Toerist in eigen stad

Toerist in eigen stad Nou leef ik m’n hele leven al in deze mooie stad, en soms moet je jezelf eens dwingen om met andere ogen naar je stad te kijken.
Dat heb ik dus geprobeerd. Opmerkelijk toch wel. Zaterdag naar de centrummarkt gegaan, met vrienden uit 020, ja, ook dat kan, maak je geen zorgen, prachtige dag van gemaakt. Lopend over de markt begint het waarnemen.
Ik verraadde mijn afkomst doordat ik een trui aan had waar vrij prominent opstaat dat ik Rotterdam Gers! vind. Dus weer leuke commentaren ook. Maar kijkend naar de Rotterdammers op de markt zag ik weinig opvallends, gewoon een normale marktdag, luide marktkoopmannen, chagrijnige mensen met haast, winkelkarretjes voortslepende dames, vrouwen met net aangeschafte mooie bossen bloemen, vissen, groenten en fruit, kortom, een gewone marktdag in 010.
Tot het moment gekomen was dat we besloten de markthal eens te bezoeken. Op dat moment waan je je toerist in eigen stad. En dat had ik niet verwacht. Die hal staat er al even, wat me het meeste eraan opvalt is het aantal mensen wat apatisch naar het plafond staart als ze binnen komen, smartphone of fotocamera bij de hand, om hun bezoek vooral niet te vergeten.
Dat heeft iets weg van mensen die bij je thuis komen en ipv te groeten of om zich heen te kijken je schilderijen beginnen te fotograferen. Heel apart. En dan word je naar binnen gezogen door de shops, waar vriendelijk personeel groetend hoopt dat je iets wilt kopen. En eerlijk, er is veel, voornamelijk eten, te koop.
Het was de tweede keer sinds de hal er staat dat ik binnen was, maar veel zul je me er verder denk ik niet zien, het is een goede trekpleister voor toeristen, zag en hoorde veel nationaliteiten, maar voor Rotterdammers is het, wat mij betreft, buiten op de markt veel gezelliger. En delicatessen, die je er veel vindt, koop ik zelf ook liever in een delicatessenwinkel. Maar dat is persoonlijk, ieder voor zich in deze.

markthal 2

Beatclub Flamingo

Rond deze tijd moet het vijftig jaar geleden zijn dat ik mijn eerste popconcert bezocht (een halve eeuw!). Ik kan via Google niets over het concert vinden, zelfs niet over de zaal. Boven in het Flevogebouw bevond zich een ruime hal met een groot podium waar toen best beroemde bands hebben gespeeld. Volgens mij werd de zaal, of in ieder geval tijdens de concerten, beatclub ‘Flamingo’ genoemd.

In Engeland was in die tijd de gewoonte dat een band vaak 2 concerten gaf: het eerste op zaterdagavond, en daarna nog eens op zondagmiddag. Dankzij de geboortegolf was er een hoop jeugd dat de concerten wel wilde bezoeken, maar nog niet oud genoeg om op zaterdagavond laat uit te gaan. Ik vermoed dat zoiets in Nederland ook gebeurde. Of misschien werd zelfs alleen voor de zondagmiddagconcerten gekozen.

In 1965 was ik 13 jaar oud, en uitgaan op zaterdagavond was er nog niet bij. Maar op zondagmiddag ging ik wel regelmatig met mijn schoolvrienden op stap. Zo ook die zondagmiddag.

Flevogebouw

Er zou een echte beat-band uit Engeland optreden in het Flevogebouw: ‘the Action’. We hadden er geen van allen van gehoord, maar het feit dat ze uit Engeland kwamen, het land van the Beatles, had aantrekkingskracht genoeg. Een van de vrienden wist waar het Flevogebouw was: bij de markt, op de plaats waar tegenwoordig ‘de Hooge Marinier’ staat. De ingang was echter niet makkelijk te vinden. Een keer om het gebouw heen gelopen. Uiteindelijk bleek in de onderdoorgang, die de Hoogstraat verbond met het Pannenkoekhof, een deur te zitten die naar een trap leidde. Bovenaan de trap, derde of vierde verdieping zaten aan een tafeltje een paar jongens die de kaartverkoop regelden: 2,50 entree. Oeps, daar hadden we niet op gerekend. Een concert bezoeken kostte geld! Ik kreeg in die tijd 1,- zakgeld per week, de anderen niet veel meer. Blijkbaar waren ze dat bij de ingang gewend, en stelden meteen een oplossing voor: als we een uurtje konden wachten, mochten we het laatste deel van het concert voor 1,- bekijken. Het voorprogramma en een groot deel van het concert zouden we dan wel missen, maar nu we eenmaal zover waren, gingen we door natuurlijk.

Netjes op de trap gaan zitten wachten. Andere bezoekers kwamen langs. Ze waren allemaal een stuk ouder dan wij. En ook stukken groter, sommigen al met lang haar! Dat maakte het allemaal nog spannender.

Eindelijk was het uur voorbij, en mochten we naar binnen. Vlak naast het podium was de ingang, de Engelse band speelde hard en was al volop aan de gang. De ruimte voor het podium was afgeladen met veel te lange en duwende jongens. Ik kan me trouwens geen meisjes herinneren. Waren die er wel?.. We konden niets van de band zien en werden bijna onder de voet gelopen.

