Kannibaal

In het restaurant van een groot warenhuis zitten een hoog geblondeerde en bont geklede dame-op-leeftijd tezamen met echtgenoot en dochter koffie met gebak te nuttigen. Tussen moeder en dochter staat een met tassen behangen wandelwagentje waaruit baby geluidjes opstijgen. Om de blonde vrouw hangt het glanzende aura van de kersverse oma, die er volgens haarzelf nog deksels jong uitziet. De veel gehoorde kreet: ”Wat? Al oma? Nou dat zou je niet zeggen!” doet haar dan regelmatig blozen van genot. De eveneens kersverse opa denkt er zo te zien heel anders over. De vijandige blik die hij op een voor hem staand kopje koffie richt spreekt boekdelen.
“D ‘r zit verdomme geeneens melluk bij de koffie” mompelt de grootvader en leunt naar achteren in zijn stoel, niet van plan tot handelen over te gaan.
“Er ligt een zakje creamer bij, Arie. Dat is veel gezonder voor je” snauwt zijn vrouw op een toon, alsof ze het voor de zoveelste keer zegt. Ondertussen kan ze haar ogen geen moment van de baby afhouden. Ze lacht voortdurend tegen het wurmpje in het wandelwagentje en maakt daar kirrende geluidjes bij.
“Ik mot geen poeder en dat weet je” repliceert Arie en doet de armen over elkaar om aan te geven dat de discussie nu pas begonnen is. Oma blijft zich concentreren op de baby en negeert haar echtgenoot. De vermoeid uitziende dochter zucht geërgerd, staat op en stampt naar de balie om melk te gaan halen voor haar pappie. Op dat moment begint de baby zachtjes te huilen waarop de vrouw verbaasd opveert en haar borsten voorzichtig vasthoudt. “Joh Arie, mijn melk schiet toe. Dat gaat nooit over.” Arie ’s gelaat vertoont achtereenvolgens verschillende uitdrukkingen: verrast, verbaasd, verward en als laatste slim. “Ik al tevreden met een beetje koffiemelk, Riet” zegt hij met een scheve grijns.
Zijn vrouw heeft net de baby uit de wagen getild, trekt het mutsje van het hoofdje en begint het wurm verwoed te knuffelen. “O, heerlijk jong” lispelt oma en hervat haar geknuffel. De dochter is terug van haar melk corvee en plaatst een kannetje koffieroom naast het kopje van haar vader met de mededeling: “soo, melluk voor opaaa!” De spottende toon ontgaat hem niet en met een nijdige blik naar zijn echtgenote zegt hij luid: “Dank je schat. Aan jou heb ik tenminste wat!” Maar oma is met belangrijker zaken bezig. “Ooo, moet jij zo lachen tegen oma. Kijk Bianca, ze lacht, ze lacht! O kijk nou! Ze lacht echt. Ja, jaah! En daarnet schoot ook oma d ‘r melk toe!” kweelt ze tegen het kleine, tot een grimas vertrokken gezichtje. Arie en Bianca kijken elkaar veelbetekenend aan.
“Ja, ga jij zo lachen tegen oma? En tegen mamma en tegen pappa en tegen tante, maar niet tegen opa hè? Dat is zo ’n ouwe saggerijn! Daar valt niks te lachen, hè?” scandeert oma en begint de baby weer uitbundig te knuffelen. Arie kijkt vol walging naar het gedrag van zijn eega en steekt van wal: “Gatverdamme Riet. Dit is strafbaar, dat gesabbel. Niet normaal. Je bent een pedofiele oma. Je neemt zelfs grote happen van dat kind. Je vreet verdomme mijn kleindochter op. KANNIBAAL!! Je kan zo opgepakt worden voor pedofilie en kannibalisme!”
“Paha, laat haar nou. Het is d ‘r eerste kleinkind.” Zucht dochter Bianca en pakt resoluut de baby uit de handen van haar moeder, gaat zitten, knoopt haar bloes open en legt de baby aan, waarop deze gulzig begint te drinken.
De vermoeidheid verdwijnt uit het gezicht van de jonge vrouw. De ontspanning maakt haar mooi. Arie zwijgt en kijkt stil naar zijn dochter. Oma zit met lege handen en kijkt ook zwijgend en ontroerd toe.
“Hee, Arie!” klinkt ineens een mannenstem.
“Hee Japie Houtekop! Ouwe gek. Hoe kom jij nou hier?” roept Arie en staat op spreidt zijn armen ter begroeting en omhelst de forse man, die een gezicht heeft dat het meest wegheeft van een boomstronk. Zijn aanstekelijke lelijkheid heeft gedurende zijn bestaan veel hilariteit veroorzaakt bij zijn medemens. De beide vrouwen aan de tafel slaan verbijsterd, met hetzelfde gebaar, de handen voor hun mond. Arie stelt Jaap aan zijn vrouw en dochter voor, die nog steeds ongelovig naar de knoestige kop kijken. Ze kunnen geen woord uitbrengen. Jaap geeft moeder en dochter een hand en zegt met onverwacht diepe stem: “ En, is dat de nieuwe nazaat van Arie?” Riet wil gaan spreken maar wordt in de rede gevallen door Arie: “Da ’s me kleindochter en ze heeft al naar me gelachen” kraait hij en kijkt triomfantelijk naar zijn echtgenote die hem verontwaardigt aankijkt. “Niewaar, da kannie” krast Riet. “Jawel. Vanmorgen. Ik was effe alleen met d ‘r”  “Dat mot ik zien. Ik geloof er geen donder van, Arie. Maak haar eens aan het lachen dan?” Riet wijst gebiedend naar de baby die lodderig in de armen van haar moeder ligt. Arie kijkt geschrokken om zich heen. Ze hebben plotseling de aandacht van alle aanwezigen. Aarzelend knielt hij voor zijn dochter op de grond zodat zijn gezicht vlakbij het babyhoofdje verschijnt, dat angstige trekken begint te vertonen, waardoor de opa met allerlei grimassen probeert het kind een lachje te ontlokken. Dit lukt niet. Zijn kleindochter blijft hem ongerust aankijken. Er komt wel een lachje. Maar in de vorm van een hatelijke lach van oma, die Arie opzij duwt en zich vooroverbuigt naar de baby: ”Hallo, schat. Jij gaat wel lachen tegen oma, hè?” Haar te luide en doorrookte stem klinkt zo dwingend dat de baby begint te huilen. Arie kijkt triomfantelijk naar het publiek, dat een hoongelach laat horen, hetgeen de woede van oma tot gevolg heeft. Ze gaat er even flink voor staan om het ondankbare publiek de huid vol te schelden maar merkt dat iedereen langs haar heen kijkt naar iets achter haar. Als ze zich omdraait ziet ze het grote lichaam van Jaap over de baby gebogen staan en hoort ze zijn diepe stem zachtjes vragen: “Waarom moet jij zo huilen?” Het kind stopt subiet met huilen en als Jaap zijn grote gezicht met enige moeite heeft geplooid tot een glimlach, lacht de baby terug met een verrassend vrolijk geluidje. In het restaurant valt een eerbiedige stilte. Opa en oma kijken Jaap bedremmeld aan. Deze zegt alleen: ”Het is een gave”

