Feest-calorieën

Foto: Voorgerechten in wording © Irene Damminga

Zo, de decembermaand is weer achter ons.
Een maand vol feest en calorieën zal ik maar zeggen. Ik doe daar op mijn manier ook aan mee en ook ik ben wat zwaarder dan ik zou willen.

Sinterklaas doet me wat dat betreft weinig. Al die suikerzoete spullen; ik ben er eigenlijk niet van.
Kerst en Nieuwjaar zijn wat moeilijker. Ik ben een enthousiaste hobbykok en sta graag in de keuken, zeker met die dagen. Alles wat er met Kerst en Nieuwjaar op tafel komt heb ik (als ik het voor de eerste keer mijn gasten voorschotel) al minimaal één keer eerder gemaakt om zelf te proeven hoe het smaakt.
Zo was dit jaar mijn carpaccio-amuse meermaals op herhaling, omdat er in het aanvankelijke recept rauwe eieren zaten en dat kan volgens mij niet meer. Ik heb nog onlangs iemand horen zeggen: “Het gebruik van rauwe eieren is als een soort Russisch roulette. Eén op de zoveel eieren is tegenwoordig besmet, dus je weet nooit of jouw gerecht wel of geen slachtoffers maakt.”
Nou, je begrijpt dat ik dat niet op mijn geweten wil hebben, dus mijn romige zelfgemaakte mosterdmayonaise uit het recept heb ik op een andere manier gemaakt. Gewone kant-en-klaar mayonaise (ik had het kunnen weten) maakte de amuse te zout, maar met crème fraîche, fijne mosterd, dille, honing en wat andere ingrediënten werd (uiteindelijk) op Kerst een mooi voorgerecht gepresenteerd dat alom lof oogstte. Ja, er waren nog andere amuses bij het voorgerecht, maar daar gaat het nu niet om. Het recept van mijn mosterdmayonaise is overigens wel bij mij verkrijgbaar.

Het voorgerecht is tevens voorbode van nog veel meer lekkers dat daarna komt. Ik hou daar met eten sinds een aantal jaren rekening mee en verwen mijn smaakpapillen rijkelijk, maar met mate. Ik word er steeds beter in om dat (na veel oefenen) inderdaad met mate te doen, zodat ik ook nog van het nagerecht met volle teugen kan genieten; heerlijk!

Ook bijhorende wijn of anderszins geschonken alcoholhoudend vocht is een fnuikende boosdoener voor wat betreft de hoeveelheid die je denkt op te kunnen.
Met veel drank aan tafel proef je het eten minder en denk je dat je nog eens zoveel op kan dan dat de maag groot is. De gevolgen hoef ik hier niet verder uit te leggen, toch?
Ja, het valt niet mee om van een feestmaal ook en feest voor jezelf van te maken en daar heeft de kok helaas geen invloed op.

Hoe ik dit allemaal weet? Ja, ik ben ook maar een gewoon mens die met scha en schande heeft moeten leren!

Wat ik nou uiteindelijk na jaren geleerd heb?

Tja, hoe zal ik het zeggen.
Volgens mij word je niet zozeer dik van de dagen tussen Kerst en Oud & Nieuw, maar wel van de  dagen tussen Oud & Nieuw en Kerst.

 

© 2014 Marcel Vaandrager

Verplicht verdwenen woorden

Verplicht verdwenen woorden

 

Meer en meer worden vertrouwde woorden overboord gezet.

Waar ik het over heb?  Over Nederlandse woorden die uit de taal verdwijnen. Niet omdat we ze, zoals de woorden ‘wasbord’ , ‘beun’ (en binnenkort ook het woord ‘lucifer’), niet meer gebruiken of omdat ze vervallen omdat de tijd voortschrijdt. Nee, ik heb het over de woorden die op last van (marginale) protesten verdwijnen. Gaat er een belletje rinkelen als ik nog een keer het woord ‘Negerzoen’ noem? Of ‘Zwarte Piet’?

Ik weet niet waar deze waanzin van de dag vandaan komt of wanneer het precies begonnen is. Plots was het er, zo ongeveer toen onze voormalige Minister-president de zin ‘met de kennis van nu’ bedacht. Sindsdien houdt het niet meer op!

Zonder slapende honden wakker te willen maken wacht ik eigenlijk op het moment dat er een groep opstaat om de Zeeuwse Babbelaar de nek om te draaien, vanwege de babbeltrucks van onverlaten die laatstelijk negatief in het nieuws gekomen zijn. Bovendien staan Zeeuwen over het algemeen bekend als ietwat gesloten zuinige mensen, zeg maar, geen babbelgraag volk. Reden genoeg waarschijnlijk om de babbelaar te bannen.