De zaal was een soort auditorium zonder stoeltjes. Achterin kon je steeds hoger klimmen. Wij gingen helemaal naar boven, en hadden een goed uitzicht op het podium en de zaal met springende mensen ervoor. Vermoedelijk inmiddels dronken, her en der lagen lege bierflesjes op de grond. Plotseling ontstond er onenigheid voor het podium. Een kolkende massa was het gevolg. Indrukwekkend om te zien vanaf de hoge plek bovenin. We stonden er wel veilig, maar schrokken toch toen we door kregen dat ze allemaal met elkaar aan het vechten waren. Ook omdat ze voor de uitgang stonden, vluchten zat er niet in. De band stopte met spelen, en riep iedereen op zijn kalmte terug te vinden. Dat lukte na een paar minuten, en de band speelde nog de laatste paar nummers.

Het werd een onvergetelijke middag. Mede dankzij de bloedende jongens die ik later op de gang tegenkwam.

Natuurlijk was ik meteen fan van the Action, en heb ik later twee singles van ze gekocht. Die zijn inmiddels heel wat waard, want ze bleken geproduceerd door George Martin, die in diezelfde tijd ook de productie van the Beatles deed. Dat zei me toen weinig. Ik vond het gewoon geweldige muziek van de eerste en daardoor beste band die ik ooit gezien had!

Action-NeverEver

Aldus Robert van der Kroft

De twee singles die ik later kocht, zijn ook op YouTube te vinden:

Shadows and reflections

https://www.youtube.com/watch?v=Dgqn8vvdT0c

Never ever

https://www.youtube.com/watch?v=AI-gSNAbh2A

En ook leuk:

I’ll keep holding on

https://www.youtube.com/watch?v=mUuaVWIPG6g

 

Moorkop

Op een van de laatste zonnige herfstdagen is het goed toeven op het terras bij de eendenvijver in Diergaarde Blijdorp. De weldadige rust die van de rood en geel gekleurde bomen uitgaat, wordt wreed verstoord door een naderende groep hard pratende vrouwen. Ze zijn zo druk en bewegelijk dat het moeilijk te zien is hoeveel het er eigenlijk zijn. Ze voeren een rolstoel mee met daarin iets, wat zo bedekt is met plaids en shawls, dat men alleen kan vermoeden dat daar een levend wezen onder verborgen zit. Als ze dan met veel geschuif van stoelen en pinnige commentaren over en weer eindelijk zijn gaan zitten, is nadat de kruiddampen zijn opgetrokken het groepje te overzien. Zeker vijf vrouwen hebben hetzelfde tanige uiterlijk, met dezelfde grote handen en dezelfde puntneus en dezelfde harde stemmen, waardoor je van een zusterlijke gelijkenis kunt spreken.
De zesde vrouw  is kleiner, blonder en ronder dan de zussen en bovendien toegerust met een koket, klein wipneusje. Ze is ronduit sensueel te noemen en valt lichtelijk buiten de groep, alsof ze bij het verkeerde reisgezelschap is ingedeeld. Het mensje in de rolstoel wordt door een aantal zussen zonder plichtplegingen ontdaan van de lappen en de shawls, waardoor er weer een puntneus als die van de vijf vrouwen tevoorschijn komt. Het dunne grijze haar van de moeder ziet er ongewassen en sliertig uit en haar magere handen omklemmen een versleten handtas met een fanatisme, die je alleen bij amateurtoneel spelers ziet die de vrek uitbeelden. “Is het niet te koud, moeder?” wordt er van alle kanten geroepen, zonder dat er op antwoord gewacht wordt. De opeengeklemde kaken van het vrouwtje geven aan dat enige opheldering van haar kant niet te verwachten is.
Nu is het tijd om onderling uit te maken welke versnaperingen er genuttigd gaan worden en wie het gaat halen. De langste zus heeft een blocnote ter hand genomen om de bestellingen te noteren. Er klinken kreten als “Ja, koffie met gebak” en “Doe mij maar een moorkop, als ze die hebben” en “O ja, willikook!” “En je zou aan de lijn doen!” “Kijk naar je eige”  “Moeder wil ook een moorkop, zegt ze”  “Neehee! Geen moorkop voor moeder, dat geeft zo ’n kleverige troep” “Ach, wat geeft dat nou voor een keer?” “Ja hoor, ruim jij het op? Ik heb d ‘r net verschoont. Ja, en ook een schone luier, dus ik heb mijn portie wel gehad vandaag”  “Dat haar zou ook wel eens gewassen mogen worden” “Ik zou zeggen: ga je gang en veel succes. De vorige keer gilde ze de hele tent bij elkaar” En zo babbelen de zussen verder over de verzorging van moeder.