Aad Wieman, Rotterdam, 3-4-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen voor de redactie.

Schiebroekselaan

Onlangs was ik in Rotterdam noord, daar waar ik vandaan kom. De straat is de Schiebroekselaan.
Onbewust gingen mijn gedachten terug naar een onbezorgde jeugd. Naar onze buren, we zijn nog steeds bevriend ook al woon ik nu al jaren elders in de stad, maar op éen of andere manier blijft noord trekken. Jeugdvriend van het eerste uur, Jeroen, we zien elkaar nog graag, we renden vaak naar de Juliana van Stolbergschool, voetbalden bij Veenstra voor de deur, tussen de pleintjes, (met o.a. Martin, Marcel, Harry, José, Rémon, Bertje, Santi) en fietsten rondjes door de Schiebroeksestraat.
Ik moest lachen, er stond weleens een pestkop op de hoek en dan mochten we alleen doorfietsen als we een stuk papier gaven, de bijnaam ‘papierel’ was snel geboren.
We voetbalden ook weleens illegaal op het afgesloten terrein bij de Vrijebansestraat, als de politie je dan ophaalde zetten ze je af op….de Schiebroekselaan. Ook de kerstbomenjacht was altijd weer spannend…..

Het huis is er nog, bewoond door vreemden. Ben toch benieuwd hoe het er binnen uitziet, 20 jaar na ons vertrek. Jeugdherinneringen, ik hou ervan. Schrijven over Rotterdam, het blijft gers. Rotterdam is mijn stad, jouw stad, onze stad!

Vroeger in het oude Rotterdam

Wij hadden vroeger thuis geen vroeger. Wij gingen bij de buren, die hadden vroeger. Vroeger was duur. Wij hadden geeneens een vloer. Wij hadden een vuil en nat gat en daarom vochten wij. Wij wroetten op de vuilnisbelt en wij filterden het rioolvocht voor de thee, gezet van het zakje dat we van de buren kregen of de rest van de straat. Nou ja, straat… Het was meer een stinkende modderstroom waarvan zelfs de ratten waren gevlucht.

