Op het puntje van mijn tong

Ik ben van plan een stukje te schrijven over amnesie. Mijn volgende column gaat over vergeetachtigheid. De krokus is een geslacht uit de lissenfamilie. Eenzaadlobbig zijn ze, die iridacea. Zie je wel. Het is makkelijk om iemand anders de schuld te geven als je geheugen je in de steek laat. Maar wie? De familie van iridacea telt ongeveer 1500 soorten waarvan de safraankrokus het meest interessant is, wat rendement betreft.

De opvatting van mijn huisarts over rendement heeft sinds de terreur van de zorgverzekeraars een wending genomen waarvan men zou zeggen: Hoe noem je dat? Geheugenverlies heeft ook positieve kanten, die mij momenteel niet te binnen willen schieten, maar als de overheid zelfs het roken op een terras gaat verbieden, zeg ik: Hou toch op met die Arboriginals, dat waren de eerste bewoners van het Australische continent en die Austraalnegers hadden Wollongong of All Night Long van Big Jay McNeely. Daar wil ik van afwezen, maar niemand zegt iets.

Het is niet vreemd dat die klimaatspastici zich in allerlei bochten wringen. Het is onvermijdbaar dat men op den duur eh, een stadion bereikt dat – en dat zeg ik met alle respect. Nu ben ik het even kwijt, maar je begrijpt wat ik bedoel. We zullen uiteindelijk allemaal rekening moeten houden met – hoe noem je dat? – het inzicht, het besef dat, en dan heb ik het niet over mijzelf. Ik bedoel: sommigen zullen daar anders over denken, maar het is toch: hoeveel zielen, hoe schoner het volk, of zeg ik nou iets dat bij de heersende opvatting over – ik zeg maar – individualisme alle kanten uitgaat.

Neem nou bijvoorbeeld, hoe heettie ook al weer? Met dat boek over die vriendin. Zij was ooit met die gozer uit die televisieserie met die lange neger, die later nog van die dingen – hoe heten ze ook alweer?- is gaan verkopen met die gabber van hem. Weet je wel? Nou ja, anyway, je begrijpt wat ik wil zeggen. Ik heb hier ergens nog de notities liggen. Wacht even, ik pak ze er bij, maar waar had ik ze ook alweer opgeborgen? Ik heb een speciaal plekje voor dat soort zaken. Zodat ik het niet kwijt raak. Handig als je kwijt bent wat je zoekt. Eigenlijk is het niet zoek, maar ik heb het dan niet meteen paraat. Dan is het nog wel ergens, maar waar het dan is, dat is niet helemaal duidelijk. Vandaar die speciale opbergplek, die overigens na de laatste verhuizing compleet onvindbaar is.

Dus als je echt goeie filet van dat varken met die zwarte poten wil kopen, moet je naar – hoe heet die slager ook alweer? Hij zit op de – hoe heet die straat? – een soort tuin is het met zo’n park en go zone, of hoe noem je dat? Dat je even je auto kwijt kunt. Ooit had ik ook een auto. Parkeren, dat is het woord dat ik zocht. Precies, zoekt en gij zult vinden, maar die auto heb ik nooit meer gezien. Dat komt ook omdat ik een bril heb met van die vocale glazen. Die ligt waarschijnlijk nog in het handschoenenkastje, maar dat weet ik niet zeker. Wil jij nog wat drinken? Had je melk in je koffie? Twee klontjes toch?

Het is natuurlijk volkomen onzin dat de opwarming van de aarde de schuld is van die buitenaardse asielzoekers. Ze zitten nou in zo’n beeldende kunstcentrum voor zo’n griepprik. Koptelefoons verkocht die gozer. Wil jij nog wat drinken of had ik dat al gevraagd? Ik heb echt een geheugen als dat ding met die gaatjes. Mijn arts vroeg of ik er al lang last van heb. Ik weet ook wel dat je niet de draak moet steken met, hoe heet dat? Volgens mij komt het door Correct, want als Correct het niet heeft. Precies. Vergeet het dan maar. Je kunt er wel grappen over maken. Zo van: ik heb last van onthoudingsverschijnselen, maar wat schiet je er mee op?