Ook de Weespermop en de Jodekoek zitten in de gevarenzone, om er maar een paar te noemen. Laatstgenoemde wordt trouwens al sinds lang geëxporteerd onder een andere naam.

Ik begrijp overigens die ophef over Zwarte Piet niet echt. Op Radio één, de informatiezender van Nederland,  hoorde ik een historicus vertellen dat Zwarte Piet al sinds de 13e eeuw bestaat;  lang voor expansiedrift van de Hollanders.

Ik had eerlijk gezegd eerder verwacht dat er een aanval zou komen op Sinterklaas zelf. Zeg nou zelf, wie zit er deze dagen nog te wachten op een Katholieke bisschop die van kinderen houdt? Toch?
Ik verwacht ook nog wel een officieel protest van de Spaanse consul over ‘het voor straf in de zak meegenomen worden naar Spanje’. Dat land heeft het al zo moeilijk en kan met de huidig haperende toeristenindustrie deze negatieve reclame over het bestaan van een strafkolonie  in Spanje niet gebruiken.

Wat hebben we nog meer te verwachten. O ja, da’s waar ook. Onlangs zijn er diverse onderzoeken gepubliceerd over de erg nadelige invloed van suiker op onze gezondheid. Een van die onderzoeken sprak zelfs over een suikerverslaving die je kunt opbouwen zonder daar erg in te hebben.
Zullen we het Suikerfeest dan ook maar in de ban doen? Bovendien ken ik een aantal suikerpatiënten en geloof me, voor hen is suiker helemaal niet zo’n feest.

Waar dit allemaal toe leidt? Geen idee!
Ik mag hopen dat de Hollandsche verdraagzaamheid en nuchterheid waar wij in de wereld zo om worden geprezen weer wakker worden en iemand met gezag zich op niet mis te verstane wijze publiekelijk afvraagt waar we nu in vredesnaam mee bezig zijn.

Ik hoop oprecht dat we ‘met de kennis van dan’ wijzer worden.

Marcel P. Vaandrager

Zomertijd en schakelklokken

Ja, de halfjaarlijkse kwelling komt er weer aan. De overschakeling van, dit keer, wintertijd naar zomertijd.
Ik probeer altijd logisch te beredeneren of ik de klok nou naar voren of juist naar achteren moet zetten. Ik krijg het, ook na al die jaren, maar niet in mijn denk-systeem. Wat daar natuurlijk niet aan meewerkt, is dat het om het half jaar net omgekeerd is. Om dol van te worden. Over een half jaar weet ik niet meer hoe het nu ook weer zat en het omgekeerde daarvan dus al helemaal niet. En iedereen die ook met dit probleem worstelt moet onmiddellijk, maar dan ook onmiddellijk, stoppen met lezen, want van mij kun je niets leren. Ga wat anders doen: koper poetsen, collecteren voor een goed doel of zo, maar stop met lezen!

Voor alle anderen die het wel snappen en zich willen verkneukelen aan mijn onkunde (en voor die paar eigenwijzen die ik nogmaals waarschuw: ‘zeg straks niet dat ik je niet gewaarschuwd heb!’):  Ik ga proberen uit te leggen hoe het bij mij werkt.

Kijk, het is nu winter en de zomertijd is er om het langer licht te laten zijn, want in de winter is het vroeg donker. Nog vroeger in de middag is er, in de winter, nog gewoon daglicht, dus ik moet de klok vroeger zetten om het langer licht te laten zijn.
Dit ritueel voer ik jaarlijks uit en beredeneer op die manier vanuit verschillende invalshoeken dat het later donker moet worden dus dat de klok daarom vroeger moet worden gezet.
Ook nu, op dit moment, weet ik niet of ik het dit keer wel of niet goed heb beredeneerd, volgens mij wel.
Zo blij als een kind dat ik het nu echt goed heb, begin ik aan de volgende tantaluskwelling met opgeheven hoofd en vol goede moed; de schakelklokken. In de afgelopen jaren is deze volgende handeling een effectieve controle gebleken op het klokgebeuren van zojuist.
Nou, daar gaat ie dan: Met de zomertijd is het langer licht dus dan moet het licht ook later aan, toch? Ook dat overdenk en beredeneer ik een aantal maal en vol goede moed zet ik de schakelklok dus vooruit en de schakelpennetjes vroeger, want dan gaat ie later aan, omdat het langer licht is.