Wij hadden nooit tijd en als wij te laat kwamen, kregen wij ongenadig op onze sodemieter van de buurman, want onze vader moest 36 uur per dag werken. Als die zijn best deed, mocht hij eens per jaar naar ons vuile gat en hij nam dan voor ons een kiezelsteen mee om op te zuigen, maar dan moestie weer snel weg om zijn geleende sandaal terug te brengen.

Ik kreeg dan onze broek aan om de kiezel te gaan ruilen voor een hap zand, zodat wij die eerlijk konden verdelen onder onze 54 kinderen waarvan er eentje meestal dood was of opgegeten door mijn oudere broer, die zo ontzettend blind was dat wij hem ’s winters gebruikten om te kijken of er nog ergens iets brandbaars was voor de kachel, die wij eigenlijk niet hadden.

Sommigen van ons hadden wel eens gehoord van een bed. Dat was alleen voorbestemd voor de oudsten. De jongeren mochten nog niet horen. Dat kwam goed uit, want ze luisterden toch niet. Praten mocht alleen op vrijdag als mijn moeder een goede bui had. En dan enkel nog een paar woorden. Er waren maanden dat wij alleen één letter mochten zeggen. Dan ruilde ik met mijn broertjes bijvoorbeeld de ‘w’ voor een ‘h’, zodat je na vijf maanden hallo kon zeggen, maar dan moest je wel mazzel hebben. Waarover je dan ook weer een half jaar had gedaan.

De uitverkorenen onder ons groeiden op voor galg en rad of gingen naar sodom en gommora op de Blaak. Ik piepte meestal naar binnen, want het was voor boven de 18 en zo oud werden wij toen niet. Trauma’s zouden er door mijn moeder vakkundig uitgeslagen moeten worden, maar ze had nooit tijd. Dan had je pech, die wij onderling ruilden. Met Oud en Nieuw (in ons geval alleen Oud) kregen wij een klap en dan kon je er weer een jaar tegen.

Het was puur een kwestie van overleven. Wij waren blij als er iemand waterpokken had, want wij stierven van de dorst. Hoewel het zó donker was, dat wij niet precies wisten hoeveel kinderen er waren. Het komt allemaal weer naar boven, hoewel wij dat niet konden betalen. Bij speciale gelegenheden kregen wij een portie zure lucht van het abattoir. Dat moesten wij zeven en een mochten wij houden voor de kleinste, waarvan wij niet zeker wisten of hij wel bestond. Zo klein waren wij toen.

Vaak leek het of er helemaal niemand was. Soms hoorde je wel eens iets. Genieten was dat. Meestal was er niets. Niets was voor ons ook een buitenkansje. Je was met niets dolblij. Alleen dat werd dan weer afgepakt door mijn moeder om te bewaren voor slechte tijden. Dat lijkt gemeen, maar wij konden nooit iets achter de hand houden. Dat werd gebruikt als onderpand. Als wij dan zonder zaten, hadden wij altijd nog niets en dan was het feest. Maar dat was vroeger, hoewel wij dat toen niet hadden.

© IJsbrand Flamminga

Schotsie piepen

De winter van 1963 was, zoals bekend, de koudste winter van de vorige eeuw. Met temperaturen van rond de – 15 graden, zodat de oren van je kop vroren en toch ging je op de fiets, over de Abraham van Stolkweg naar de ULO school in Overschie. Niet de mode, maar de ijzige koude schreef hier de wet voor.

Warm gekleed en getooid met de merkwaardigste hoofddeksels, bestaande uit mutsen, lappen en dassen die je als 15 jarige normaal voor geen goud zou dragen. Buiten was alles lichtgrijs. De grond, de lucht en het water hadden dezelfde grijstint met hier en daar een donkerder accent, zodat je een beetje wist waar je fietste. De singels, de vijvers en de vaarten waren stijf bevroren. Ook de Schie zou wel bevroren zijn. En dat wilden we tussen de middag graag onderzoeken.

Gevieren gingen we, in plaats van naar de overblijf op pad en wandelden in de richting van de Schie. Het plan was om over het ijs naar de overkant te lopen. Waarom? Zomaar! Vier 15 jarige jongens: vrolijke Dick met zijn bravoure, laconieke Ruud, die het best beschreven kon worden als “cool”. (want hij had altijd als eerste de meest swingende schoenen) En “ Gimp”, waarvan we de echte naam niet wisten en ikzelf als uw verslaggever. Als kleinste van de klas deed ik natuurlijk mee voor zoete koek, dus kan ik me nu maar beter een bepaalde functie toeschrijven.