Marktwerking wou ik zeggen. Ik weet alleen niet meer in welk verband. Vergiet. Het gebeurt regelmatig dat het mij te binnen schiet op de plee, maar je wilt toch eerst lekker afbouten, voordat je het op papier zet. Daarvoor zijn die memoblokjes best wel handig. Ik begrijp wel waarom die papiertjes een kleurtje hebben, maar dan liggen ze vaak op een onvindbare plaats en wees nou eerlijk, om je reet er mee af te vegen?

Verband. Nou weet ik het weer: farmaceutische industrie, maar vaak is het zo dat, als ik wat op zo’n memopapiertje heb geschreven, ik bij god niet meer weet wat de bedoeling is. Kijk, een boodschappenlijstje is best wel handig als je gaat shoppen, maar als je één woord hebt opgeschreven en je bent de hele contens kwijt, dan heb je er ook geen dinges meer aan. Dan kom je thuis met de verkeerde spullen en is de koffie op.

Trouwens, wil jij nog wat drinken? O, je hebt nog. Van die hulpmiddelen, zoals een fluitketel of een zoemer op de wasdroger, werken wel, maar als je het gastfornuis aan laat, dan. Help mij onthouden dat ik van de week nog die vent van de je weet wel bel en de belastingaangifte invul. Dat gezeik met dat – hoe heet het? – die toeslag, daar word je toch ook niet goed van. Die registergozer heeft mijn inkomen ook in de verkeerde box geanalyseerd. Zullen we nog wat drinken?

Van de week was ik nog bij die kunstschilder. Hij wordt nou door de gemeente zijn – hoe heet dat? – uitgezet. Het is toch een schande. Die gasten zitten er al twintig jaar. Had jij nou zo’n digitale memorecorder? Ik weet ook wel dat je, maar waar ligt mijn mobiel dan? Ik schrijf het wel op als ik mijn pen kan vinden. Registeraccountant heet het. Tja, die gasten maken eigenlijk de dienst uit en de politiek heeft er geen zak over te zeggen. De ene gozer van SP heeft er wel eens iets aan proberen te doen, maar wat precies weet ik niet meer.

Wat wil die Mark Wilders nou? Een revolver? Het lijkt wel of de hele Nederlandse je weet wel steeds debieler wordt. Hoe noem je dat? Functioneel analfabeet. Nou dan. Hele bevolkingsgroepen kunnen geen letter meer lezen, maar wel ouwehoeren over die bootvluchtelingen. Die tokkies kijken heel de tijd naar SBS omdat daar geen ondertiteling is. Ik zou flink je weet wel maken als ik die kunstenaars was. Die gasten zitten er al dertig jaar en ze worden nou uit hun atelier gezet. Wat krijg je dan? Dan komt er weer zo’n projectkakker die zijn zakken loopt te vullen. Revolte? Die blonde NSB’er laat nou echt zijn ware aars zien. Wou jij nog wat drinken of heb je nog? Waar was ik gebleven? O ja, je zou die memorecorder voor me meenemen of had ik dat al gevraagd?

Je wordt toch strontziek van die belastingen. Nou hebben ze mij weer in de verkeerde box aangeslagen. Help mij onthouden dat ik die aanklacht nog moet indienen en ik moet ook mijn vakantiefoto’s nog inplakken. Projectontwikkelaar noemen ze dat. Die ontwikkelen alleen hun eigen portemonnee. Ze hadden laatst zo’n projectje in de binnenstad. Hoe heet dat? Maar goed, van de week stond in de krant een verhaal over de fraude bij die club van hoe heet tie vent? Niet te filmen. Nou vergeet ik helemaal wat te drinken in te schenken. Pata negra filet is het. Best wel duur, ik geloof iets van 2,75 per gram, maar lekker! Je moet alleen onthouden om ze op tijd om te draaien.

Atelier, raar woord eigenlijk. Heb jij nou die cd van hoe heet tie nog gekocht? Met die drummer. Hij zat vroeger bij die Engelse band met die donkere zangeres, die later nog met die bassist van die heavy metal band is getrouwd. Ze hadden een hitje met. Hoe heet dat nummer? Ik zoek het wel even op. Eigenlijk moet ik al mijn cd’s nog op volgorde zetten, maar dat zijn van die kut karweitjes die steeds blijven liggen. Ze zijn nog op tournee geweest met die ene band in het voorprogramma. Ze maken van die, hoe noem je dat? Het was zo’n stroming uit de jaren tachtig.