Meestal, zo rond dit moment in de procedure, begint mijn vrouw zich er mee te bemoeien. Dat levert nog wel eens wat vrolijke discussies op, want inmiddels lachen we om mijn onkunde in het overschakelen van de  zomer- en wintertijden. We hebben het vroeger, toen ik nog de overtuiging had gelijk te hebben, nog wel eens uitgetest of dat zo was. Steevast ging de wekker te vroeg af en gingen de verlichting te laat aan, of omgekeerd.

Voor al die eigenwijzen die er ook mee worstelen en toch doorgelezen hebben, is er toch nog licht aan het einde van de tunnel. Als je achter mijn bovenstaande logica staat en het ook op een dergelijke manier telkens bedenkt, gaat het dus fout.
Ik kwam er onlangs achter dat er een heel eenvoudig ezelsbruggetje is. Eh ….. de hele wereld schijnt ‘m te kennen, behalve ik dan en nog een paar van die sufferds.
Het enige wat je hoeft te onthouden dat in het VOOR-jaar de klok ook naar VOREN gaat. Dan gaat ie in het najaar dus de andere kant op; makkelijk hè.

Volgens mij is dat ezelsbruggetje gewoon bedacht omdat de rest van de wereld er ook mee worstelde hoor. Nou jij weer!

Vruchten, groente en fruit

Foto: Irene Damminga

Vruchten, groente en fruit 

Het lijkt zo simpel; boodschappen doen….
Gewapend met een boodschappenbriefje in de hand, betreed ik de supermarkt voor onze  dagelijkse behoeften. Op de groentenafdeling gaat het hopeloos mis. Ik weeg anderhalf kilo tomaten af voor een toekomstig heerlijk soepje, maar de weegschaal dreigt roet in het eten te gooien. Hoe ik ook zoek op het keuzemenu onder de categorie groenten, de tomaten melden zich niet.
Hoe kan dat nou? Zoiets simpels als tomaten? In zoveel variaties te koop in de bewuste winkel? Ik noem de tros-, vlees-, cherry-, cocktail-, en de gewone tomaten. Om nog maar niet te spreken over variaties van de pomodori die, dankzij knappe marketing, onder veel namen en in evenzoveel veel prijsklassen te koop zijn.
Maar goed, daar stond ik; met een zak tomaten voor een krachtige tomatengroentesoep en een weegautomaat die weigerde om ze van een prijssticker te voorzien.
Hmm,  weegau-tomaat, in deze context wel een bijzonder woord, toch?
Snel even boodschappen doen was er op deze manier niet bij en onder een inwendig gemopper ‘dat de automaat vast wel weer geprogrammeerd was door iemand die het ook moest leren’ ging ik op zoek naar een supermarktmedewerker.
Ik zal jullie de zoektocht naar de juiste medewerker en de discussie besparen, maar om een lang verhaal kort te maken (van snel even boodschappen doen was echt allang geen sprake meer): Tomaten zijn fruit. En inderdaad, eerlijk is eerlijk, na het intikken van de hoofdcategorie ‘fruit’ kreeg ik onder de subcategorie ‘tomaten’ uiteindelijk ‘mijn’ tomaten te zien.
Best wel onder de indruk van mijn fout (hoe dom kun je zijn?) besloot ik om het thuis aan Google en Wikipedia te vragen. En wat denk je? Die weten het ook niet!
De beschrijving van het verschil tussen groente en fruit van Wiki wil ik je niet onthouden:

Het antwoord op de vraag aan de hand waarvan bepaald wordt of een vrucht als fruit beschouwd moet worden of als groente hangt af van het standpunt van waaruit men de zaak bekijkt.

Ja, amehoela! Iets is ‘groente’ of ‘fruit’ en niet ‘soms groente’ en ‘soms fruit’!! Maar inderdaad, als je verder leest dan zie je dat AFHANKELIJK VAN HET STANDPUNT (hoe verzinnen ze het!) groente soms fruit en fruit soms groente kan zijn. Gewoon veel woorden om te vertellen dat ze ’t niet weten!

Al lezende en langzaam wijs wordend door- en op het internet blijkt trouwens dat er echt niets nieuws onder de zon is. Met name over ‘mijn’ tomaten bestaat al sinds eeuwen onenigheid. In 1893 besliste nota bene het Amerikaanse Hooggerechtshof dat de vrucht van de tomaat wettelijk als groente (en niet als fruit) moet worden beschouwd. Hè gelukkig, het ligt dus niet aan mij.