Als eindelijk de afspraken zijn gemaakt, marcheren drie zussen kordaat in de richting van het restaurant, de andere twee zussen en de blonde schoonzus bij de moeder achterlatend. De stilte die volgt doet het vrouwtje een zucht van verlichting slaken en ze laat zich ontspannen achterover zakken in de rolstoel, met haar vlekkerig rode gezichtje naar de zon gekeerd. De stem van een achtergebleven dochter doet haar weer overeind schieten en de schoudertjes van schrik optrekken. Die dochter is waarschijnlijk in een verhaal blijven steken, want ze vertelt verder aan weer een andere zus, met de jengelstem van de achtergestelde, over een verbouwing waarbij van alles misging. Ondertussen onderhoudt het blonde schoonzusje zich met de oude in de rolstoel, die haar in eerste instantie achterdochtig aankijkt. De zachte lieve stem van de schoondochter heeft echter een ontspannend effect op het oudje, want ze reageert zelfs met een glimlachje op het onverstaanbare, zoete geprevel van de schoondochter, die zelfs haar oude hand mag strelen.
Dit liefelijke tafereeltje wordt echter ruw verstoord door de komst van de zussen met de versnaperingen, die onmiddellijk en met veel opgewonden gekakel worden uitgeserveerd. De langste zus sommeert het schoonzusje: “O, Betty?  Help jij moeder even met die appelpunt? Je kan het goed met haar vinden , zie ik. Ga d ‘r maar gewoon voeren. Dan zet ik je moorkop hier. Die kan je dan straks opeten.” En ze zet de moorkop uit het zicht van de moeder op een tafeltje achter haar, terwijl Betty met opperste verbazing kijkt naar het bazige optreden van de langste zus, die zich na de instructie onmiddellijk omdraait, om het gezag over het ronddelen van de verfrissingen verder te voeren. De zussen eten en drinken hun moorkoppen en koffie in een straf tempo op. Betty, die van verontwaardiging geen woord kan uitbrengen, probeert nu de moeder de appelpunt te voeren, wat geen eenvoudige zaak is omdat moeder niet erg meewerkt.
Grimmig gooit ze stukjes appeltaart naar de spreeuwen die daar massaal op afkomen. Betty houdt het voor gezien, staat op en trippelt naar het tafeltje met de moorkop, die ze staande en zo snel mogelijk probeert op te eten. De laatste grote hap gaat in een keer naar binnen. De moeder heeft nu de brokstukken van de appeltaart in haar tasje gefrommeld en klemt deze tegen de magere borst. De spreeuwen wachten intussen rustig af. De zussen voeren een hooglopende discussie over een heet hangijzer, want er klinken kreten als: “En ik heb altijd gezegd dat dat niet goed ging!” en “Ja, en wat doe we nou?” en “Ik bemoei me er niet meer mee” Al bekvechtend pakken ze hun boeltje bij elkaar en verlaten druk door elkaar pratend het terras, ijlings gevolgd door Betty die niet achter kan blijven en ook aan de discussie wil deelnemen. Als ze weg zijn is het ineens zo stil, dat het oudje ervan schrikt. Verbaasd kijkt ze om zich heen.
Dan begint ze met een gelukzalige glimlach de spreeuwen te voeren, die als een zwerm komen aangesneld, om op het tafeltje elkaar de stukjes appeltaart ernstig te misgunnen. Het moedertje kraait van plezier en spreekt de vogels vriendelijk toe. Deze idylle wordt wreed verstoord door komst van Betty die de rolstoel achteruit sleurt en er haastig mee vandoor gaat. Men hoort het moedertje hartgrondig vloeken terwijl ze de hoek om gaan.