Bij de Schie aangekomen zagen we een sleepboot met verzwaarde boeg bezig het ijs te breken. Dick en Gimp keken beteuterd. Ze zagen tot aan de andere oever alleen maar ijsschotsen drijven. Ze hadden zich tijdens de wandeling een heroïsche voorstelling gemaakt van de tocht over het ijs en dat kon nu niet doorgaan. Dick praatte een minuut geleden nog opgewekt over het leger van Napoleon en de ijzige terugtocht over Russische rivier de Berezina. Ruud viel Dick in de rede en wees naar de voorbij varende sleepboot en zei: “Die vaargeul moet open blijven voor de aken die hier altijd varen. Dat is een ijsbreker. Dus.” Hij keek er overdreven ernstig bij. Je wist bij hem nooit zeker of hij het meende. Hij kon je soms ineens heel dreigend aankijken en sissen: “wou je vechten?” om dan gelijk om te slaan als het blad van een boom en zich te verontschuldigen met: ”Ik niet.” Gimp liet zich niet uit het veld slaan en klom over de basalt blokken naar de waterkant. Zonder dralen stapte hij op de dichtstbijzijnde schots en draaide zich triomfantelijk om, wenkte en stapte op een tweede schots, die vervaarlijk begon te wiebelen. Wijdbeens en met de handen in de zij hervond hij zijn evenwicht, stond rustig op de schots en keek ons met een zelfverzekerde grijns aan.
“Lefgozer” mompelde Dick en stapte over de basaltkeien op het ijs en sprong vervolgens van de ene op de andere schots tot bij Gimp die Dick gelijk vast greep zodat ze elkaar in evenwicht konden houden. Tenslotte was Dick niet voor niets de beste met gym. Schaterend keken de jongens elkaar aan en wendden daarna de blik naar de overkant. Hun einddoel. Ze bleven ons wenken. “Ik heb nieuwe schoenen!” riep Ruud naar de waaghalzen. ”Nou en?” was het antwoord . Ruud maakte een begrijp-je-dat-nou gebaar naar mij en keek bezorgt naar zijn glanzende laarsjes.
Intussen was de sleepboot teruggevaren en ging midden op de vaart liggen. In de stuurhut zagen we twee silhouetten van de bemanning. Dick en Gimp hadden net ontdekt, dat als je elkaar goed vast hield en dan tegelijk sprong, je gemakkelijk van de ene schots op de ander kon komen, waardoor ze flink opschoten. Plotseling schalde er een blikkerig geluid over het water. Een van de mannen in de stuurhut had de megafoon ingeschakeld. De metalen stem riep: “Jongens, ga van dat ijs af. Dat is veel te gevaarlijk.” Op dat zelfde moment lieten de jongens van schrik elkaar los. Gimp stond ineens alleen en de schots waar Dick opstond kantelde, waardoor hij in het water tuimelde en kopje onder ging. Hij kon zich nog net aan de schots vastgrijpen en hees zich er op en terwijl hij naar de kant scharrelde klonk er door de sleepbootmegafoon een honend geschater. Door het metalige geluid klonk het nog hatelijker. Ruud en Gimp hielpen Dick op het droge. Hij was kletsnat en keek verbijsterd van de een naar de ander totdat hij begon te klappertanden en bevend in elkaar dook. We wisten dat er snel iets moest gebeuren. We hadden pas op school geleerd dat onderkoeling heel gevaarlijk is. Ruud wees naar het dichtstbijzijnde flatgebouw: “Rosita woont daar in die flat. Effe kijken of er iemand huis is” Ze
renden naar het portiek, belden aan, spraken door de intercom, struikelden de lift binnen die hen naar de 5e verdieping bracht. Gimp en ik bleven in de hal achter en er zat niets anders op dan weer naar school te gaan. Onderweg bleef Gimp mij doorzagen over de borstjes van Rosita, omdat hij ze wel eens betast zou hebben en gevoeld had dat ze geen BH droeg. Rosita was als ik me goed herinner niet knap maar rijper dan de andere meisjes en dat maakte haar in onze ogen interessant. Van de acties van Gimp geloofde ik geen ene moer en toen we op school arriveerden had Ruud, die gek genoeg eerder dan wij aanwezig was, zijn verhaal gedaan en de opwinding onder de leerlingen tot grote hoogten doen oplopen. De volgende dag kwam Dick wazig glimlachend op school. Er werden van alle kanten vragen op hem afgevuurd met als resultaat dat zijn glimlach veranderde van wazig naar geheimzinnig. Het bleek dat toen hij in het huis van Rosita binnenkwam, hij zonder plichtplegingen in een heet bad werd gestopt. Op de vraag of Rosita zijn rug gewassen had schudde hij ontkennend zijn hoofd en mompelde: ”D‘r moeder” En weer met die glimlach. Wij, 15 jarige jongens deden er het zwijgen toe en over die moeder konden we alleen maar fantaseren, want Dick weigerde er verder nog iets over te zeggen en vertoonde alleen nog die irritante glimlach van hem.