‘En? Wat heb ik nou geleerd?  Nou, .. In ieder geval dat er gerede twijfel bestaat over de categorisering van diverse groenten en fruit. En dat er eenzelfde discussie bestaat over kruiden en specerijen, maar die hoef je tegenwoordig gelukkig niet meer af te wegen. Wellicht daarover later meer.

En, niet onbelangrijk, ik heb geleerd dat als je even snel boodschappen wilt doen, je bij een kennelijk fout moet zoeken naar alle andere, niet voor de hand liggende, mogelijkheden.

‘k Heb er een lekkere tomatengroentesoep van gemaakt met wat fijngesneden groenten, waaronder sperziebonen. Sperziebonen …. geen groente, maar peulVRUCHTEN.

Goedkoop of voordelig?

Taal is en blijft iets boeiends. Niet alleen omdat onze taal ingewikkeld in elkaar zit met al z’n uitzonderingen, maar ook omdat onze taal leeft. Er komen bijna dagelijks nieuwe woorden bij en anders verzint de jeugd ze wel met hun snelle mediacommunicatie! Niet dat ik het daar over wil hebben, hoor. Ik moest het gewoon even kwijt. Nee, ik wil het met je hebben over woorden die al bestaan sinds mensenheugenis.

Van die woorden die zo door elkaar worden gebruikt dat je haast zou gaan denken dat ze écht hetzelfde betekenen. ‘Goedkoop’ en ‘voordelig’ zijn bijvoorbeeld van die woorden.

Nu is het wel zo dat als je op ‘een (goed)koopje’ uit bent, je op ‘een voordeeltje’ uit bent. En als iets voordeliger is, dan is het ook goedkoper, dus tot zo ver zou het kunnen kloppen dat we te maken hebben met twee synoniemen.

Anders wordt het als het als je er op je voordeligst uit wilt zien, hè dames? Je doft je op en probeert er zo mooi, aantrekkelijk, sexy, stoer en alles wat in deze categorie thuishoort, mogelijk uit te zien.
De desbetreffende dames zullen het me dan niet in dank afnemen als ik ze zeg dat ze er op hun ‘goedkoopst’ uitzien, toch? Alleen al de gedachten over wat mij dan ten deel zal vallen doet me bij voorbaat mijn levensverzekering verhogen.

Terwijl ik zo zit te denken over deze twee woorden, merk ik dat er eigenlijk best grote verschillen zijn. Niet dat ik me er goedkoop van af wil maken, maar als iets voordelig is, hoeft het nog niet goedkoop te zijn. Andersom is het ook waar: Iets wat goedkoop is, hoeft niet voordelig te zijn. Voel je het verschil?
Daarnaast is goedkoop meestal duurkoop terwijl voordelig daar zeker niet in dezelfde mate mee in verband wordt gebracht.
Nee, goedkoop heeft een zweem van ‘B –keus’ om zich heen. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de goedkope grappen van mijn vroegere buurman, terwijl de voordelige adviezen van mijn beleggingsadviseur mij geen windeieren hebben gelegd.
Tja, nu ik er zo mee bezig ben,  krijg ik haast de neiging om te stellen dat goedkoop eigenlijk de overtreffende trap van voordelig is; goedkoop is ‘te voordelig’, zou ik zeggen. En van huis uit heb ik geleerd dat overal waar ‘te’ voor staat niet goed is. Behalve ‘tevreden’ natuurlijk; en tequila.

Doe er je voordeel mee!

Marcel P. Vaandrager (www.marcelvaandrager.nl)

Rotterdam is echwel internationaal

Er zijn zo van die momenten dat ik blij ben Nederlander te zijn en (natuurlijk) in het bijzonder Rotterdammer.

Onlangs, met onze vakantie in Scandinavië, had ik weer regelmatig van die momenten. Ik zal je vertellen waarom.

Tijdens onze reis via Odense, Kopenhagen, Varberg , Trollhӓtten en nog meer van die plaatsnamen die je vroeger met aardrijkskunde hebt geleerd en waarbij je er nu achterkomt dat die aldaar heel anders worden uitgesproken (maar daar over later in deze column) viel het mij bij de eerste plaats al op dat er heel weinig staat aangekondigd in een andere taal als waar je bent. Niet bij campings, niet bij restaurants en zelfs niet bij een beroemde attractie als Tivoli in Kopenhagen. Alles alleen maar in de locale taal. Als buitenlander zoek je het maar lekker zelf uit!