Aad Wieman, Rotterdam 25-10-2015

Mitella.

Heel vroeger, toen er nog geen geldautomaten bestonden, moest je je geld bij de bank halen.  Zoals dat heette. En dat ging natuurlijk niet zomaar, daar moest je je voor legitimeren en een bepaald geldbedrag fluisteren in het oor van een nogal nuffige juffrouw, die het prachtige beroep van bankbediende uitoefende. Zij kreeg dan een autoritaire uitstraling, omdat zij ging kijken of je wel genoeg geld op je rekening had staan. Pas daarna zorgde de kassier, die in een soort terrarium met laden en schuiven huisde, voor de verlangde bankbiljetten en die werden je dan weer overhandigd door diezelfde juffrouw, nadat ze je naam afgeroepen had. Het envelopje met geld kreeg je als je je handtekening had geplaatst. Dan pas kon je het geld in eigen zak steken. Een tijdrovende gebeurtenis waar niemand over klaagde. In veel bankfilialen stonden houten banken om te zitten en werd de wachttijd gedood met luchtige conversatie. De cliënten hoefden niet heel erg op hun beurt te letten, zoals bij de bakker, want de bankjuffrouw had een zodanig scherp stemgeluid dat je zelfs buiten kon horen wie er aan de beurt was.

Voor de balie stond een forse jongeman, met grote geschrokken ogen en warrige donkere krullen.  Zijn rechterarm zat in een mitella ter grote van een laken voor een kinderbedje, waardoor zijn arm omhoog werd getrokken en zijn ruime sportjas als een soort Griekse toga om hem heen hing. Hierdoor werden zijn handelingen ernstig vertraagd, tot grote ergernis van de bank juf met de snerpstem. Ze had zojuist weer een staaltje van haar stemkunst weg gegeven toen ze de jonge man zijn naam luid afriep, waardoor hij paniekerig overeind schoot, zodat de jas van zijn omvangrijke schouder gleed tot deze de togavorm had aangenomen. Met zijn linkerhand frommelde hij met de bankafschriften en zijn paspoort hield hij tussen zijn tanden. De zichtbaar geërgerde bank employé  sprak alsof ze een kleuter voor zich had en bitste: “U moet toch echt wel een handtekening zetten, anders kan ik u nu geen geld meegeven, hoor. Is er niemand die u kan machtigen?” De jongeman mompelde iets onverstaanbaars en zakte wat meer in elkaar waardoor de jas op de grond gleed. Hij haalde wanhopig zijn linkerschouder op omdat de rechter niet meedeed, spuugde zijn paspoort op de balie en kreunde gesmoord: ”Ik heb het nu nodig… ik ben alleen. Geen hulp enne…” De bankdame keek hem kil aan, plaatste haar vuisten op haar goed gevormde heupen en opende haar mond om hem op zijn verplichtingen te wijzen, toen er vinnig op het raam van de kassiersvitrine werd getikt. Ze draaide zich theatraal om en keek recht in het zorgelijke gezicht van de kassier, die met gefronste wenkbrauwen, nauw merkbaar zijn hoofd schudde en bestraffend zijn vinger naar haar schudde. Met een dan-moet-je-het-maar-zelf-weten uitdrukking op haar toch wel knappe gezicht wendde ze zich weer naar gewonde jongeling, overhandigde hem de enveloppe met geld met de woorden: “voor deze ene keer” Met een vies gezicht en een pen duwde ze het paspoort in de richting van de jonge man, die even niet wist hoe hij dat aan moest pakken. “Wacht, ik help je wel even” klonk er een vriendelijke doch gedecideerde vrouwenstem naast hem.
Hij keek schuin naar beneden en stond oog in oog met een keurig gekleed, dametje van een jaar of 70, dat het paspoort van de balie griste en met een gracieus gebaar in zijn borstzak stak. “Laat me je even helpen. Je staat zo te tobben” zei ze met zachte stem en duwde hem weg van de balie en keek hem door haar brilletje lief aan. Haar wangetjes kleurden roze toen ze zei: “Ik hou er van als zo ‘n grote man hulpeloos is. Die moet ik dan helpen. Daar kan ik niks aan doen.” Onder het spreken hielp ze hem met zijn kleding en de mitella. Ze knoopte zijn jas zodanig dat deze niet meer kon afglijden, drapeerde zijn shawl om zijn nek en stak het geld in zijn binnenzak. Haar hand aarzelde, maar streelde hem toch even over de wang, waarbij ze op de teentjes moest staan en wees daarna vragend naar de gewonde arm. “Gevallen?” vroeg ze. Hij schudde blozend zijn hoofd en stotterde:  “Re-hugby.” “O? Rugby?” vroeg ze verbaasd.  Hij knikte bevestigend. Ze ging bestraffend verder: “Dat moet je ook helemaal niet doen, rugby, dat is toch veel te gevaarlijk? Dan kan je maar van alles breken.” Ze keek hem weer aan en fluisterde: “Pijn?” De jongen glimlachte dapper: “Ach dat valt wel mee hoor, mevrouw.” Zo babbelend waren ze bij de draaideur gekomen, waar het dametje hem doorheen hielp. Buiten namen ze kort afscheid. De sportheld verdween met verende tred om de hoek. Dit gesprekje had hem kennelijk goed gedaan. Het dametje trippelde door de draaideur terug naar binnen. Ze had een lichte glimlach op haar vriendelijke gezichtje. Ze bleef nog even naar buiten staan kijken. “Mevrouw Hagendoorn!!” snerpte plotseling de stem van bank medewerkster. Het dametje ontwaakte uit haar gemijmer, zuchtte en schudde lichtjes met de schouders. Daarna stapte ze met gebalde vuistjes kwiek op de balie af. Ze had nog een rekening te vereffenen.

Aad Wieman. Rotterdam, 5-10-2015

Op Zuid

Samen met een vriend die nu in Breda woont zijn we aan het brainstormen over mogelijke plekken om te wonen in Rotterdam. M wil graag samen met zijn vriendin een huis kopen in Rotterdam omdat dat qua werk handiger is. Budget genoeg, eisen hoog. Zo willen ze heel graag een tuin en moet je makkelijk bij Kralingse Zoom kunnen komen (auto/fiets/openbaar vervoer). 

Ze willen wel echt in Rotterdam wonen. Richting Alexander en Capelle a/d IJssel is al te ver, evenals Barendrecht, Hoogvliet of Spijkenisse. Kralingen staat nu hoog op het lijstje, maar daar heb je volgens hen enkel benedenwoningen of woningen ver boven hun budget.

‘Tja.. en op Zuid wonen?’ vroeg ik uiteindelijk. Zuid is super hip tegenwoordig. Zeer betaalbaar, je hebt fijne horecagelegenheden, genoeg winkelmogelijkheden, je zit zo op de snelweg en op de fiets of met de RET (het openbaarvervoer) zit je ook binnen 10 minuten op Beurs. 

Voor de mensen die niet uit Rotterdam komen: zo praten wij Rotterdammers. In metrohaltes. Soms geven die de naam van een wijk of gebied aan, maar heel vaak lijkt de naam (tegenwoordig) ook totaal random te zijn. Beurs is een algemeen begrip voor het centrum als je bijvoorbeeld wilt winkelen, omdat het o.a. de Koopgoot, Lijnbaan(plein) en Coolsingel kruist.

‘Zuid..’ verzucht vriend M. ‘Maar dan moet je elke keer die brug over,’ zegt hij op een erg zielige toon. Mijn vriend en ik beginnen keihard te lachen: héél die brug over! 

foto ondergaande zon Erasmusburg credit Sylvia Niemantsverdriet

Geschreven door Sylvia Niemantsverdriet

Meer van haar lezen? Check http://keepmovingforward.nl

Toedeledokie.