Heb jij trouwens mijn sleutels ergens gezien? Ik las ergens dat ze bij. Nou ja, die zaak dus een harde schijf verkopen van één megabyte. Weet niet meer voor hoeveel, maar vond het wel interessant. O ja, New Wave. Is dit mijn glas? Zal ik wat te knabbelen inschenken? Een toastje met gerookte zalm misschien? Vette vis schijnt goed voor je geheugen te zijn.

© IJsbrand Flamminga

Vroeger in het oude Rotterdam

Wij hadden vroeger thuis geen vroeger. Wij gingen bij de buren, die hadden vroeger. Vroeger was duur. Wij hadden geeneens een vloer. Wij hadden een vuil en nat gat en daarom vochten wij. Wij wroetten op de vuilnisbelt en wij filterden het rioolvocht voor de thee, gezet van het zakje dat we van de buren kregen of de rest van de straat. Nou ja, straat… Het was meer een stinkende modderstroom waarvan zelfs de ratten waren gevlucht.

Wij hadden nooit tijd en als wij te laat kwamen, kregen wij ongenadig op onze sodemieter van de buurman, want onze vader moest 36 uur per dag werken. Als die zijn best deed, mocht hij eens per jaar naar ons vuile gat en hij nam dan voor ons een kiezelsteen mee om op te zuigen, maar dan moestie weer snel weg om zijn geleende sandaal terug te brengen.

Ik kreeg dan onze broek aan om de kiezel te gaan ruilen voor een hap zand, zodat wij die eerlijk konden verdelen onder onze 54 kinderen waarvan er eentje meestal dood was of opgegeten door mijn oudere broer, die zo ontzettend blind was dat wij hem ’s winters gebruikten om te kijken of er nog ergens iets brandbaars was voor de kachel, die wij eigenlijk niet hadden.

Sommigen van ons hadden wel eens gehoord van een bed. Dat was alleen voorbestemd voor de oudsten. De jongeren mochten nog niet horen. Dat kwam goed uit, want ze luisterden toch niet. Praten mocht alleen op vrijdag als mijn moeder een goede bui had. En dan enkel nog een paar woorden. Er waren maanden dat wij alleen één letter mochten zeggen. Dan ruilde ik met mijn broertjes bijvoorbeeld de ‘w’ voor een ‘h’, zodat je na vijf maanden hallo kon zeggen, maar dan moest je wel mazzel hebben. Waarover je dan ook weer een half jaar had gedaan.

De uitverkorenen onder ons groeiden op voor galg en rad of gingen naar sodom en gommora op de Blaak. Ik piepte meestal naar binnen, want het was voor boven de 18 en zo oud werden wij toen niet. Trauma’s zouden er door mijn moeder vakkundig uitgeslagen moeten worden, maar ze had nooit tijd. Dan had je pech, die wij onderling ruilden. Met Oud en Nieuw (in ons geval alleen Oud) kregen wij een klap en dan kon je er weer een jaar tegen.

Het was puur een kwestie van overleven. Wij waren blij als er iemand waterpokken had, want wij stierven van de dorst. Hoewel het zó donker was, dat wij niet precies wisten hoeveel kinderen er waren. Het komt allemaal weer naar boven, hoewel wij dat niet konden betalen. Bij speciale gelegenheden kregen wij een portie zure lucht van het abattoir. Dat moesten wij zeven en een mochten wij houden voor de kleinste, waarvan wij niet zeker wisten of hij wel bestond. Zo klein waren wij toen.

Vaak leek het of er helemaal niemand was. Soms hoorde je wel eens iets. Genieten was dat. Meestal was er niets. Niets was voor ons ook een buitenkansje. Je was met niets dolblij. Alleen dat werd dan weer afgepakt door mijn moeder om te bewaren voor slechte tijden. Dat lijkt gemeen, maar wij konden nooit iets achter de hand houden. Dat werd gebruikt als onderpand. Als wij dan zonder zaten, hadden wij altijd nog niets en dan was het feest. Maar dat was vroeger, hoewel wij dat toen niet hadden.

