens een zware mannenstem links naast mij. Een beetje verbaasd kijk ik de man aan, die net is komen aanfietsen en ook voor het stoplicht tot stilstand is gekomen. Ik merk aan zijn blik, dat hij het tegen mij heeft. “Hoe bedoelt u?” “Nou, ik ben niet gewend dat jullie fietsers zo netjes voor het rode licht stoppen. Omdat het zulk lekker weer is, heb ik eens de fiets gepakt, maar normaal zit ik in de auto en schrik ik mij regelmatig de pleuris van fietsers die door het rode licht rijden en ineens voor mijn bumper opduiken.” Het licht springt op groen en we rijden een stukje samen op. “Jullie automobilisten kunnen er anders ook wat van”, werp ik tegen. “De meesten van jullie rijden in auto’s waarvan de richtingaanwijzer kapot is. Tenminste, daar lijkt het op, want ik zie ze maar zelden knipperen als er afgeslagen wordt.” De beste man geeft ruiterlijk toe, dat hij zich ook niet altijd even netjes aan de verkeersregels houdt als hij in zijn auto zit. Het volgende verkeerslicht komt er aan en staat nog op rood.  De mooie juffrouw rijdt nog steeds vlak voor ons en moet ons gekeuvel dus ook horen, maar ze bemoeit zich er niet mee. Ze stopt voor het licht en blijft strak voor zich uit kijken. Ze gunt ons zelfs geen kleine glimlach. Jammer. Wij zijn ook gestopt. “Maar wij zijn beiden nu al voor de tweede keer goed bezig, meneer. Laten we dit vast houden. U in de auto en ik op de fiets, dan wordt het vast een stuk aangenamer op de weg.” Nu kijkt de meneer mij een beetje verbaast aan. Het licht springt op groen. “Nou meneer ik fiets even door, anders ben ik te laat op mijn werk. Prettige dag meneer!”

Spinnenbloed is wit

Ik ben net overgestapt van de bus in de metro. Uit mijn rugtas pak ik een leesboekje. Op het moment dat ik het opensla, zie ik vanuit mijn ooghoek iets op mijn schouder bewegen. Ik schrik en in een reflex tot overleven pak ik het object vast en gooi het op de grond. Het voelt een beetje zacht aan en tegelijkertijd kraakt het licht. Op de grond van de metrocoupé zie ik een grote dikke zwartbruine spin verbaasd om zich heen kijken. Het is zo’n dikke vette, die je in kruipruimtes wel tegenkomt. Net als de spin ben ik ook een beetje verbaasd. Waar komt die jongen vandaan? Hij zal zich niet vanuit het plafond van de metro op mijn schouder hebben laten zakken en buiten in de stad heb ik dit soort dikke jongens ook niet eerder gezien. Bij ons thuis wel. Heel af en toe waagt zo’n beest zich achter een plint in onze woonkamer vandaan en rent dan als een malle over het gladde laminaat of blijft voor dood op het witte behang zitten. In het eerste geval wordt hij meestal dodelijk getroffen door mijn pantoffel en in het tweede geval eindigt zijn leven in een paar velletjes van de keukenrol, waarna een snelle en niet zo plechtige begrafenis in de vuilnisbak volgt.

Als ik ’s avonds uit mijn werk kom, zet ik mijn rugtas altijd in de hoek van de kamer. Het is dus zeer waarschijnlijk, dat deze spin bij mij thuis al op de rugtas is geklommen en zo al een minuut of twintig met mij mee is gelift zonder dat ik het in de gaten had.

Zou die knappe dame in de bus de spin wel gezien hebben? Zij ging niet naast mij zitten, terwijl de stoel wel vrij was. Ze bleef staan. Ik glimlachte nog vriendelijk naar haar, maar echt contact kreeg ik niet. Nu begrijp ik waarom niet.

