Samen op de Fiets

Vandaag laat ik Opa Bram thuis. Waarom? Omdat ik met mijn vader Aad Schell op de fiets mee mag. Mijn vader werkt vol continue, dus onze tijd is schaars.
De fiets was een basis fiets, geen versnellingen, wel een bel, en een stoeltje aan het stuur.
Samen weg vond ik altijd leuk.
Oh nee, één keer was ik bang. Toen had mijn vader zich voorgenomen samen met mij naar de Kuip te gaan. Hij was een Spartapiet, heeft zelf ooit als jeugdige in het eerste van Sparta gevoetbald, dus ik denk dat het om een wedstrijd ging tussen Feijenoord en Sparta, maar ik durf er mijn hand niet voor in het vuur te steken.
Om een kort verhaal lang te maken: we hebben de tribune nooit bereikt. Waarom niet?
Assie durfde de trappen niet op. Veel te hoog, maar daar kwam ik halverwege pas achter, toen ik niet meer vooruit durfde. Dus tegen de stroom in terug naar beneden. En met het pontje terug naar de Parkkade.

Maar meestal fietsen we door het Havengebied. Het gedeelte tussen de Sint Jobshaven en het Marconiplein.
Langs de horlogemaker en langs Stokvis.
De wind in mijn gezicht en haren, soms mocht ik bellen, en mijn vader trappend tegen de wind in en voluit zingend.
Ja, zingend. Iedereen mocht weten dat we langs waren geweest.
En ik had ook mijn eigen partij in mijn favoriete liedje: “How much is that Doggie in the Window”.. Ik deed vol overtuiging de “woef woef”.

http://www.youtube.com/watch?v=L-U894UkSNI

Ik vond het fantastisch als hij zong. Maar ik was de enige geloof ik. Nu zong hij dus vaak op straat en verhaspelde teksten met ondeugende zinnen als: “Vader liet een frisse dreutel, vader lied een frisse wind, zie hem schuiven in extase…” Ik vond het hilarisch.

Maar goed, tegen de tijd dat wij van Gend en Loos aan de linkerkant voorbij waren, staken we over, oppassen voor de rails en eventuele goederenwagons en reden wij het echte havengebied in.

Mijn vader was ooit kraanmachinist en mijn moeder ‘stekker’- telefoniste bij hetzelfde bedrijf. Zo hebben zij elkaar ook ontmoet. Dit terrein was hem dan ook goed bekend.

Tegen die tijd zette hij weer een ander liedje in. Bijvoorbeeld “Bird Dog”. Ik verstond toen ‘sjannie is een sjoker’, maar ach, ik was maximaal 4 jaar oud.
Laatst vertelde iemand mij dat hij als kind het zo fantastisch vond dat Bad Moon Rising van CCR begon met “Assie a Bad Moon rising”. Herkenbaar dus.

Ik hield van de bewegingen in de havens, kranen die loom draaiden, ook op zondagen, om een schip te laden en te lossen. De loodsen, rails en goederenwagons die zomaar konden oversteken zonder spoorbomen. Zó spannend! En de krijsende meeuwen natuurlijk!
Dat havengebied is niet meer. Er staan flats op en appartementen met penthouses.
De rails is weg, de goederenwagons zijn niet meer.

Mijn vader is ook niet meer, maar nog steeds geniet ik als ik in een havengebied ben. De geuren, het nooit stoppende werk.

En.. nog steeds heb ik hoogtevrees.

Met Opa Bram…. verplicht door Rotterdam

Ja, het was fijn om met Opa door de Stad te banjeren. Alleen sóms…pfffff.  Dan was het niet zo erg leuk voor een klein Prinsesje. Dat waren de dagen dat Opa doelgericht op pad ging. Maar dat had ik altijd pas te laat door.

Het was dan een rondje apengapen gaar. Zelfs nu ik het neerzet moet ik geeuwen. En over het algemeen waren het ook uitstapjes waarbij het niet handig was mijn step mee te nemen.

Misschien vraagt u zich nu wel af, wat kan er in een bruisende stad als Rotterdam nu saai zijn. Nou, dat ga ik u haarfijn uitleggen.