Om het grijs van zijn kleding, zijn kleine gestalte en de natgeregende stad te compenseren, had hij voor een fel gele paraplu gekozen, met als grootste voordeel dat hij duidelijk opviel in het drukke verkeer. Zeker als je bedacht dat hij de laatste tijd wat moeilijk liep. Je moet dat speciale technische tekenpapier wel heel erg nodig hebben om, door dit pleuresweer deze reis te maken naar die goede winkel. In deze winkel verkopen ze alles wat voor de uitvoerende kunstenaar van belang is. Namelijk: goed materiaal. Hij schudde zijn kleurige regenscherm uit, terwijl hij de winkel binnen drentelde en om zich heen keek op zoek naar de paraplubak. Nergens was de gewenste bak te vinden en dus richtte hij het woord tot een lange jongeman die bezig was een winkelstelling te vullen met tekenmateriaal. Met een hese oude mannenstem vroeg hij: ”Is die paraplubak er niet meer?” De jongen keek op: “Paraplubak? Nee, die hebben we niet” en ging snel verder met zijn werk. “ Ik kan me toch zoiets herinneren, er stond hier vroeger echt wel een paraplubak” mompelde het mannetje bij zichzelf, terwijl hij naar de papier afdeling scharrelde en onhandig manoeuvreerde met de natte paraplu, die hij uiteindelijk met een nijdig gebaar ergens neerpootte.
Na deze ferme daad stapte hij op de stelling af waar het begeerde papier moest liggen en keek zoekend rond. Ha, daar lag het: een A4 tekenblock met technisch tekenpapier van hoge kwaliteit. Er lag maar 1 block, verdomme. Terwijl hij de rekken afspeurde om te kijken of er toch nog ergens zo ’n block lag, hoorde hij een uiterst directieve vrouwenstem iemand op luide toon de mantel uitvegen, over een zojuist afgesloten telefoon gesprek, gevoerd door de jonge verkoper, die hij daarnet nog had gesproken. De cheffin sprak docerend, met zinnen als: “Je zegt eerst de naam van het bedrijf en dan je eigen naam en dan goedemiddag. En niet Hallo, met Tim, alsof je bij de klant op school hebt gezeten. Dat doe je niet. En ook niet roepen: Ja, ja het komt voor het bakkertje, jòh. Nooit popiejopie tegen klanten doen en vooral nooit een gesprek beëindigen met: toedeledokie!!!” Bij de laatste kreet moest de cheffin zelfs een beetje kokhalzen. Ondertussen was de lange jongen met gebogen hoofd naar zijn plekje teruggekeerd en de cheffin hurkte weer bij de kast met de dure viltstiften. Het mannetje bij de papierkast had alles met toenemende belangstelling afgeluisterd en kreeg een boosaardige uitdrukking in de spotlustige oogjes, nam zijn grijze hoedje af, woelde even door de schaarse witte haartjes, krabde krachtig in het witte baardje en rechte zijn rug om de aanval in te zetten. Hij stapte kloek tussen de schappen door tot vlakbij de cheffin, die inmiddels op de knieën ongemakkelijk rondkroop met haar prijzige viltstiften, waardoor het mannetje streng op haar neer kon kijken en haar op bestraffende toon kon toespreken: “Mevrouw!” “Meneer!” riep de cheffin op dezelfde toon, terwijl ze moeizaam overeind kwam en hem strijdlustig aankeek. Ze herkenden elkaar van vorige confrontaties. Oei, zag je haar denken. De oude wees op het block in zijn hand en sprak met honingzoete stem: “Is dit het enige zeichenblock von schoellershammer wat u in huis heeft of is er…”. “Nee, dit is het laatste, denk ik. We kijken even” viel ze hem in de rede en troonde hem haastig mee naar de papierkast, waar bleek dat er inderdaad geen andere zeichenblöcker meer waren. “Het spijt me.. Het is op.. Het is besteld.. sorry”
Het mannetje had enige tijd met de armen over elkaar naar haar geluisterd en keek haar minachtend aan. Zijn volgende tekst kwam er hees fluisterend uit en naar mate zijn betoog vorderde werd zijn stem luider en de toon hoger. De cheffin kromp bij elk woord verder in elkaar: “Dit is een hele slechte zaak.” Begon hij ” In zo ’n bedrijf als dit, mag dit geweldige papier niet ontbreken, vooral omdat dit het beste is wat men krijgen kan” Hij ging nog enige tijd pesterig door met het afsteken van de loftrompet over dit geweldige artikel, alsof het een reclamespot betrof en sprak verder op hoge toon: “En met sorry zeggen, heb ik nog geen papier. Ik had natuurlijk eerst even moeten bellen, voordat ik door dit kutweer hier naar toe kwam en moeten vragen of het er was. Hoewel ik net heb begrepen dat ik dan een of andere vlegel aan de telefoon had gekregen en dan was ik echt in de aap gelogeerd geweest. Maar, voordat ik vertrek, rest mij nog 1 woord en dat ga ik nu zeggen. En niet 1 keer maar wel 12 keer.” Hierbij stelde hij zich op alsof hij een duizendkoppige menigte toe ging spreken en riep: “Toedeledokie, toedeledokie en toedeledokie. Dat zijn er al vast drie.” En aldoor toedeledokie zeggend liep hij, zonder om te kijken naar de kassa, rekende zwijgend af met een erg lief uitziend meisje, die er duidelijk niets van begreep en beende naar de deur, draaide zich om en riep: “En met een welgemeend toedeledokie verlaat ik nu het pand” en stapte door de dubbele deur naar buiten, kwam daar tot de ontdekking dat het nog regende, keerde op zijn schreden terug en liep met afgemeten pasjes gehaast de winkel door tot bij de gele paraplu, die hij weggriste en vervolgens weer naar buiten snelde. Hij had zich zijn triomfantelijke aftocht duidelijk anders voorgesteld.

Aad Wieman. Rotterdam, 1-10-2015.

Eierkoek.