Zodra de metro begint te rijden gaat de spin rondjes lopen. Eén pootje doet niet meer mee. Als de metro stil staat zit de spin ook stil. Ik kijk de coupé rond. Niemand heeft in de gaten, dat er een dikke manke spin met ons meereist. Je moet er niet aan denken, dat de dames hem opmerken. Er zal paniek uitbreken. Terwijl Rotterdam in een flets ochtendzonnetje rustig op gang begint te komen, voltrekt zich diep onder de grond een horrorscenario, waarbij het zelfs Dick Maas dun door de broek zou lopen. Ik realiseer mij dat ik mijn verantwoordelijkheid moet nemen. Zodra de spin bij mij in de buurt komt, zal ik mijn voet er genadeloos op zetten. Naar de spin toelopen is geen optie. Dat zou te veel de aandacht trekken. Te riskant. Bij elke halte klopt mijn hart in mijn keel. De spin zit stil en de passagiers lopen in en uit zonder hem op te merken. De juffrouw van de RET vertelt door de luidspreker dat wij station Eendrachtsplein naderen. Ik sta op en ga achteloos op de spin staan. Bij de deur kijk ik nog even achterom. De spin is verdwenen. De stoffelijke resten zitten tussen het profiel van mijn schoenzool. Wat achterblijft is vochtige witte vlek. Met de wetenschap dat spinnenbloed dus wit moet zijn, verlaat ik opgelucht de metro.

Wat een bijzondere dame

Ze gaf zomaar haar pincode!

We hebben inmiddels een aardige schare fans bij WAAR in Rotterdam. Mensen die regelmatig even langskomen om paar ansichtkaartjes te kopen. Een paar molens vol humor staan er in de winkel en als het zonnetje schijnt staan er twee buiten. Zo ook vandaag.

Als mijn blik naar de deur draait, zie ik haar zitten, in de scootmobiel. Eén van onze fans. Het is een allervriendelijkste dame. Altijd keurig gekleed en dito gekapt. Niet zomaar een mevrouw, nee een dame. Ik schat een jaar of zestig. Altijd een glimlach, nooit klagen, dat de deur te smal en het stoepje te hoog is, waardoor ze niet naar binnen kan. Ik loop naar haar toe en vraag of ik de andere molens ook buiten zal zetten. Alleen die met de ansichtkaarten. Dat is voldoende. Op haar gemak en met af en toe een lachje om haar mond, zoekt zij een stapeltje bij elkaar. Als onze blikken elkaar kruisen, kom ik in actie. “Is het gelukt?” “Ja hoor. Ik vind het zo leuk om kaarten te sturen. Het zijn er twaalf.” “Dat is dan twaalf euro.” “Ik wil even pinnen.” Oei, denk ik. Dat wordt een hele operatie. “Dan zal ik u even naar binnen helpen. Zal ik uw krukken aangeven?” “Nee joh. Hier, mijn pasje. Mijn pincode is ….” Ik schrik een beetje. Ze geeft zomaar haar pas en pincode. “Wilt u echt dat ik met uw pas betaal?” vraag ik nog. “Ja hoor, haal er maar meteen €1.200,00 af”’, grapt ze.  Een beetje zenuwachtig toets ik de pincode in die de dame mij gaf. Geslaagd, lees ik in het venster. Met de kassabon en de kaarten in een zakje, loop ik weer naar buiten. “Alstublieft mevrouw, uw kaarten en de bon. “Die bon hoef ik niet.” “Maar wilt u niet even controleren of ik niet te veel gepind heb?” “Ja, zo zie je er echt uit. Gooi die bon nou maar weg. Bedankt hè. Tot de volgende keer.” “U ook bedankt mevrouw en een fijne dag.” Een beetje beduusd til ik de derde kaartenmolen weer naar binnen. Hoe kun je nou zo veel vertrouwen hebben in mensen? Zou het nooit mis gaan bij die mevrouw? Ik denk het niet. ‘t Is gek, maar bij haar ben ik daar niet bang voor. Wat een bijzondere dame. Ik zie haar wegrijden en mijn dag is goed. Zij krijgt een plaatsje in mijn galerij van mooie Rotterdamse mensen.