Bizar, als je er eventjes over nadenkt dat er miljoenen buitenlandse toeristen Scandinavië jaarlijks bezoeken en het koeterwaalse taaltje (want ik maak er echt niets van) niet machtig zijn.
Zelfs in de restaurants die wij bezochten (en het maakte niet uit of dat op de camping was of in een heus restaurant) waren de menu’s alleen in de landstaal.

Voor mij extra bizar omdat ik me realiseer dat er in Rotterdam de laatste decennia altijd wel ergens in een deelgemeente de discussie wordt gevoerd om algemene (openbare) mededelingen ook nog in het Koerdisch, dan wel andere verre talen te publiceren.

Kijk, dat maakt in essentie waarom wij een internationale wereldstad zijn en de steden in Scandinavië  minder of niet. In Rotterdam kan je op bijna elke hoek van de straat in vele talen wijs worden gemaakt. Toen ik desgevraagd door een Zweedse journalist het serieuze antwoord kreeg dat hij ook niet begrijpt waarom zoveel buitenlanders zijn land en Scandinavië bezoeken ‘waar niet zo veel te beleven is’, begrijp je dat de oorzaak ligt in het niet trots zijn op je eigen land, stad en streek. Nou, dat is met Rotterdammers wel anders, toch? Wij zijn trots op de stad en het land waarin we wonen, ook al hebben we er wel elke dag commentaar op; dat hoort er gewoon bij.

Ik had het zojuist al over de (voor ons) onuitsprekelijke talen die daar worden gesproken. Wat zeg ik? Niet alleen onuitsprekelijk, maar ook onlogisch. Lezen wat er staat is er echt niet bij. Sowieso wordt daar in de meeste gevallen de ‘V’ als een ‘W’ uitgesproken, maar er worden daar ook klanken bij verzonnen die helemaal niet in het woord voorkomen.

Ik geef en voorbeeld:

We kwamen langs een plaats die ‘Tvaaker’ heet, alleen dan op allebei de ‘a’s zo’n klein rondje dat niet op mijn toetsenbord zit. Nou had ik inmiddels geleerd dat een ‘a’ met zo’n rondje erboven als een ‘è’ wordt uitgesproken, en soms als een ‘otje’. Omdat ik twee van die ‘aas’ wel heel vreemd vond heb ik gevraagd hoe je ‘Tvaaker’ uitspreekt.
Nou, hou je vast, want ook ik geloofde mijn eigen oren niet.

Tvååker  (jaha, ik heb het rare ‘aatje’ uiteindelijk toch weten te ontdekken op mijn laptop)
wordt uitgesproken als : ‘Twoo- ùh- Ke- ùh- ke’.  Dat moet je vloeiend als één woord uitspreken. En als je het daarbij dan ook nog heel ‘droog’ zegt zoals een echte Hagenees dat doet, dan komt het behoorlijk in de buurt.
Nou, je kunt me veel vertellen, maar dat staat er echt niet: Tvååker! Dat spreken wij heel anders uit, toch?

We zijn uiteindelijk één camping in de plaats Habo bij het Vӓtterenmeer tegengekomen die meertalig was. Een niet al te grote  gezellige  camping met alles erop en eraan op honderd vijftig meter afstand van het op één na grootste meer van Zweden. Zelfs bij de ingang werd je verwelkomd in vele talen, waaronder (jawel) het Nederlands. Je raadt het al; de eigenaren zijn Nederlanders. Een camping om te onthouden trouwens. Voor jong een speelplaats met skelters en zwemmen in het meer en voor de ouderen een mooie omgeving om te bezoeken of te wandelen/fietsen, schoon sanitair en een eenvoudig, maar compleet ingerichte keuken om (gratis) te koken en een (betaalde) mogelijkheid om te wassen/drogen.

Na alle belevenissen en de schitterend mooie gebieden die we hebben bezocht, ben ik altijd ook weer blij thuis te zijn, waar ze Rotterdam gewoon uitspreken als ‘Rotterdam’!

Hulptroepen in de Horeca

Een van de meest getroffen sectoren in deze tijd is volgens mij de horeca. Ja, ik heb het over het huidige ondernemersklimaat en wacht maar af, het gaat leuk worden.

Zeker nu het pas heel laat is gaan zomeren is het, zal ik maar zeggen, behoorlijk buffelen om de bedrijfsvoering in menig horecabedrijf goed draaiende te houden. Ik was deze week in Hoek van Holland en ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat alle strandtenten extra hun best deden om de klant te behagen. Op zich niks mis mee hoor, maar ik bedoel maar.