De bedwelmende geur van vers gebakken brood, drong vanuit de grote bakkerij het winkeltje binnen, waar de huisvrouwen, die met de portemonnee in de hand, de tas aan hun arm, op hun beurt stonden te wachten. Ze babbelden er intussen lustig op los over allerhande belangrijke onderwerpen zoals het weer, hun man of zaken als: “ik zag dat Riet een nieuwe jas heb, waar doet ze het toch van” of “Kraaig jaaj auk oltijd zo honger van die luch? O, het doet gewaun zeer, joh. Ik mot gauw wa-tebbe, eh koekie of zo, want Ik valt toch ech baaina van de graat, daaluk. En dan een lekkere kom zuipe d ‘r baaj. Weetjenie?” Of “Maaid, ik seg-nog-tege-me-man-ik-zeg. Ik-weenie-wak-heb-mareeehh….”enz. enz. Zulk gezellig gekout hoorde men meestal elke morgen in deze nering en de gemiddelde clientèle genoot hiervan. Vooraan bij de toonbank met de smakelijk gevulde vitrine stond een moeder met een wandelwagentje waarin een brabbelende baby lag. Naast haar hipte en danste een jongetje van een jaar of acht, die behept was met een opmerkelijk woeste, vlammend rode kuif. Water, brilcream, borstel en kam hadden duidelijk geen vat op zijn haardos, dit tot ergernis van zijn moeder die telkens met haar vrije hand zijn stugge pruik probeerde te temmen. Ze was duidelijk zeer moe, wat niet direct aan het haar van haar zoontje hoefde te liggen natuurlijk. Het jongetje liet zich de ruwe liefkozingen van zijn moeder welgevallen alsof het een noodzakelijk kwaad betrof en had zich inmiddels zuchtend op de vitrine gestort om de daarin opgetaste lekkernijen likkebaardend te bewonderen. Aan de beweging in zijn rug zag je een idee ontstaan, want hij knikte blij en wees naar iets in de vitrine. Zijn moeder had geen oog voor hem omdat ze hier, in deze winkel scherp op haar beurt moest letten. Met een aandoenlijk hees stemmetje sprak het jochie snel: “ Mam, maggik een eierkoek?.” “Wat? Nee” “Ma-ham, maggik een eierkoehoek?” “Nee, Roel. Je krijgt geen eierkoek” Sprak de vrouw beslist. Je kon aan haar toon horen dat ze dit al vaker aan de hand had gehad en dat zwichten voor zijn smekende blik op de loer lag en dat was vandaag niet de bedoeling. Hij was toch al zo verwend. Hij pakte haar hand en richtte nu zijn beruchte smekende blik op haar, met de bedoeling haar van binnen te doen smelten. Ze rechte haar rug en werd gered door het winkelmeisje dat haar vragend aankeek. Ze was gelukkig aan de beurt en begon duidelijk en ferm haar bestellingen te plaatsen. Het jongetje zag dat zijn methode niet werkte en wierp zich theatraal voor de vitrinekast, keek verlangend naar binnen, stak zijn handen hemelwaarts en zuchtte met verstikte stem: “Ik krijg ook nooooit een eierkoek” Hij slikte want hij wist dat huilen geen zin had. Dat was meer iets voor zijn zusje. Hij besloot tot een andere strategie. Als zijn moeder een bestelling had uitgesproken siste hij er gauw “en een eierkoek” achteraan. “Een heel wit en een halfje knipkrop..” “En een eierkoek” Na de derde kreet om de eierkoek schreeuwde moeder “Hou op, Roel. Nee, Je krijgt geen eierkoek.” Roel stak nu boos zijn handen in de zakken van zijn spijkerbroek en zweeg verbeten. Al die tijd had een grote zware man met een forse, lichtgroen geruite pet op het hoofd, op een afstandje geamuseerd staan toekijken. De lachrimpels naast zijn ogen verrieden hem, terwijl hij probeerde zo ernstig mogelijk naar eierkoekenstrijd te kijken. Toen hij aan de beurt was bestelde hij: “Een halfje volkoren en O, ja. Geef mij al die eierkoeken” Het effect op roodharige Roeltje was adembenemend. Het anders zo kleurige gezichtje werd spierwit, zijn lichtgroene ogen veranderden in donkere poelen van woede. Hij draaide zich langzaam en met gebalde vuisten naar de verachtelijke figuur die zo laaghartig al zijn eierkoeken inkocht en verhief zich om de onverlaat van repliek te dienen, toen zijn moeder op tijd ingreep met de corrigerende kreet: “Roehoel!!! Je houdt je mond, hoor. Die meneer moet zelf weten of hij 1 of 16 eierkoeken koopt. Daar heb jij niks mee te maken.” De jongen liep leeg en kon zijn tranen nauwelijks bedwingen. De man met de groene pet stapte op het teleurgestelde ventje af en diepte uit de zak een eierkoek op en hield het de jongen voor, die verbaasd opkeek en met een triomfantelijke blik op zijn moeder de koek aannam. “Ach, dat hoeft helemaal niet hoor meneer. Hij hoeft niet altijd zijn zin te hebben” en tegen haar zoon: “Wat zeg je nou?” “Hij hoeft niks te zeggen hoor, mevrouw. Ik ben jarig vandaag en dit is voor mij collega ‘s. Jullie hoeven me niet te feliciteren en een goede morgen nog allemaal” Hij nam met een zwierig gebaar zijn pet af en daar onder bleek hij het zelfde weerbarstig rode haar te dragen als Roeltje. De aanwezige klanten keken allemaal verbaasd zwijgend de groetende man na en begrepen: ze waren getuigen van een staaltje solidariteit van roodharigen onder elkaar. Daar ga je niet tussen komen

Rotterdammer

Rotterdammer Ben je voor het leven. Of je er geboren bent, of je er niet meer woont maar de stad mist, dat gevoel gaat nooit meer weg.