De metro van vrijdagavond

Het gaat best goed, dat reizen met bus en metro. Behalve op vrijdagavond. Op vrijdag hebben wij koopavond in Rotterdam en dat betekent dus een lange dag voor mij. Om negen uur ’s avonds doe ik de deur op slot en tel ik mijn centen. Als het een flink bedrag is, wandel ik daarna moe maar voldaan naar de metro. Valt het bedrag tegen, dan wandel ik ook naar de metro, maar dan met een chagrijnige kop. In beide gevallen zakt mijn humeur sowieso onder nul, als de metro arriveert. Het kan niet anders of de baas van de metro heeft een gruwelijke hekel aan winkelen. Hij stelt de winkeliers en hun medewerkers verantwoordelijk voor het leed dat hij elke zaterdag en/of zondag meemaakt als hij met zijn vrouw gezellig de stad in moet. Rijden er de hele week lange metro’s van wel drie wagons aan elkaar, op vrijdagavond moeten we het doen met één schamel metrostelletje. Wij winkelwerkers staan dan samen met onze klanten samengepakt in de veel te kleine metrowagon. U zult begrijpen, dat ik mij nogal erger aan deze situatie en omdat ik assertief ben ingesteld, heb ik onlangs een mailtje gestuurd naar de RET. Ik heb hierin mijn verbazing uitgesproken over het feit, dat er op zaterdag- en zondagochtend metro’s ingezet worden van wel drie metrostellen lang, terwijl er dan bijna geen reizigers zijn en dat er op vrijdagavond, na een koopavond de kortst mogelijke metro over het spoor rijdt. Een paar weken later was het resultaat van mijn mailtje al merkbaar. Fijn zult u denken, dan kan je op vrijdagavond tenminste lekker zitten na zo’n lange werkdag. Mis! Op zaterdag- en zondagochtend zijn nu, net als op vrijdagavond, het tweede en derde metrostel afgekoppeld. Voor mij is het duidelijk. Mijn mailtje is terecht gekomen op het bureau van de baas van de metro, een krachtig leider die wel raad weet met zeikerdjes die altijd maar klagen. Zeker als blijkt dat het om een winkelier gaat. Hij twijfelt nog even om als wraakactie de vrijdagavondrit van kwart over negen uit de dienstregeling te schrappen. Zijn secretaresse weet hem nog net van dit onzalige plan te weerhouden, door hem snel iets lekkers in te schenken. Als de baas van de RET weer een beetje tot bedaren is gekomen, weet hij wat hij moet doen. Hij heeft namelijk tijdens zijn opleiding geleerd om altijd naar de klant te luisteren. “Die vent vertelt mij dat de metro op zaterdag- en zondagochtend leeg is? Mooi, dan rijden we op die dagen voortaan ook met één treinstel.” En zo is het gekomen. Namens alle reizigers van de vrijdagavond richt ik mij tot de vrouw van de metrobaas: “Lieve mevrouw, wilt u de komende tijd lekker met een vriendin gaan winkelen en uw man een poosje rust geven. Verwen hem bij thuiskomst een beetje met een lekker glas whisky en vraag over een paar weken eens, zomaar langs uw neus weg, of er op vrijdagavond niet eens een metrostelletje bij gehangen kan worden.” Alvast bedankt.

Voor het stoplicht

Dagelijks reis ik vice-versa van Vlaardingen naar Rotterdam. Dat is van het westen naar het oosten. Regelmatig doe ik dat op de fiets en dat is best lekker. Behalve als de zon schijnt. Zoals u weet komt deze elke ochtend in het oosten op en gaat in het westen weer onder.  Zowel ’s morgens als ’s avonds fiets ik dus met mijn gezicht in de zon. En  ja, dat is ook lekker, daar hoort u mij niet over. Het wordt pas minder prettig als je tijdens zo’n ritje in de zon verkeerslichten tegen komt. En op mijn route staan er nogal wat. De uitvinder van het stoplicht moet haast wel een Duitser geweest zijn. Die jongens fietsen namelijk niet. Herr Doktor Ampel, zal zijn naam wel zijn. Een nare man. Als je als voetganger voor het rode licht staat, is er niets aan de hand. Het licht staat aan de andere kant van de weg, ver genoeg om je blik niet omhoog te hoeven richten om te zien of je al mag oversteken. Maar als ik op de fiets voor het rode licht sta, is het wel even anders. Met mijn snufferd vlak voor de paal sta ik naar boven te turen, want de lampen van het rood oranje en groen zijn hoog boven op die paal gemonteerd. En laat nou precies achter die lichten die koperen ploert aan een strak blauwe hemel staan te branden. Verblind door het felle licht zie ik dus geen moer. Waarom is er geen burgemeester die gewoon dwars tegen Herr Doktor Ampel in gaat en de stoplichtenfabriek opdracht geeft om die palen een flink stuk in te korten, zodat de fietslichten gewoon op ooghoogte komen te hangen? Maar er zitten toch wel eens “verklikkertjes”, van die mini verkeerslichtjes, op de paal, zult u zeggen. Inderdaad, die kom ik ook wel eens tegen, maar altijd op palen waar een hele grote boom achter staat, die het stoplicht mooi in de schaduw zet. En als er geen boom staat, dan is het wel een hoog gebouw die mijn ogen beschermen tegen het felle schijnsel van de zon. Let er maar eens op als u op de fiets zit. Bij mooie grote open kruispunten vindt u nooit een verklikker. Nee, zo’n ritje in de zon is niet zo prettig als u zou denken.  De eerste echte lentedag zit er op en ik ben er nu al weer klaar mee. Ik verlang naar donkere wolkenluchten, zodat ik tenminste weer veilig kan oversteken.