Opa droeg ‘confectiekleding’, oftewel, één keer in de zoveel tijd moest hij langs de kleermaker om een nieuw pak op maat te laten maken. Natuurlijk ging ik niet mee om mijn Opa in zijn ondergoed te zien, maar op een of andere rare manier heb ik nu het idee dat hij sokophouders droeg. Door mijn Opa’s  kleding ben ik denk ik ook in de war geraakt wat wiskundig inzicht betreft, ik herinner me nog een intensieve discussie met hem over de reden dat het overhemd niet los gedragen kon worden wanneer je bretels droeg.

Bretels, standaard bij Opa’s outfit. Net als zijn hoed. Niet zomaar een hoed, nee, een Stetson gleufhoed met de perfecte deuk erin gemaakt. Grijs. Lichtgrijs, donkergrijs, antraciet…grijs. Deze kocht Opa bij Heniger. Een voor een meisje van zes een zó niet interessante winkel met hoeden, dassen, sokken en zakdoeken. Veel donkerblauw, bordeauxrood en dennengroen. Wat wel gezellig was, was dat deze winkel vlak bij de Grote Mart was. En als Opa dan een bosje paling kocht, mocht ik weer thuis lekker een vers gestroopte paling samen met hem opsmikkelen. Maar, pech voor mij, meestal was het een bokking. Of een gestoomde makreel. Nog steeds houd ik mijn adem in op de markt wanneer ik langs de visafdeling kom.

Meestal werd deze activiteit gecombineerd met een bezoek aan de longarts. Ik herinner me de Mathenesserlaan hierbij, het stuk bij het Heemraadsplein. En zomerdagen, met een felgroene hemel van de hoge en brede bomen die elkaar bijna raakten met hun kruinen van de ene kant van de straat naar de andere kant.

Maar het kon nog erger! Op de Oude Binnenweg zat zijn lievelings viswinkel. Mijn definitie was: de ergst stinkende viswinkel. Na een minuut hield ik het daar al niet meer uit. Ik moest toch weer een keertje inademen. Gelukkig voor mij was er in de etalage een aquarium, waar verse vis in rondzwom.  Ook allemaal grijs. Grijs water, grijze vis. Maar in ieder geval stond ik buiten.

In combinatie met deze viswinkel was er dan vaak nog een spannende tussenstop bij de.. postzegelhandelaar. Dat ik daar nooit in slaap ben gevallen is me een wonder. Minder erg, over zegels gesproken, was een uitje naar de D.E.-winkel om oma’s gespaarde zegeltjes te verzilveren. Ik herinner me dat we via de Lombardkade liepen dan.

U begrijpt, dat ik nooit postzegels ben gaan sparen, geen bretels draag en ook niet veel op heb met vis. Wel heb ik nog steeds Oma’s D.E.-punten liggen. Misschien van de zomer maar eens een nostalgisch wandelingetje naar de winkel bij de Blaak in de buurt. Ze maar eens in te wisselen voor een mooie grote koffiemok. Neem ik gelijk lekker Turkse Fetabroodjes mee voor de lunch, van de Mart!