Zo waren we deze week ook in een restaurant aan het water waar we om 19.00 uur aanschoven op het zonnig terras. Onder de parasollen (of is het parasols?) was het goed toeven en zo met de ondergaande zon die de lucht zachtroze tot dieprood kleurde, mocht je je in een ver oord wanen.
Het was zo’n restaurant waar je je echt een welkome gast voelt. Zo’n restaurant waar je wordt voorgegaan naar je tafel en waar je nog net niet je stoel aangeschoven voelt worden. Waar niet alleen de gerechten goed op elkaar zijn afgestemd en alle warme gerechten ook worden geserveerd op voorverwarmde borden, maar waar de gerechten ook nog eens worden gepresenteerd in een mooie compositie qua kleur, vlakverdeling en lijnenspel. Elke gang een schilderij om op te eten zal ik maar zeggen.

Ja, ik hoor u al denken: ‘waar blijven die hulptroepen uit de titel nou?”
Nog even geduld, want ik probeer eerst te zorgen dat u het juiste plaatje op het netvlies hebt. En als u haast heeft, sla dan gewoon de vier volgende alinea’s over.

In dit restaurant wordt bij elke gang verteld wat er aan keur van op elkaar afgestemde lekkernijen op het bord liggen. Ik had het verrassing- viergangen menu en elke keer werd door het bedienend personeel buitengewoon bekwaam en gedetailleerd verteld wat er op mijn bord lag. Ik kan het niet zo mooi omschrijven, maar ik zal proberen om het nagerecht te beschrijven, want daar gaat het om.

Op een mooi groot rechthoekig plateau (want het woord ‘bord’ is hier niet op zijn plaats) lagen in een diagonale lijn de volgende lekkernijen:

Twee stuks, in een mooie ellips gevormde, softijs-achtige aardbeienmousse  op een bedje van gesuikerde geroosterde gebroken nootjes, drie grote glanzend zuiver ronde  afgeplatte kegels aardbeienbavarois met daar bovenop een kleine heldere halve bol donkerrode zoete aardbeiengelei. Het plateau was mooi aangekleed met een lichtrode aardbeiensaus en als contrast werd het geheel extra mooi geaccentueerd door het witte plateau, stukjes luchtige maïsgele cake, muntblaadjes en nog wat groene blaadjes waarvan ik niet meer weet wat dat was. Kortom, een plaatje!

Nu was me al opgevallen dat er ook bedienend personeel rondliep dat enorm voorkomend, gastvrij en vriendelijk was, maar (volgens mij) niet tot het ‘standaard’ bedienend personeel behoorde. Nu, met de drukte door het plotselinge goede zomerweer, waarschijnlijk ingezet voor andere taken dan waarvoor ze waren aangenomen, zal ik maar zeggen. Nogmaals; uitermate vriendelijk, gastvrij, behulpzaam en voorkomend hoor, maar ook hier geldt: ‘schoenmaker blijf bij je leest’. Een kok is uiteindelijk goed in het kok-zijn en niet noodzakelijkerwijs in het bedienen of de bedrijfsvoering, toch?

Nou, een van de ‘ik-ben-geen-bedienend-personeel’ mensen brengt het zojuist beschreven voortreffelijk mooie nagerecht. Het wordt keurig voor mij op tafel geserveerd. En op het moment dat ik verwacht dat er mooi beschreven wordt wat ik aanschouw, wordt mij een genoeglijk eten gewenst. Wanneer ik vervolgens informeer wat er nu weer voor moois wordt geserveerd is  het even stil en ik meen aan de blik in de ogen van de bediende te zien: “Dat zie je toch!”
Na deze korte stilte herpakt de zichtbaar uit het veld geslagen bediende zich (chapeau!) en meldt mij in keurige taal ‘Aardbeien met saus, meneer. Eet u smakelijk’.
Nu ik dit schrijf, heb ik er weer veel plezier in. Ter plekke hebben we er (nadat de bediende uit het zicht was) vreselijk om gelachen.

Een daggie niet gelachen is een daggie niet geleefd. Humor ligt gewoon op straat, je hoeft het alleen maar te zien en op te rapen.

Ik ga u  niet vertellen waar het was. Daarentegen adviseer ik u in deze verlate zomer eens uit eten te gaan en wellicht aanschouwt u hetzelfde. Als u gaat en er valt u niets soortgelijks op is het in ieder geval goed voor de (horeca)economie en u heeft een avondje niet zelf hoeven koken.

Eet smakelijk!