Handige Harry

We staan op het punt om weg te gaan, als mijn vrouw opmerkt dat het slot van de buitendeur rammelt. Of ik weet wie we daar eens voor kunnen bellen. “Maar schat, daar gaan we toch niet voor bellen. Dat moet snel opgelost worden. Ik laat mijn vader echt niet met een rammelend slot op zijn voordeur zitten. Ik regel dat wel even. Ze noemen mij niet voor niets Handige Harry. Pa, heb je een schroevendraaier voor mij?” Ergens diep in het huis verscholen staat een klein handig bakje met wat gereedschap. Er zit ook een schroevendraaier in, maar niet van het type kruiskop en die heb ik nou juist nodig. Het gezellige avondje met mijn vrouw zie ik in duigen vallen. Dit geintje vraagt meer tijd dan ik had ingeschat. Ik verwerk de tegenslag razendsnel en stel mijn vader voor dat ik nu met mijn vrouw naar huis ga en zodadelijk op de fiets weer terug kom, met mijn eigen complete schroevendraaierset. Een half uur later schroef ik het degelijke lipsslot uit de voordeur. Met goed gereedschap is dat zo gebeurd en twee tellen later sta ik met het slot in mijn handen en constateer ik dat de cilinder nog steeds los zit. Ik zie nog wat schroefjes en besluit deze maar eens los te draaien. Een juiste beslissing, blijkt. Als ik het afdekplaatje verwijder zie ik twee kleine schroefjes waarmee het rammelende onderdeel vast hoort te zitten. Ik heb mij goed voorbereid en pak het kleinste schroevendraaiertje waarmee ik, tussen de veertjes door, de schroefjes aandraai. Kijk, dat heb ik weer even snel gefikst. Ik draai het slot, zodat ik de sleutel kan proberen. Een fatale fout! Drie losse onderdeeltje met onbestemde vormen vallen op de deurmat. Sodeju, dat is niet zo mooi. Ik probeer ze snel terug te plaatsen in het slot, zodat het lijkt of er niets gebeurd is. Maar de vraag is in welke volgorde ze terug moeten en op welke plek. Ik heb een hekel aan spelletjes en al helemaal aan puzzelen. Ik probeer alle mogelijke opties. Het lukt niet. Het zweet breekt mij uit. Ik kan mijn vader niet achter laten met een buitendeur zonder slot. Zal ik de deur barricaderen en dan via de keuken en de steeg het pand verlaten? Zal ik het slot uit mijn eigen voordeur schroeven om te kijken hoe het zit? Rustig nou Roon, niet in paniek raken, het zijn maar drie onderdeeltjes. Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? Mijn oude vader komt aangesloft en vraagt of het lukt. “Ja hoor pa, ga maar lekker naar binnen. Ik ben bijna klaar.” Ik besluit het over een heel andere boeg te gooien. Alle logica gooi ik over boord. Ik ga out of the box. Het werkt! Ik draai de sleutel om en de vierkante tong van metaal wordt uitgestoken. Ik draai de sleutel de andere kant op en jawel hoor, het kleine tongetje trekt zich terug. Nu voorzichtig Roon. Het plaatje er op en het hele zakie weer op zijn plek in de deur schroeven. Ik steek de sleutel nog een keer in het slot en draai hem rond. Het werkt! Er gaat een siddering van geluk door mijn lijf. Dit voelt als klaarkomen na een hele lange vrijpartij. Heerlijk.