Onlangs was ik voor een week op vakantie, dus echt uit de stad, maar als ik dan zie in m’n koffertje wat ik meeneem: een Gers! magazine, een paar t-shirts met daarop een duidelijke tekst, laten we zeggen, Rotterdamse teksten en het lijkt daardoor wel mee te vallen, met het missen van je stad. Want het is heerlijk om effe weg te zijn, maar weten allemaal dat we weer thuis zijn als we de van Brienenoordbruggen aan de horizon zien verschijnen.

En wat dat nou is, die liefdesverhouding van een man en zijn stad, het is niet eens te verklaren. Wat ik standaard doe als ik in het centrum geweest ben, is even naar het beeld van Zadkine, de Verwoeste Stad, dat beeld dat zo goed verwoordt dat we een moeilijke geschiedenis hebben gekend. Dat is voor mij een rustpunt, iedere keer weer, mijn eigen overdenkingen doe ik bij voorkeur ook op die plaats, heb er dan ook een mooie tatoeage van laten zetten, uit respect voor de stad die zoveel veerkracht toont en zo goed omgaat met de constant wijzigingen die er zijn, het stad wat wel degelijk weer een hart heeft en het pompt hoorbaar, iedere dag weer. Daar ben ik trots op. En trots is wat iedere Rotterdammer dan ook mag zijn op zijn buurt, op zijn straat, op zijn favoriete gebouw. Wat daar ook aan bijdraagt, aan dat gevoel, is dat we nu ook steeds meer toeristen zien, uit alle werelddelen die onze architectuur en musea komen bezoeken. Ik wijs ze graag de weg, maak een foto van ze en geef ze gratis tips als ze die willen. En in welke taal? Engels heel vaak, handen en voeten maar ook in Duits. Nu zien we allemaal de foto’s van de stad wel verschijnen, op websites of facebook of Instagram. Heel veel is afkomstig rondom de Markthal, Erasmusbrug/de Rotterdam en de Euromast. Maar het leuke van deze stad zijn toc hook de kleinere kunstwerken die in veel buurten te vinden zijn. Leg ze eens vast ,je hoeft geen professionele fotograaf te zijn om leuke, mooie en kunstzinnige zaken vast te leggen.

Heel de aarde is je vaderland

De zomervakantie is weer voorbij. Ik merk het aan alles. De toeristen hebben plaats gemaakt voor de vele schreeuwende scholieren op de fiets, met grote tassen op hun rug of zoals tegenwoordig erg hip is: in hun fietskrat.

Het zonnetje schijnt lekker en ik ben blij dat ik nog geen jas aan heb gedaan, ondanks dat de weerapp op mijn telefoon vanmorgen 14 graden aangaf en ik normaal gesproken nogal een koukleum ben.

Genietend van de mooie stad om me heen word ik opgeschrikt door een man die onverwachts het fietspad opspringt. Met piepende remmen kom ik tot stilstand. Op de stoep staat nog een groepje mannen. De man op het fietspad vraagt me iets in het Turks en het groepje op de stoep kijkt me vragend aan. Ik haal mijn schouders op als teken dat ik hem niet begrijp. ‘I don’t speak Turkish,’ zeg ik hem.

Glimlachend schakelt hij over in accentloos Nederlands. ‘Vergeef me, ik dacht dat u Turkse was,’ en zegt lachend iets in het Turks tegen de groep die daarop ook allemaal moeten lachen. ‘Wij zijn op zoek naar het Turkse consulaat, kunt u ons helpen?’ Vraagt de man vervolgens. Toevallig weet ik waar het Turkse consulaat in Rotterdam zit en wijs de man hoe ze moeten lopen.

‘Dank u wel, en nogmaals sorry dat ik er van uit ging dat u Turkse was,’ zegt de man, en maakt aanstalten zich weer bij de groep te voegen. Lachend kijk ik hem aan en zeg: ‘U bent niet de eerste hoor. Ik word vaker in een voor mij vreemde taal aangesproken. Blijkbaar kan ik voor veel nationaliteiten door’. Waarop de man antwoord met: ‘Heel de aarde is je vaderland,’ en wijst achter mij. Ik draai me om en zie dezelfde tekst op de gevel van de bibliotheek staan.

De man wenst me een prettige dag toe en ik wens hem hetzelfde. Ik zwaai naar de groep en stap weer op de fiets, glimlachend om de toevalligheid van deze ontmoeting.

In Rotterdam leven zo’n 174 verschillende nationaliteiten in vrede en op een positieve manier naast elkaar. Ik ben trots op ‘mijn’ stad en ik ben dankbaar (afgezien van de weersomstandigheden soms 😉 ) dat ik in Nederland geboren ben. De beelden en verhalen op het nieuws over de vluchtelingen doen pijn aan mijn hart. Zoveel mensen die niet in vrede leven, die heel hun bestaan achterlaten omdat het land waarin ze wonen niet veilig is.

Mensen die niks meer hebben, hun leven wagen om hun kinderen een betere toekomst te bieden. Ik word daar verdrietig van. Maar het ergste nog, vind ik de mensen die op social media roepen dat het gelukszoekers zijn, dat die hulpbehoevende mensen wat hen betreft niet welkom zijn. Als er 700 mensen omkomen op zee, zeggen: ‘Zo, dat scheelt weer 700 uitkeringen’. Daar word ik pas echt verdrietig en een beetje misselijk van. Nu weet ik wel dat de mensen die dit roepen niet de slimste zijn, het raakt me wel.