Bijvoeglijk Rotterdam

Nu de zomer van 2012 eindelijk doorbreekt trekken we er  weer op uit, lekker op vakantie. Moeten we trouwens wel snel doen, want voor je ’t weet is het alweer voorbij, toch?
Maar goed, als je dan zo aan het rondtrekken en aan het ontdekken bent, vallen er altijd wel van die dingen op die je aan het denken zetten; “Plaatsnamen” in mijn geval dit jaar. En dan vooral hun bijvoeglijk gebruik.

Kijk, wij in Rotterdam zijn daar heel duidelijk in. Je bent Rotterdammer of Rotterdamse, je houdt van de Rotterdamse haven en onze Marathon heet gewoon ‘Rotterdam Marathon’.
Neen, wij zijn niet zo van de ‘Rotterdammer Marathon’, of wat ze daar dan ook in andere plaatsen van maken. 

Ik  moet wel bekennen dat ik het allemaal ook niet zo snap, die bijvoeglijke vervoegingen; waarschijnlijk niet op zitten letten toen dit op school werd behandeld. Maar ja, zoals gezegd, ik snap het ook gewoon niet. Waarom heet het niet gewoon Edamse kaas? Waarom moet dan nou Edammer kaas heten?
Wij zeggen toch ook niet: ‘Rotterdammer haven’?
En wat dacht je van de overbekende haarlemmerolie? Jaha, dat mag gewoon aan elkaar geschreven worden en neen, ik ben niet vergeten om het met een hoofdletter te schrijven; dat mag niet! Sneekermeer mag ook aan elkaar, evenals Mokerhei, maar dan wèl weer allebei met een hoofdletter. Nou, gooi het maar in mijn pet hoor. 

Leuker (of onbegrijpelijker, kiest u zelf maar) vind ik de verwarring worden die kan ontstaan met de inwoners van plaatsen. Zo is de inwoner van Kampen een Kamper. Nou daar krijgen wij hiero een heel ander beeld bij, hoor. En waarom heet een (ook mannelijke) inwoner van Lemmer een ‘Lemster’?

Als je over de grens op vakantie gaat (jaha, want daar hadden we het over) wordt het allemaal nog veel leuker. Hoe denk je dat een inwoner van Hamburg heet?  Nou, die vind je zelf wel denk ik. Kwalijker in mijn beleving wordt het als je nog verder weg gaat. Zo ontdekte ik dat een inwoner van Boedapest een Boedapester heet.
Een Boedapester, hoe verzinnen ze het!
Klinkt in mijn oren goed genoeg voor een vervolging wegens smaad of discriminatie.

Maar goed, wist je dat er ook plaatsen zijn die (gelukkig) geen bijvoeglijke vervoeging hebben. Nee, echt waar! Vaticaanstad kent geen officiële benaming voor de inwoners. De inwoners van de Verenigde Arabische Emiraten trouwens ook niet, hoor. Ik heb bij die laatste nog zitten denken aan een ‘Emiratelaar’, maar dat deed mij zo goeroe-achtig aan, dat ik eigenlijk wel blij ben dat ze daar niks voor hebben verzonnen, want dat blijft het toch in mijn ogen en oren.

De ‘gaafste’ in Nederland vind ik trouwens een inwoonster van Weesp: een “Weespse”.
Moet je eens proberen dat tien keer achter elkaar foutloos te zeggen ……..

Ja, ik wacht wel, hoor.

En? Lukt niet hè?

Ben ik tot slot toch weer blij gewoon als Rotterdammer te zijn geboren. Ech wel!

Taalnomaden in Rotterdam

Je zou het niet verwachten in een grote en ontwikkelde stad als de onze, maar onlangs zijn er taalnomaden neergestreken in Rotterdam. En wel op Zuid.

Oké, nou niet gelijk denken aan diverse onderzoekers die alarm hebben geslagen over het zorgwekkend aantal analfabeten en laaggeletterden in Rotterdam. Dat zijn er trouwens zo’n negentig- tot honderdduizend. Da’s grofweg wel één op vijf!  (Dus als u de volgende keer  iemand wat wil laten lezen die ‘per ongeluk’ zijn leesbril niet bij zich heeft, bent u gewaarschuwd; u kunt zo maar te maken hebben met een laaggeletterde.)

Maar goed, taalnomaden.
Ik neem u even mee naar zaterdag 23 juni, naar de gezellige en goed georganiseerde festiviteiten van Bazar Bizar op de Charloisse Kerksingel. Een combinatie van een kleinschalig festival met optredens, een uitgebreide gezellige markt met kraampjes voor (vooral )jong en oud, de gebruikelijke eet- en drinkplaatsen en vooral een gemoedelijke gezellige sfeer die wijkoverstijgend was.  Heeft u het plaatje voor u?
Nou, dit geslaagde festijn (ik  schreef eerst ‘feestijn’, want dat was het, maar dat accepteerde mijn spellingscontrole niet) was tevens de start van een nieuw schrijvers- en dichterspodium. En, u raadt het al, De Taalnomaden.
Nou heb ik waarschijnlijk net als u een ander beeld bij Taalnomaden. Aan de andere kant, het blijft wel hangen, toch?