© IJsbrand Flamminga

Poetry International

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Poetry International

Ik las in het boek Achter de Schermen van de Kunst door Carin Gaemers over de oprichting van de Sectie Letteren van de Rotterdamse Kunst Stichting (RKS). Wat bleek? Na jarenlang het te hebben moeten doen met de G en de W kwam de Sectie Letteren eind 1970 tot de brood noodzakelijke uitbreiding met de M, de R en een halve B, die ook als D gebruikt kon worden.

Het zou tot 1991 duren, eer er geld was voor een paar klinkers. Dit was de aanleiding voor de uitgave van de Zonde Reeks, poëziebundels van Onbekende Dichters. Waarop het Grote Publiek reageerde met Ongezouten Kritiek (altijd beter voor de bloeddruk). Was het inderdaad niet zonde om zoveel letters te gebruiken voor Onbekende Dichters? Niemand wist wie zij waren. Bestonden zij eigenlijk wel? Was het geen truc om fondsen te verwerven en budgettair gezien de boel op te trekken?

En was onbekendheid niet hun eigen schuld? Ingezonden brieven met lekker veel letters naar de lokale pers hadden hun naamsbekendheid goed kunnen doen. Maar nee, zij lagen liever te rotten op hun door lege flessen goedkope wijn omzoomde bed. Waren zij niet beter uit met een betaalde baan? Gewoon hard werken dan op kosten van de Staat letters op het toenmalige papier te zetten?

Na dwingend en bovendien ambtelijk advies van de Secretarieafdeling Kunstzaken ging de RKS, om de Zonde Reeks kaliber te geven, over tot de aanschaf van het gehele alfabet, maar toen was het eigenlijk al te laat. Niet lang of kort daarna werd de RKS opgeheven en de Onbekende Dichters gingen met een bijstandsuitkering ondergronds. De opkomst van het barbarisme der Volkspartij beslechtte de doodstrijd van de Rotterdamse literatuur.

Creativiteit – in welke vorm dan ook – werd door de Coolsingel vakkundig in de kiem gesmoord. Daarom is het nooit wat geworden met mijn aanbeveling inzake een Substantiële Impuls voor de kwakkelende Duitse economie: hoofdletters afschaffen. Dit scheelt een heelal aan handelingen. Nooit meer wat van gehoord. Mijn suggestie om in het kader van de bezuinigingen verkeerslichten te ontwerpen met maar één kleur heeft het ook niet gehaald.

Bezuinigingen zijn van alle tijden en het onbezonnen elimineren van hoofdletters of zelfs klinkers heeft blijkbaar een tegengesteld effect. Het voornaamste doel van bezuinigingen is namelijk de productie van ambtelijke teksten. Het vakmanschap van Onbekende Dichters werd geruisloos overgenomen door Anonieme Ambtenaren. Gebruik makend van het totale alfabet ontstond er een onmetelijk brij van volkomen zinloze formuleringen met een poëtische waarde die alleen voor robotten begrijpelijk is.

De waarschuwingen voor de robottisering van de samenleving worden afgedaan als stuiptrekkingen van doemdenkers, maar in feite zijn wij – taalkundig gezien – al jaren lang het slachtoffer van Onverzorgd Taalgebruik (OVT). De hedendaagse media, zoals de radio en de televisie, facebook, twitter, keuzemenu’s, internet forums en whatsapp etaleren het gestage verval van de verworvenheden der Nederlandsche taal.

Een aantal ondergrondse dichters komt in verzet tegen deze verloedering. Hun moedige opstand is gebundeld in de Stichting Verzorgd Taalgebruik (SVT). De SVT helpt ondergedoken taalverzorgers met morele en financiële ondersteuning. Bibliotheekpasjes worden vervalst en illegale teksten met veel medeklinkers vinden hun weg naar gelijkdenkende lezers. Vrouwelijke koeriers verspreiden in alle anonimiteit de actuele berichten van de SVT. Een kleine, maar krachtige verzetsgroep schildert moeilijke woorden op graffitivrije muren.