Parkeerbon

“Ik heb niet zo’n leuke verrassing voor je. Het ligt op tafel.” Met deze boodschap heet mijn vrouw mij welkom als ik thuis kom van mijn werk. Op tafel zie ik een soort uit de kluiten gewassen kassabon liggen. “Ik heb hem vanmorgen onder je ruitenwisser vandaan gehaald”, voegt mijn vrouw er aan toe. “Je hebt gisteren niet betaald.”

Wat zullen we nou beleven! Ik bestudeer het velletje papier en het blijkt een Naheffingsaanslag Parkeerbelasting te zijn, oftewel een bekeuring. Het is geprint op maandag 25 maart om 17:31 uur, Nieuwe Binnenweg, Rotterdam. Ik heb daar inderdaad geparkeerd, maar ook betaald om tot ruim over zessen te blijven staan.

“Dat heb je er van Pa, als je niet betaald”, merkt mijn zoon sarcastisch op, zonder op te kijken van zijn telefoon. Maar ik heb wel betaald. Ik weet het zeker. Ik kan het bewijzen. Ik heb het parkeerbonnetje nog  van het dashboard gehaald toen ik uitstapte. Maar waar heb ik het gelaten? Ik moet het vinden. Het asbakje in de auto? Leeg! Het bakje er onder. Veel bonnetjes, maar niet met de datum 25-03-2013. Denk goed na Roon. Toen ik uitstapte had ik het bonnetje dus in mijn hand. En toen? Het meest logische antwoord op deze vraag is: Weggegooid. Prullenbakken leeghalen dus. Op mijn werkkamertje, geen bonnetje. In de keuken: Niet dus. De vuilnisbak dan? Ik graai met mijn blote handen door de resten nasi en  satésaus. Gatver. Nog steeds geen bonnetje. Alle jaszakken en broekzakken onderwerp ik aan een grondige inspectie. Ik vind onverwachte zaken, maar geen parkeerbonnetje. Waar heb ik het bonnetje gelaten? “Alzheimer, Pa?” hoor ik weer van achter een telefoon.

En dan is daar mijn lieve vrouw ineens met het parkeerbonnetje. “Waar heb je dat nou vandaan?” “Gewoon, uit de vuilnisbak. Je had het in een leeg dropzakje gedaan en daarna weggegooid.”

Het bonnetje is nog helemaal schoon en ongeschonden. Hard bewijs van mijn goede gedrag. Zou ik onbewust geweten hebben, dat ik het nog wel eens nodig zou kunnen hebben? Zou ik daarom het bonnetje veilig in het lege Venco-zakje gedaan hebben, voordat ik het weggooide? Weer een bewijs van mijn paranormale gaven. Of klopt de theorie van mijn vrouw, die zegt dat mannen gewoon niet kunnen zoeken?

Ali

Ruim eenentwintig jaar geleden logeerden mijn vrouw en ik drie dagen in de prachtige Turkse stad Istanbul. Op één van de broeierige zomeravonden namen we een taxi om terug te keren naar ons hotel. Het werd een spectaculair avontuur in de duisternis van deze metropool. Tot op de dag van vandaag herinner ik mij deze tocht als spectaculairder dan een ritje in de Python van de Efteling.  Het was een oud geel karretje waarvan de verwarming blijkbaar niet uit kon en derhalve alle raampjes open stonden. Bij kruispunten werd niet gestopt, maar gas gegeven en met de lichten geseind en als er geen andere auto’s de doortocht belemmerde, werd er bij rood licht evenmin vaart geminderd en gewoon doorgereden. Voor de zekerheid gebruikte de chauffeur wel zijn claxon om de medeweggebruikers er op te attenderen, dat wij er aan kwamen. Zwetend van de hitte en vermoedelijk ook angst, kwamen wij aan bij het hotel en verlieten opgelucht de taxi. We hadden het gered!