Met Opa Bram door Rotterdam -5

– De zomer komt eraan. En met de zomer het tuinseizoen.
Oma en Opa hebben een Volkstuin. Niet zomaar een groentetuintje, nee, een echte grote tuin, met gazon en een huisje er op, waar je zelfs in zou kunnen overnachten. Een keukenblok, een zitbank, een eethoek. In het begin was er nog geen stromend water in de huisjes en moesten we naar de W.C. in het toiletgebouw bij de speeltuin.
De ‘Tuin’ is in Overschie. Zestienhoven heet het complex. Het is verdeeld in een nieuw en oud gedeelte. Oma en Opa hebben een huisje op het oude deel, het gezellige gedeelte. Als je van de Overschiese Kleiweg rechts de hol afliep, was Opa’s tuin aan je linkerhand. Eerst was er een plein, waar ik met plezier heb staan kijken naar fanfare optredens met een majorettegroep. Daar was ook het eindpunt van de jaarlijkse bloemencorso’s, de lampionnen optocht en het informatiebord te vinden. Dan liep je rechtdoor en op het hoofdpad aan de linkerkant was Opa’s tuin, Opa’s trots.
De allereerste dag van het seizoen was nooit zo leuk. Om bij het huisje te komen, ging je door het tuinhekje van zilver metaal met een ontwerp in spijlen van een opkomende (of ondergaande) zon. Dan lopen via de flagstones. We mochten uitdrukkelijk niet op het gras!! Dat was niet gemakkelijk, want het gras stond uiteraard erg hoog, na het winterseizoen. Aan het eind van het pad was het terras, waar in de zomer altijd een tafeltje stond met stoelen in elk een andere kleur waslijnzitting. Dan, uiteindelijk ging de deur van het huisje open. Een muffe lucht stroomde je tegemoet, opgesloten vocht en stof van maanden. In de vensterbanken lagen, op hun rug, dode vliegen. Je kon de zon door het stof zien schijnen.
Gelukkig voor mij was schoonmaken een taak van de ‘vrouwen’, dus ik ging met Opa eerst eens de tuin inspecteren. Staande, bekeken vanuit de deuropening van het huisje, was rechts het groente- en fruitgedeelte. Een moesappelboom, waar heel zure, wormgevulde, appels aan groeiden en waar Oma appelcompote van maakte. Deze werd vaak geserveerd met de verse tuinboontjes, die maar niet op leken te raken. De appelmoes was meestal nog lauwwarm. Net als de gekookte custardvla als toetje. Die was met vel. Ook had Opa aardbeien en kropgroenten. In mijn herinnering hadden we ook kroten, maar zeker ben ik er niet van. Helemaal voorin de tuin, tegen de heg aan, waren de bloemen. Mijn lievelingsbloemetjes waren de leeuwenbekjes. Fascinerend hoe je die ‘plop!’ open kon laten springen. In het midden van het grasveld, sorry Opa, gazon, stond een fiere perenboom. Ook niet vegetarisch, want, wormen inclusief. Aan de lange linkerkant waren struiken en planten. Maar er was ook een geheim… achter het huisje stond mijn lievelingsstruik, altijd in de schaduw. De klapbessenstruik! Pas aan het eind van het tuinseizoen waren deze kruisbessen rijp. Tot dan deden we het in de zomer met zelfgeplukte bramen, die langs het pad, dat oud en nieuw terrein scheidde, volop groeiden. Met emmertje en speelkleding aan struinde ik dwars door de gedoornde struiken, om compleet bekrast en geschaafd terug te keren met mijn volle emmertje. Achter die struiken was een heel groot grasveld, waar ik met het meidenteam mee mocht voetballen als kleinste en waar de jaarlijkse sportdag plaats vond.
Die speelkleren vielen in de categorie ‘bah!’, samen met tuinboontjes, warme appelmoes met stukjes en vla met vel. Opa had namelijk nog oorlogse handigheidjes. Waardoor ik dus behoorlijk voor joker liep. Mijn speelschoenen waren namelijk geprepareerd. Het waren te kleine schoenen, waar Opa handig de neuzen uit had gesneden. Ook was ik de enige die, na gevraagd te hebben of ik ook stelten mocht, op twee verschillende, aan beide zijden doorboorde, conservenblikjes met touwtjes door de speeltuin strompelde.
Toch was de tuin fijn. Ook al moesten we soms, door omstandigheden, lopend naar huis. Mij zie je niet op de vierdaagse van Nijmegen! En tuinboontjes komen er bij mij niet in. Nooit!