Een groot succes boekte de SVT in de strijd tegen overbodige letters. Zo heeft de RET (Rotterdamsche Elektrische Tram) de melding ‘Buiten Dienst’ vervangen door ‘Geen Dienst’ en een delicatessenwinkel in de Lusthofstraat te Rotterdam-Kralingen verving de bordjes met het afkeer wekkende ‘eiersalade’ door het efficiënte ‘eisalade’. De bekende saxofonist Fred Fierst van Wijnandsbergen noemt zich voortaan simpelweg Fred Fierst.

In januari 2016 heeft de SVT het tot het Lidwoord van het Jaar uitgeroepen. De stond het afgelopen jaar op één. Daarmee kwam in 2015 een einde aan de hegemonie van een. Een kende een lange tijd een onaantastbare positie. De gestage groei van de en vooral het leidde tot de eenmalige keuze voor de. Naar alle waarschijnlijkheid overkomt het nu hetzelfde.

Het Lidwoordfestival is een aansprekend voorbeeld van het bewustmakingsproces dat een essentieel onderdeel is van het werk van de Stichting Verzorgd Taalgebruik. Steun de SVT met de donatie van een substantieel bedrag op de rekening van de stichting O.E.B. (NL15ABNA0896724657). Lid worden kan ook.

© IJsbrand Flamminga

Het ziet er niet uit

Tis wat, die KNVB-beker. De 17 miljoen bondscoaches, die Nederland rijk is, kunnen wel schieten op de voetbalbond, maar maandagochtend stonden vijftigduizend Rotterdammers in de stromende regen voor dat ding te juichen. De Coolsingel was een uitzinnige zee van mensen. Alhoewel rood en wit Feyenoords kleuren zijn, waren de meesten zwart gekleed. Het zal met het weer te maken hebben gehad, maar de euforie kende geen grenzen. De clubliefde ook en dat is vreemd, want zo goed gaat het niet met het voetbal.

Voetbal is technisch en tactisch gezien misschien wel de mooiste sport. Op papier dan. In de praktijk is het voetbal uitgegroeid tot één van de meest corrupte bezigheden van de laatste decennia. Omkooppraktijken passen wellicht in de tijdgeest, maar vermakelijk is anders en daarom gaat het toch bij het spelletje. Voetbal is amusement, maar het hedendaagse spel ergert mij. Het is jaren geleden dat ik een hele wedstrijd heb uitgezeten. Af en toe kijk ik nog naar een samenvatting. Ik heb geen abonnement op een voetbalzender. Op het internet zijn er talloze illegale (gok)sites, maar – ook al is het gratis – ik kijk er niet naar.

Als je onder de rook van de Kuip geboren bent, maakt Feyenoord deel uit van je DNA, maar ik heb betere dingen te doen dan mij op te winden over de geperverteerde mentaliteit van spelers die zich gedragen als verwende balletdansers. Door niet te kijken wapen ik mij tegen de grenzeloze irritaties over de zinloosheid van schwalbes en het groteske gejuich na het maken van een doelpunt. De gesimuleerde blessures en de ongebreidelde matennaaierij. De zeldzaamheid van tweebenige spelers. De incompetente scheidsrechters en het nodeloos uitblijven van de technologische ondersteuning ten bate van foutloze arbitraire beslissingen. Megalomane clubbestuurders en malafide makelaars van voetballers die onbelemmerd hun zakken kunnen vullen.

De extreme financiële wanverhoudingen. Voetballertjes die drie ton per week (!) verdienen. Spaanse clubs die een half miljard in de min mogen. De diffuse regelgeving waardoor het ene land wel en het andere land niet aan de bak komt en steeds dezelfde ploegen aan de top staan. De clandestiene overheidssteun en de torenhoge kosten van de massale politie-inzet met als gevolg dat de Hermandad niet meer aan haar eigen taak toekomt. Het primitieve gedrag van de zogenaamde supporters die met halfslachtige maatregelen niet in toom worden gehouden en hun fascistoïde lusten kunnen botvieren op van alles en nog wat.

Ik hou liever mijn bloeddruk op peil dan tot vervelens toe geconfronteerd te worden met matchfixing en andere vormen van machtsverstrengeling waarom de FIFA bekend staat. Of het gedogen van doping, homofobie en censuur, zoals tijdens het laatste WK. De dominante aanwezigheid van de exponenten van het grootkapitaal, zoals Coca Cola, McDonalds en Gazprom (!), zodat je tijdens een wedstrijd gedwongen bent ruim een uur naar reclames te kijken. Of het oeverloze gezeik over kunstgras door oude mannen op de televisie. Kunstgras ziet er niet uit.