Genoeg dichters
Vanaf 13.00 uur werd er letterlijk op de spreekwoordelijke zeepkist voorgedragen door diverse dichters. Er was een rijke variëteit aan dichters qua leeftijd, gedichten en inhoud. Maar dat hoort ook bij een dichterspodium met een deels open karakter. Voor elck wat wils en een ieder moet de bühne kunnen betreden.
Het podium had van tevoren een aantal dichters gevraagd die al dan niet (locale) bekendheid genieten. Onder hen was ook Rieneke Minderman. Een tengere volksdame met stijl uit Oud-Charlois die de zestig ruim gepasseerd is. Voor haar een thuiswedstrijd dus.
Ik mag Rieneke graag horen. Ze heeft een afwijkende, maar zeer positieve en humoristische stijl van dichten, die gewoon bij haar hoort. Ze is altijd herkenbaar aan een keurige geheel roze outfit. En als ik zeg ‘roze outfit’, bedoel ik haar complete  uiterlijk, tot aan de bril en de roze strikken om haar dichtrollen.
Ik zal een voorbeeld van haar humor geven.  Rieneke droeg  onder andere ‘De concubine’ voor. Dat ging als volgt.

Ik wil nu graag het volgende gedicht voordragen. Dat heet ‘De Concubine’. Het gaat over mijn overgrootvader die een concubine had. Ik ga er van uit dat u allemaal weet wat een overgrootvader is. “

En vervolgens begint ze het gedicht.
Kijk, zo’n intro trekt langdurig de mondhoeken omhoog, toch?
Dus, als u een keer in de gelegenheid bent om Rieneke Minderman te zien voordragen, kan ik het u aanraden. Evenals een warme aanbeveling voor De Taalnomaden en een bezoek aan de volgende Bazar Bizar.
Allemaal Rotterdams en allemaal ‘Op Zuid’.

Rotterdammer; roots in Rotterdam

Tja, daar zit je dan. Voor de eerste keer effe wat schrijven voor ‘echwelrotterdams’.
Enneh, …… o ja, dank je wel dat je de moeite neemt om dit te lezen.

Rotterdammer zijn is net zoiets als het hebben van een koortslip. Je hebt er maar af en toe last van en iedereen ziet het aan je.

En je komt er nooit meer van af! Nou gaat bij dit laatste de vergelijking een beetje mank. Niet dat je er niet meer van af komt, maar in afwijking van een koortslip, vind je het als Rotterdammer ook niet errug dat je er nooit meer van af komt, toch?
Ik tenminste niet.
En, nu ik in Werkendam woon (jaha,  wel met evenveel letters en lettergrepen als ‘Rotterdam’ en ook nog eens een mooie grote haven!) ben ik hier wel iemand die uit de ‘grote stad’ komt. Voor wat dat waard is natuurlijk, maar kennelijk telt dat.
Dat er in Rotterdam zat dingen gebeuren die nou eenmaal ook bij een grote stad horen en hier (gelukkig  nog) niet, maakt ze niet uit.
Kom ik eigenlijk automatisch op het volgende: Een rasechte Rotterdammer kan niet zonder zijn stad, maar heeft tegelijkertijd een raar soort haat / liefde verhouding met de stad. Kent u dat? Of op zijn Rotterdams: ‘kennu dà?
Maar daarover later vast meer. Uiteindelijk is dit mijn eerste artikel en je moet niet overdrijven; doe maar gewoon.

Ik wil besluiten met een gedicht (een ode?) aan Rotterdam. Wel zo netjes, toch; zo voor een eerste keer.

Nou, daar gaatie dan:

Rotterdam

Roots in Rotterdam, trots op Rotterdam

Da’s gewoon hetzelfde, alleen dan op zijn Engels’ geschreven.

Ben dus Rotterdammer.

Geboren en getogen,
gepokt en gemaaseld.

Waar ik ook ben, na enkele woorden;
Je komt zeker uit Rotterdam?

Ja, toch? Nou dan.

We hebben de Vaanweg, de Vaandragerdreef en het Vaanplein.
Als je dan ook nog Vaandrager heet, ben je dan Rotterdammer of niet soms?

Ech wel!