Met Opa Bram door Rotterdam -4

De zon schijnt, ook op de Willem Buytewechstraat, waar ik naast Opa druk aan het struikelen ben over het kleurrijke, samengeperste, balletje ter grootte van een tennisbal. Het zit middels een lang maar dun elastiek om mijn enkel en het doel is om, al lopende, je ene been in de rondte te draaien en dan met je andere been over het elastiek te springen. Zo kan ik mijn energie kwijt, druk bezig zijn en ondertussen bijna niet vooruit komen, zodat Opa mij bij kan houden.
Opa wandelt, zoals altijd wanneer hij ‘los loopt’, met zijn beiden handen gevouwen op zijn rug. Kuieren heet dat.
We lopen niet ‘zomaar’, neeheeeee, we zijn op weg naar het Heemraadsplein. Het is Koninginnedag. Overal hangen vlaggen uit. De zon maakt het alleen maar feestelijker. Met oversteken mag ik even niet huppelen. Ik volg Opa op de voet, als altijd gekleed in een driedelig pak, met bretels en stropdas, en daar overheen een trenchcoat in een gedekte kleur. Greige, heet dat tegenwoordig. Op zijn hoofd zijn onafscheidelijke Stetson herenhoed, mikpunt van menige duif of meeuw. Vandaag hoeft er geen das om de nek, het is lenteweer.
We wandelen langs Piet Heijn, waar ik even los mag gaan met het balletje om het standbeeld heen, terwijl Opa oversteekt en een plasje gaat doen in het eerste openbaar urinoir op onze route. Dan vervolgen we onze weg, over de ‘enge’ brug naar de Lage Erf brug en dan via het korte stukje van de Nieuwe Binnenweg naar het Heemraadsplein.
Het is een fijn plein, met veel bankjes, waarop Opa kan rusten en speeltoestellen van ijzer, felgekleurd. Ik zit graag achter het stuur van de Brandweerwagen op het pleintje. Aan de andere kant van het plein, grenzend aan de Mathenesserlaan, is een restant van de oorlog, een Bunker, een Schuilkelder volgens Opa. Aangezien ik schuilen op dat moment associeerde met regen, vond ik het een spannend stukje plein.
Vandaag, op Koninginnedag, is het druk op het plein. Je kunt er stoepkrijten, blikjes gooien, snoep en toetertjes kopen. Ik haal het balletje van mijn enkel en kijk bij de krijtschilderijen.
In die dagen waren de winkels nog dicht op Feestdagen, dus geen Jamin vandaag. Daarom krijg ik een lollie, door Opa gekocht op het plein. “Niet lopen met de lollie!” zegt Opa en ik ga naast hem zitten op het bankje helemaal links op het plein aan de kant van de Nieuwe Binnenweg. Maar niet voordat Opa zijn zakdoek op het bankje heeft gelegd, zodat mijn jurkje niet vuil wordt.
We kijken nog wat naar de mensen, Opa doet nog een plasje, en wanneer mijn lollie op is, gaan we weer kuierend huiswaarts.
Zelfde weg terug, alleen nu aan de overzijde van de straat. Thuis aangekomen kom ik erachter, dat mijn elastieken balletje nog steeds in mijn jaszak zit…