Nu heeft Feyenoord na jarenlang geploeter weer een beker. Gefeliciteerd zou ik zeggen, maar waarmee eigenlijk? ‘We gaan Europa in’, zeggen de fans, een groep die nu niet bekend staat om haar liefde voor integratie op het oude continent. En dan? Dan winnen of verliezen we. En dan? Verlies nemen we en overwinningen worden gevierd. De uiteindelijke beloning is dan een ordinaire zuippartij.

Ik wacht het niet af. Ik word wel een keertje lazerus zonder kampioen te zijn.

© IJsbrand Flamminga

Kuip luchtfoto 446

Vroeger in het oude Rotterdam

Wij hadden vroeger thuis geen vroeger. Wij gingen bij de buren, die hadden vroeger. Vroeger was duur. Wij hadden geeneens een vloer. Wij hadden een vuil en nat gat en daarom vochten wij. Wij wroetten op de vuilnisbelt en wij filterden het rioolvocht voor de thee, gezet van het zakje dat we van de buren kregen of de rest van de straat. Nou ja, straat… Het was meer een stinkende modderstroom waarvan zelfs de ratten waren gevlucht.

Wij hadden nooit tijd en als wij te laat kwamen, kregen wij ongenadig op onze sodemieter van de buurman, want onze vader moest 36 uur per dag werken. Als die zijn best deed, mocht hij eens per jaar naar ons vuile gat en hij nam dan voor ons een kiezelsteen mee om op te zuigen, maar dan moestie weer snel weg om zijn geleende sandaal terug te brengen.

Ik kreeg dan onze broek aan om de kiezel te gaan ruilen voor een hap zand, zodat wij die eerlijk konden verdelen onder onze 54 kinderen waarvan er eentje meestal dood was of opgegeten door mijn oudere broer, die zo ontzettend blind was dat wij hem ’s winters gebruikten om te kijken of er nog ergens iets brandbaars was voor de kachel, die wij eigenlijk niet hadden.

Sommigen van ons hadden wel eens gehoord van een bed. Dat was alleen voorbestemd voor de oudsten. De jongeren mochten nog niet horen. Dat kwam goed uit, want ze luisterden toch niet. Praten mocht alleen op vrijdag als mijn moeder een goede bui had. En dan enkel nog een paar woorden. Er waren maanden dat wij alleen één letter mochten zeggen. Dan ruilde ik met mijn broertjes bijvoorbeeld de ‘w’ voor een ‘h’, zodat je na vijf maanden hallo kon zeggen, maar dan moest je wel mazzel hebben. Waarover je dan ook weer een half jaar had gedaan.

De uitverkorenen onder ons groeiden op voor galg en rad of gingen naar sodom en gommora op de Blaak. Ik piepte meestal naar binnen, want het was voor boven de 18 en zo oud werden wij toen niet. Trauma’s zouden er door mijn moeder vakkundig uitgeslagen moeten worden, maar ze had nooit tijd. Dan had je pech, die wij onderling ruilden. Met Oud en Nieuw (in ons geval alleen Oud) kregen wij een klap en dan kon je er weer een jaar tegen.

Het was puur een kwestie van overleven. Wij waren blij als er iemand waterpokken had, want wij stierven van de dorst. Hoewel het zó donker was, dat wij niet precies wisten hoeveel kinderen er waren. Het komt allemaal weer naar boven, hoewel wij dat niet konden betalen. Bij speciale gelegenheden kregen wij een portie zure lucht van het abattoir. Dat moesten wij zeven en een mochten wij houden voor de kleinste, waarvan wij niet zeker wisten of hij wel bestond. Zo klein waren wij toen.

Vaak leek het of er helemaal niemand was. Soms hoorde je wel eens iets. Genieten was dat. Meestal was er niets. Niets was voor ons ook een buitenkansje. Je was met niets dolblij. Alleen dat werd dan weer afgepakt door mijn moeder om te bewaren voor slechte tijden. Dat lijkt gemeen, maar wij konden nooit iets achter de hand houden. Dat werd gebruikt als onderpand. Als wij dan zonder zaten, hadden wij altijd nog niets en dan was het feest. Maar dat was vroeger, hoewel wij dat toen niet hadden.