Daarom vond ik het zo mooi dat die meneer vanmorgen zei: Heel de aarde is je vaderland. Ik zou willen dat iedereen daar zo over denkt!

Sylvia Niemantsverdriet

Ernst.

Heeft u wel eens een aap een hand gegeven? Ik wel. In Diergaarde Blijdorp. Het was eigenlijk andersom. De aap gaf mij een hand en samen liepen we met de optocht mee in de richting van de speeltuin, waar ze hun dagelijkse show moesten opvoeren.

Om bij het begin te beginnen ging ik omstreeks 1960, elke dag vanuit school direct naar de Dierentuin, alwaar ik dezelfde soort jongetjes ontmoette met het zelfde enigszins lullige voorkomen als ikzelf. Gevieren vermaakten we ons voornamelijk in de speeltuin, maar bekeken wonderlijk genoeg de dieren los van elkaar alsof het om iets ging wat je nou eenmaal in je eentje doet. Men komt tenslotte in een dierentuin voor de dieren en Blijdorp was in die tijd een tuin met veel kooien en veel verschillende diersoorten, waardoor het meer een tentoonstelling van dieren was dan een diervriendelijk park, zoals het er tegenwoordig is. Je kon de dieren wel beter bekijken dan nu. De verzorgers werden vroeger dan ook oppassers genoemd. Een titel die meer bij een gevangenis hoort dan bij een moderne dierentuin. Ik spoedde mij eerst langs alle dieren alsof ik een opdracht uitvoerde, om dan uiteindelijk in het apenhuis te belanden, want die bewoners vindt men toch de leukste dieren en de mooiste attractie was wel het voederen der mensapen, die in de zomer als een circusact werd opgevoerd in een verhoogde, ronde kooi in de speeltuin. De voorstelling trok veel volk en werd erg bedreven uitgevoerd door de toenmalige verzorger, die zeer populair was. Een man, die ook zijn apen wel mee naar huis nam als ze iets mankeerde. De voorstelling bestond voornamelijk uit de etende primaten, die met een lepel pap van een bordje schepten, terwijl ze netjes op kleine stoeltjes aan een tafel zaten. Althans, dat was de bedoeling. De lethargische Orang oetans bleven meestal rustig zitten en verorberden behendig de eerste twee happen brei, om daarna het bord traag naar de mond te brengen en de rest, veel effectiever, met de tong naar binnen te werken, terwijl ze ondertussen een tafelpoot met hun voet vast hielden. Als het bord schoongelikt was, plaatsten de roodharige primaten de borden op hun hoofd, als een heel gewone afsluiting van de maaltijd. Zo rustig als de Orangs, zo druk en “ondeugend” waren de chimpansees. Ze sprongen rond, gooiden met de borden en klommen in het gaas van de kooi. Kortom: ze maakten er een kolerezooitje van. Tot groot plezier van het jeugdige deel van het publiek, die waarschijnlijk een heimelijk verlangen hadden om deze handelingen de volgende keer op school ook te gaan doen. Als de verzorger de orde in deze chaos had herstelt en ze allemaal netjes aan tafel zaten en rustig gingen eten, steeg er een bewonderend applaus op.      Er was een scene waarin een jonge “ongehoorzame” chimpansee op een, op de tafel staand stoeltje moest blijven zitten totdat alle apen na afsluiting van het programma de kooi hadden verlaten, hij als enige overbleef en de spanning ondragelijk werd tot hij eindelijk de verlossende sprong mocht maken in de gespreide armen van de verzorger, die hem ook nog knuffelde. Dit onder luid gejuich van het publiek, dat mee draafde met de door vrijwilligers geduwde oude kinderwagen, waarin de apen gedeponeerd werden om ze als de sodemieter naar het apenhuis te vervoeren, waar ze bij konden komen van hun belevenissen. Het apenvervoer van en naar de speeltuin was voor veel jonge abonnee ’s het spannendst van het dierentuinbezoek. Hele hordes kinderen, waaronder ik, liepen elke keer mee met de kinderwagen, om te kijken hoe de jonge mensapen er van zeer dicht bij uitzagen en om te proberen ze aan te raken. De oudste orang oetan, Ernst, paste niet meer in de kinderwagen en moest derhalve meelopen aan de hand van een vrijwilligster/er. Op een dag had ik me voor de zoveelste keer op tijd bij het apenhuis opgesteld om weer mee te lopen met de kinderwagen caravaan. Er was op dat moment bij de verzorging een lichte verwarring wie wat moest doen en voor dat ik het wist pakte aap Ernst geroutineerd de dichtstbijzijnde hand en dat was per ongeluk mijn hand, terwijl hij eigenlijk iemand anders moest hebben en liep stoïcijns doch haastig achter de kinderwagen aan, waarbij hij voornamelijk op de zijkanten van zijn voeten sloften en met een hand op de grond steunde. Zijn ruwe kromme vingers klemden als een schroef om de mijne en alsof het de gewoonste zaak van de wereld was liepen Ersnt en ik door de dierentuin, aangegaapt door het publiek. Dit was een echt Kees de Jongen moment: “kijk, daar lopen ze. De aap en die jongen. Ze schijnen onafscheidelijk te zijn”. Iets om nooit te vergeten. Zeker niet toen ik later in het natuurhistorisch museum, waar de opgezette dieren staan, plotseling geconfronteerd werd met een opgezette orang oetan, die verdacht veel op Ernst leek. Ik schrok me het leplazarus, verliet het pand en heb nooit meer een voet in dat educatieve etablissement gezet.

Aad Wieman. Rotterdam, 9-9-2015.