Met Opa Bram door Rotterdam -3

Toen ik net zeven jaar oud was zijn papa, mama, mijn twee zusjes en ik verhuisd naar een nieuwbouwwijk in Rotterdam. Ik wilde helemaal niet verhuizen! Ik zou Marian dan nooit meer zien en ook Robbie Koek niet, waar ik heimelijk verliefd op was. Hij heeft nog wel eens straf gekregen op school van de broeders omdat hij het lint uit mijn haar had gepikt. Ons gezin kreeg eerst bezoek van de verhuurder, of wij wel netjes genoeg waren om in een van hun flats te mogen wonen. Daarna gingen we naar een modelwoning. Er was een flat al klaar, even verderop en op de galerij kon ik op mijn tenen een kamertje inkijken. “Dat wordt jouw kamer, Assie”, zei mijn moeder. Ik vond het maar een saaie kamer. In augustus 1970 ging het dus gebeuren, de verhuizing, met pijn in mijn maag. Nu kon ik niet meer zomaar de hoek om en naar Oma en Opa gaan. En een hele nieuwe school… zouden ze daar ook kinderen slaan als die vlekken maken met inkt en pen in hun schrift? Of op een potlood kauwden?
Die kamer, die leek helemaal niet op de modelkamer, gelukkig maar. Het was wel heel raar allemaal. De flat was nog niet af, de derde verdieping had nog geeneens een reling, of ‘balustrade’ zoals mij geleerd was door Opa. En heel vroeg in de ochtend was er overal herrie, van de heimachines. Wel rook het buiten lekker, naar hout en nat cement.
Na de grote vakantie ging ik naar de nieuwe school. Naar de tweede klas. De school had nog niet zoveel leerlingen, het was lekker rustig in de pauzes op het schoolplein. En we mochten met gewone pennen schrijven! Geen kroontjespen meer, geen vlekken meer! Geen slaag meer, zodat mijn brilletje door de klas vloog. Met sommige dingen was ik verder dan de andere kinderen in de klas. Zo kon ik al goed overweg met let-ter-gre-pen en moesten zij dat nog leren. Aan de andere kant had ik nog nooit van HOOFDLETTERS gehoord. We kregen muziekles in een apart lokaal en niet onder begeleiding van een traporgeltje, maar met een muziekleraar op een ontstemde piano. Tenminste, dat zei de muziekleraar, over die piano.
Ook fijn was, dat ik niet meer zo ver hoefde te lopen naar school. En de wandeling was ook wel fijn. Geen winkels en etalages, dat niet, maar wel een mooi weiland met slappe koeienvlaaien en een kleine boerderij met een boomgaard. Omdat het poldergebied was dat ontwikkeld werd tot wonen droegen alle kinderen groene rubberen kaplaarzen, waar aan de binnenkant je initialen stonden. In je laarzen droeg je dan een soort warmhoudslofjes met een ritsje bovenop. Die hielden we dan aan in school. De kaplaarzen gingen in de hal onder de kapstok.
Al met al ben ik met veel plezier naar deze school in Ommoord (ja daar was het) blijven gaan.
En het aller- aller- ALLERMOOISTE…. Toen de torenflat klaar was, kwamen Oma en Opa er ook wonen!

Met Opa Bram door Rotterdam -2

Ik ben zes jaar al en ga naar de ‘grote school’. Mijn school heeft een hele fijne naam: de Sint Nicolaas school. Het klinkt of het er altijd feest is. Eerst zou ik naar de Piet Heijn school, in de Coolhavenstraat, om de hoek, waar ook mijn oma en Opa wonen. Maar die school had een nieuw beleid, ging ‘anders doen’, zei mijn moeder, dus werd ik ingeschreven op een andere school. Inderdaad, niks nieuws daar. Behalve dat er in het jaar van mijn aanname voor het eerst meisjes op die school mochten komen. Een Katholieke Basisschool, met voornamelijk Broeders. Het klooster was ernaast gelegen.

Broeder Bernardinus was het schoolhoofd en hij had altijd lekkere dropjes in zijn jaszak. Ooit heb ik zelfs de kloostertuin mogen zien. Niemand mocht normaal door de poort in de muur om het schoolplein, maar ik wel! Ik heb niet veel van de tuin onthouden, alleen al om het feit dat ik hem mocht zien. Dat was het meest bijzondere. De derde klas had een ‘Meester’, een niet-broeder. De eerste klas een juffrouw. Juffrouw Hagendoorn. Een juf met saaie jurken.

Naar school gaan was niet echt een pretje. Ik woonde in de 1e IJzerstraat, de school was bij het Marconiplein. Ik had korte beentjes. Ik weet de route nog. IJzerstraat, hoekkie om, Willem Buytewegstraat uit naar de Kolk, waar een nieuw zogeheten bejaardenhuis was gebouwd. Over de brug, jeetje wat was ik bang voor die brug. Ik dacht altijd dat de brugwachter me niet zou zien en de brug zou opendoen als ik er nog opliep. Daarom huppelde ik altijd over de brug, dan was ik beter zichtbaar… Langs het pleintje met Piet Heyn, geheel ondergepoept door de meeuwen en dan de heeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeeele Schiedamseweg af.  Langs de linkerkant en bij het kruispunt met aan de overkant Jamin oversteken. Dit om de speelgoedwinkel te vermijden, die had een belletje aan de buitenkant van de etalage en als je daarop drukte ging het treintje rijden achter het glas. Zo kwam je nooit op school aan.