© IJsbrand Flamminga

Larmoyant

Het woord larmoyant zie ik de laatste tijd steeds vaker. Dat komt niet omdat ik een nieuw abonnement heb op een krant met veel moeilijke woorden of ineens veel literatuur lees. Nee, mijn leesvoer is hetzelfde gebleven. Het woord larmoyant is met een gestage opmars bezig en dat is frappant. Ik zag het nota bene in het Algemeen Dagblad, niet bepaald een krant voor hoogopgeleiden die in Frankrijk hun vakantie doorbrengen of voor snobs met een tweede huis in de Provenc
Larmoyant is namelijk Frans. Frappant trouwens ook. Je hoort larmoyant niet veel. Soms, laat op de avond na een intiem etentje aan een Kralingse borreltafel, als iemand zeurt over de culinaire kwaliteit. Larmoyant komt nogal kakkineus over, maar dat kan veranderen. Als het maar genoeg gebruikt wordt, dan wordt het woord vanzelf minder elitair. Larmoyant betekent huilerig, klagend of sentimenteel. Niet iets om mee te koop te lopen.

Vandaar de vraag of de groeiende populariteit van het woord is te verklaren door de opbloei van het sentiment om ons heen en of de gemiddelde Nederlander daardoor zelf sentimenteler is geworden? Het zou zomaar kunnen. Met de komst van de commerciële radio en televisie ontstond de behoefte aan herkenbare emoties. Janken op de buis werkt namelijk omzet verhogend. Huilen is makkelijk, goedkoop en dus winst bevorderend. En daar gaat het om bij de commerciëlen.

De verdebielisering van de samenleving nemen zij voor lief. Sterker nog, der Volksverblötung, zoals de Duitsers het zo mooi noemen, lijkt opzettelijk de bedoeling van de mediamaffia. Huilen is normaal en van alledag. Tussen de reclames moeten we onze gevoelens ongebreideld kunnen uiten. Reclameboodschappen zijn ingeblikte sprookjes. Geanimeerde poppetjes die de onderkant van een toiletrand schoonspuiten, brandend maagzuur blussen, badkamertegels ontschimmelen, hardnekkige tandplak verwijderen en het nationale probleem van de kalkteennagel tot een goed einde weten te brengen. Zij leefden nog lang en gelukkig.

Onzin! We schaffen spullen aan die we helemaal niet nodig hebben. De drassige pulp waarmee de bevolking dag in en dag uit geïndoctrineerd wordt, leidt tot een toenemende frustratie, die op zich zelf weer tot gevolg heeft dat gevaarlijke sentimenten opbloeien. Terwijl onze samenleving feitelijk op een intellectueel en materieel hoogtepunt verkeert, wordt er momenteel meer geklaagd dan ooit.

Over zwarte Piet, over negers, over blanken, over de banken, over Griekenland, over Rusland, over China, over Amerika, over vluchtelingen, over het spoor, over moslims, over de regering, over links, over rechts, over de huizenmarkt, over de zorg, over de belastingen, over het onderwijs, over het voetbal en zelfs over het weer. Het is allemaal te veel om op te noemen en het is daarom niet vreemd dat men zoekt naar moeilijke woorden, maar toch komt het veelvuldig gebruik van larmoyant nogal pathetisch over.

Het woord pathetisch is van Franse oorsprong en betekent aandoenlijk. Ik voorspel het een grote toekomst.

© IJsbrand Flamminga

Transavia

We vlogen van Zestienhoven (rot op met je The Hague airport!) en weer was de sandwich van de maand uitverkocht, terwijl wij speciaal voor het broodje Meatball Red Onion in september hadden geboekt. Het overkwam ons vorig jaar ook. Ik zag het laatste doosje met de smakelijke driehoekjes voor mijn neus verdwijnen op rij 17, waar een gulzige dertiger de populaire vliegtuigsandwich ongegeneerd naar binnen werkte. Wij zaten toen op rij 18.