Een poosje geleden had ik een soortgelijke ervaring met een Turkse chauffeur. Dit keer niet in de metropool Instanbul, maar Rotterdam.

Zoals wel vaker met verbouwingen liep ook die van mijn winkel niet helemaal volgens planning en moest er snel een houten vloer gelegd worden. De Nederlandse klusbedrijven en aannemers bleken niet in staat om snel zo’n vloertje te leggen. Gelukkig had ik nog het visitekaartje van Ali. Ali vond het geen probleem en kon dat vloertje er wel even in leggen. Hij zou zijn twee Turkse medewerkers meebrengen. We spraken om tien uur af, zodat we met zijn bus eerst langs de Gamma konden rijden om de zogenaamde OSB-platen op te halen en dan zou Ali dat klusje wel even klaren. Om elf uur komt Ali aanrijden met zijn twee landgenoten. Ali spreekt een beetje Nederlands en is dus de baas. Met z’n vieren rijden we naar de Gamma. Onderweg windt Ali zich op over auto’s die niet hard genoeg rijden of net iets te langzaam optrekken bij het stoplicht. Al scheldend en toeterend bereiken we de Gamma. We rekenen uit dat we ongeveer 14 platen nodig hebben. Er liggen er nog 6 in de stelling. De dame bij de klantenservice adviseert ons naar Gamma Spijkenisse te rijden, want daar hebben ze er nog voldoende. We rekenen de 6 alvast af en laden ze in de bus. Ze zijn te lang en de achterklep kan dus niet dicht. Geen probleem. Met een stukje elektriciteitssnoer wordt de achterklep vastgezet. Op naar Spijkenisse. Onderweg toont Ali mij de pillen die hij sinds gisteren van de dokter moet slikken. Het zijn hele grote en hij moet er drie per dag innemen. Hij heeft namelijk longontsteking, is gisteren in het ziekenhuis geconstateerd. Hij had bloed opgehoest en de dokter had geadviseerd om meteen naar het ziekenhuis terug te  keren, zodra zijn temperatuur boven de 38,5 zou stijgen. Terwijl hij dit vertelt, breekt het snoertje waarmee de achterklep vastzit en stuurt Ali zijn bus behendig de vluchtstrook van de rijksweg op. Daar sta ik dan met mijn drie Turkse vrienden op de vluchtstrook van de A20. Nergens meer een touwtje te vinden. Ali beveelt zijn maten om de riemen uit hun broek te halen en daarmee de klep weer vast te zetten. Met volle vaart rijden we door de Beneluxtunnel richting Spijkenisse. Vlak voordat we het stadje binnenrijden breken ook de riemen en schiet de klep weer omhoog.  Ali besluit om gewoon met open klep door te rijden en spreekt de hoop uit, dat we geen politie tegen komen. Angstig kijk ik achterom of de platen niet uit de wagen schuiven als Ali optrekt. We bereiken de Gamma en alle platen liggen nog in de bus. Mijn temperatuur zit inmiddels ruim boven de 38,5, maar ik troost mij met de gedachte dat ik geen longontsteking heb en dus niet naar het ziekenhuis hoef. We kopen de overige 8 platen en een spanband. Met in totaal 14 platen in de achterbak racen we terug naar Rotterdam, want het is inmiddels half twee en er zit nog geen schroef in de vloer. Onderweg zet Ali de bus nog één keer op de vluchtstrook, omdat de spanband niet helemaal lekker zit. Om twee uur stap ik met een natte rug en droge mond uit de bus en vraag of de mannen het de rest van de dag zonder mij af kunnen.