Ik had een klasgenootje, al sinds de kleuterschool en zij ging ook naar dezelfde grote school. Mijn moeder en haar moeder hadden, zeer vooruitstrevend, een soort wandelpool bedacht. De ene week was het mijn moeders beurt en de andere keer de moeder van Marianne Blaak. Marianne moest nóg verder lopen, zij woonde aan het Kerkepad, bijna bij de Pieter de Hooghweg.

Op een dag kon mijn moeder ons niet komen halen en zij had Opa gevraagd de honneurs waar te nemen. Zo gezegd, zo gedaan. Ik was er opgewonden van, dit was wel heel bijzonder, dat mijn Held ons van school kwam halen. Na school hebben wij uuuuuren gewacht op Opa. Natuurlijk was dit misschien niet langer dan een kwartier. Toen besloten wij zelf naar huis te lopen, misschien was Opa wel verdwaald. We vonden het een goede oplossing, Marian en ik, en we hebben niet eens getreuzeld of bij de speelgoedwinkel op het belletje gedrukt.

Thuis aangekomen bleek, dat alleen Marian en ik het een goed idee vonden. Mijn moeder was ‘not amused’.

Opa had gewoon ergens anders op het schoolplein op ons staan wachten. Tsja, mobieltjes bestonden toen nog niet…..

Met Opa Bram door Rotterdam -1-

Ik ben drie jaar oud en al een echte dame. Mijn papa en mama en mijn pasgeboren zusje en ik natuurlijk wonen in de 1e IJzerstraat, naast Groenteboer van der Ven en tegenover van der Meer & Schoep.

Opa en oma, de ouders van mijn moeder, wonen om de hoek, in de Coolhavenstraat, boven de schoenmaker en zijn vrouw. Winkel voor, woonhuis achter. Verderop in die straat staat de Piet Heijn school met daarnaast een poort die toegang geeft tot het pad naar de kleuterschool, waar ik volgend jaar naar toe zal gaan.

Opa is mijn held. Ik geloof alles wat hij mij vertelt. Opa weet ook alles, lijkt wel. Soms zit ik op zijn schoot, met mijn rug naar hem toe, in zijn leunstoel. Om de zoveel tijd steekt hij beide armen recht vooruit, voor mijn gezicht. Dan lik ik aan de plakrand van zijn vloeitje en draait hij zijn sjekkie af om het daarna bij de eerder gedraaide sjekkies in een blikje te doen.

Opa is mijn held, maar ik ben zijn prinsesje. Wat heeft hij mij verwend en ook voor de mannenmarkt later verpest. Mijn stoel wordt aangeschoven, deuren voor mij opengehouden, mijn jas aangegeven en opgehouden…

Maar van dat alles weet ik nog niets. Wat ik weet is, dat Opa niet meer kan werken. Dat hij schuin achter het raam in zijn fauteuil zit, met zicht op het spionnetje. Zo kan hij zien dat de kolenboer eraan komt. Dat het druk is bij de slager op de hoek. Hoe de auto’s geparkeerd staan. Ik weet dat Opa graag een ommetje maakt. En dat Opa álle urinoirs in de Stad kent. Van buiten én van binnen.

Opa is een Rotterdammer, maar dat hoor je niet. Hij was loodsbaas in de haven vroeger. Opa leest graag en Opa gebruikt hele rare woorden. Chique woorden.

Toen ik dus die dag bij Oma en Opa was keek ik ook in het spiegeltje de straat op. Ik zag een agent van politie, zo noemde Opa dat, bij een auto stil staan, nadenken, naar zijn borst- en broekzak  gaan en dat hij begon met schrijven. Daarna stopte hij het briefje onder de ruitenwisser van de auto in kwestie.

Opa! Opa! Kijk die meneer krijgt een bon!!! Nee, meisje, dat heet geen bon maar een ‘proces verbaal’. Zeg maar na: Proces Verbaal. “Posesse baal” zei ik braaf. “Goed zo meisje” en ik kreeg een aai over mijn bol.

Zo, nu heeft u een beeld van Opa en Opa en mij. Ik zal mijn avonturen met mijn Opa in Rotterdam hier met u delen. Van Stadswandelingen tot een bokkum kopen op de ‘Mart’. En alles daar tussenin.