Dit jaar bevonden wij ons opnieuw in het midden van het – overigens zeer gedateerde – vliegtuig. Niet alleen wordt op die plaats het uitzicht door de vleugel ontnomen, ook is de kans groot dat naast de Meatball Red Onion ook de Chicken Pesto, de Creamy Tuna, de Crispy Bacon & Egg Salad en de Cheese & Slow Roasted Tomato reeds in de magen van de medepassagiers zijn verdwenen, voordat de crew met hun vreet- en zuiptrolley ter plekke is gearriveerd. Hetgeen geschiedde.

Machteloos keken wij toe. Onder het motto ‘profiteer en geniet’ konden wij wel een handje bremzoute pinda’s inclusief een blikje bier aanschaffen voor het equivalent van 9 gulden 35, maar zover kwam het niet. Naast mij ontstond onenigheid over de laatste saucijzenbroodjes, die door een naar het achterste deel van het vliegtuig gesticulerende stewardess in tot ontdooien werden gesommeerd. Het zou even kunnen duren. Zij waren namelijk diepgevroren. Inmiddels hadden mijn buren zonder handgemeen overeenstemming bereikt over de verdeling van de worstenbroodjes. Er waren er nog drie. Stoel 18 E en 18 F hadden nogal last van turbulentie, dus zij namen genoegen met ieder een halve vette hap.

Ik verbeet mij over de gang van zaken. Kan er niet beter worden ingekocht? De stewardess deelde mij mee, op een toon alsof ik zelf volledig verantwoordelijk zou zijn voor het falende inkoopbeleid, dat zij hieraan niets kon doen. ‘Wie dan wel?’, vroeg ik. Zo’n vliegtuigmeisje is vaker in de lucht dan ik en de maatschappij weet weken, zo niet maanden, tevoren hoeveel passagiers er zijn. Ik nam genoegen met een colaatje. Zij hadden alleen cola light. Niet omdat het vliegtuig overbelast was, maar de gewone cola was op.

Ruim een kwartier nadat de landing was ingezet wachtten mijn buren nog steeds op hun saucijzenbroodje. Ik drukte op het belletje voor tekst en uitleg. ‘Mijn medereisgenoten wachten al een eeuwigheid op hun hapje en waar was trouwens het karretje met de taxfree producten? Noemen jullie dit service?’ Het signaal fasten seatbelts had allang geklonken toen de kartonnen doosjes met de lauwwarme snacks alsnog verschenen. Niet lang daarna kwam een stewardess, die schijnbaar de MAVO wel had afgemaakt, naar mij toe met een formulier. Verheugd veronderstelde ik dat ik mijn klacht op papier zou kunnen zetten.

Tot mijn verbijstering kreeg ik een printje in de handen gedrukt waarop in minuscule letters (corps 6) en in vier talen gedrukt stond dat ik mij schuldig had gemaakt aan on-toe-laat-baar gedrag! Het betrof een laatste waarschuwing en kennisgeving van overtreding. Als ik door zou gaan, zou ik een strafbaar feit plegen. Mijn gedrag was in strijd zijn met de goede orde en discipline aan boord. Ik zou de veiligheid van personen, goederen en zelfs het vliegtuig in gevaar brengen. Waarna een opsomming volgde van categorieën van zogenaamd ontoelaatbaar gedrag. Overigens viel klagen over de service daar niet onder. Als ik geen gehoor gaf aan deze oproep, zou ik kunnen worden vervolgd onder Nederlands strafrecht, hetgeen zou kunnen leiden tot een boete van 45.200 (typisch Nederlands) euro of een gevangenisstraf van maximaal vijftien jaar!

Wat een onmetelijke gotspe. Het was dat ik mijn gordel om had. Is het vreemd dat sommige vliegtuigen exploderen? Alhoewel veel reizigers de lettertjes waarschijnlijk niet eens kunnen lezen. Dat ik door het cabinepersoneel gebruikt werd als kop van jut voor het schromelijk tekort aan service bleek nog eens vlak voordat wij de grond raakten. Toen pas kregen de saucijzenbroodjes hun wisselgeld terug. 18 A had zijn saucijsje niet eens gezien en 18 B kreeg een kwartje te weinig retour. Eenmaal op Turkse bodem deed ik mij, lichtelijk aangedaan, tegoed aan Sultans Kebab: gekruide meatballs met garlic yogurt en groenten op een broodje. Heerlijk.

© IJsbrand Flamminga