de fietssleutel

Moe maar voldaan wandel ik, na een dag hard werken naar mijn fiets. Het is altijd weer een vreugde om het oude trouwe beestje te zien staan. Ik werk wel in het centrum van Rotterdam, moet u weten. Een wereldstad waar ook vreemde types in de weer zijn met fietsen waarvan zij niet de rechtmatige eigenaar zijn. Mijn hand glijdt in mijn rechter broekzak en mijn vingers zoeken naar het fietssleuteltje. Niet te vinden! Ik krijg het warm en voel in mijn linker broekzak. Ook niet. Lichte paniek maakt zich van mij meester. Hoewel ik bijna zeker weet dat het zinloos is, onderwerp ik al mijn broekzakken en de zakken van mijn jas aan een grondige inspectie. Er komt van alles boven water: Snoeppapiertjes, een half pakje kauwgom, huissleutels, een mobieltje, maar geen fietssleutel. Wat nu? Kalm blijven Roon, denk ik bij mijzelf. Je hebt wel voor hetere vuren gestaan. In sneltreinvaart neem ik alle opties door. Terug naar mijn winkel. Misschien ligt het sleuteltje gewoon op mijn bureau. Het slot open breken. Maar heb ik daar dan het gereedschap voor? En gaat het mij sowieso lukken? Het is een degelijk slot en echt handig ben ik ook niet. Ik hoor mijn maag knorren, ik ben toe aan de avondmaaltijd. Als leider ben ik gewend om knopen door te hakken en besluit gewoon met het openbaar vervoer naar huis te gaan. Voordat ik naar het metrostation loop, kijk ik nog één keer goed naar mijn fiets en de plek waar hij staat. Kan ik hem zo een nachtje laten staan? Hij staat wel op slot. En dan ineens zie ik tot mijn stomme verbazing mijn fietssleutel. De hele dag heeft mijn fiets op slot gestaan met het sleuteltje in het slot. Midden in het centrum van Rotterdam. Is Rotterdam inmiddels de veiligste stad van Nederland of is mijn fiets zo oud en lelijk dat niemand er in geïnteresseerd is? Hoe het ook zij, het was een heerlijk ritje naar huis op mijn oude fietsje.

Ik reis met het openbaar vervoer

Hij staat onder de overkapping op het perron. Zonder jas, in een wit overhemd, niet eens een hemd er onder. Het is een graad of zeven en het miezert en dus valt hij op. Ik wacht aan de andere kant van het perron, daar waar de metro stopt. Hij moet nog flink doorlopen, want het is zaterdagochtend en dan hebben we maar een korte metro, maar hij is binnen. Ik zit. Hij blijft staan met blauwe vlekken op zijn armen en de rug van zijn handen. Die is niet goed, denk ik. Waarom is hij hier? Zou hij het huis uitgeflikkerd zijn door zijn vrouw? Zomaar, zonder spullen. “Oprotten jij, ik ben je zat!” Nee, hij is niet goed en heeft dus geen vrouw. Zou hij de nacht onder de brug doorgebracht hebben? Nee, zwervers hebben veel meer kleren aan en een blik bier in hun hand. Eendrachtstplein. Ik stap uit. Hij kijkt mij aan en blijft staan.

Een uurtje of negen later stap ik weer in en kan gelukkig zitten. Schuin voor mij zit een man met een klein schermpje voor zich, veel kleiner dan een iPad, maar groter dan een iPhone. Hij kijkt naar een echte speelfilm. Waar gaat die film over? Hij heeft oordopjes in en geniet. Ik hoor niets en kan de ondertiteling niet lezen, te klein. Ik geef het op.

Een jongen zit te spelen met zijn telefoon. Zie ik het nou goed? Met zijn nagel zet hij lijntjes op het schermpje van zijn telefoon. Het wordt een zeilbootje (dat kan ik beter).  Ik moet denken aan mijn toverleitje van vroeger. Misschien heeft u er ook wel zo eentje gehad? Met een plastic stokje kon je er tekeningetjes op maken en als het klaar was: rits rats en weg was de tekening. En die jongen denkt nu dat hij met iets heel nieuws bezig is. Het is gewoon oude wijn in een nieuwe zak.

Aan de overkant staat de man die elke avond in de metro leest. Hij doet dat staand, lopend, zittend en altijd zonder op te kijken. Ik wil weten wat hij leest, maar hij leest digitaal en dus zonder kaft. Ik probeer zijn gezicht te lezen. Houdt hij van humor of leest hij een thriller? Ik kom er niet achter. Zijn gezicht staat altijd in dezelfde stand. Jammer.

Ik reis met het openbaar vervoer, waardoor je veel mensen ontmoet en nooit iemand spreekt. Dat is boeiend, maar het levert wel veel vragen op.