Aad Wiegman, Rotterdam, 13-3-16. Met dank aan Jolanthe van Dongen voor het redigeren van de tekst.

Larmoyant

Het woord larmoyant zie ik de laatste tijd steeds vaker. Dat komt niet omdat ik een nieuw abonnement heb op een krant met veel moeilijke woorden of ineens veel literatuur lees. Nee, mijn leesvoer is hetzelfde gebleven. Het woord larmoyant is met een gestage opmars bezig en dat is frappant. Ik zag het nota bene in het Algemeen Dagblad, niet bepaald een krant voor hoogopgeleiden die in Frankrijk hun vakantie doorbrengen of voor snobs met een tweede huis in de Provenc
Larmoyant is namelijk Frans. Frappant trouwens ook. Je hoort larmoyant niet veel. Soms, laat op de avond na een intiem etentje aan een Kralingse borreltafel, als iemand zeurt over de culinaire kwaliteit. Larmoyant komt nogal kakkineus over, maar dat kan veranderen. Als het maar genoeg gebruikt wordt, dan wordt het woord vanzelf minder elitair. Larmoyant betekent huilerig, klagend of sentimenteel. Niet iets om mee te koop te lopen.

Vandaar de vraag of de groeiende populariteit van het woord is te verklaren door de opbloei van het sentiment om ons heen en of de gemiddelde Nederlander daardoor zelf sentimenteler is geworden? Het zou zomaar kunnen. Met de komst van de commerciële radio en televisie ontstond de behoefte aan herkenbare emoties. Janken op de buis werkt namelijk omzet verhogend. Huilen is makkelijk, goedkoop en dus winst bevorderend. En daar gaat het om bij de commerciëlen.

De verdebielisering van de samenleving nemen zij voor lief. Sterker nog, der Volksverblötung, zoals de Duitsers het zo mooi noemen, lijkt opzettelijk de bedoeling van de mediamaffia. Huilen is normaal en van alledag. Tussen de reclames moeten we onze gevoelens ongebreideld kunnen uiten. Reclameboodschappen zijn ingeblikte sprookjes. Geanimeerde poppetjes die de onderkant van een toiletrand schoonspuiten, brandend maagzuur blussen, badkamertegels ontschimmelen, hardnekkige tandplak verwijderen en het nationale probleem van de kalkteennagel tot een goed einde weten te brengen. Zij leefden nog lang en gelukkig.

Onzin! We schaffen spullen aan die we helemaal niet nodig hebben. De drassige pulp waarmee de bevolking dag in en dag uit geïndoctrineerd wordt, leidt tot een toenemende frustratie, die op zich zelf weer tot gevolg heeft dat gevaarlijke sentimenten opbloeien. Terwijl onze samenleving feitelijk op een intellectueel en materieel hoogtepunt verkeert, wordt er momenteel meer geklaagd dan ooit.

Over zwarte Piet, over negers, over blanken, over de banken, over Griekenland, over Rusland, over China, over Amerika, over vluchtelingen, over het spoor, over moslims, over de regering, over links, over rechts, over de huizenmarkt, over de zorg, over de belastingen, over het onderwijs, over het voetbal en zelfs over het weer. Het is allemaal te veel om op te noemen en het is daarom niet vreemd dat men zoekt naar moeilijke woorden, maar toch komt het veelvuldig gebruik van larmoyant nogal pathetisch over.

Het woord pathetisch is van Franse oorsprong en betekent aandoenlijk. Ik voorspel het een grote toekomst.

© IJsbrand Flamminga

Transavia

We vlogen van Zestienhoven (rot op met je The Hague airport!) en weer was de sandwich van de maand uitverkocht, terwijl wij speciaal voor het broodje Meatball Red Onion in september hadden geboekt. Het overkwam ons vorig jaar ook. Ik zag het laatste doosje met de smakelijke driehoekjes voor mijn neus verdwijnen op rij 17, waar een gulzige dertiger de populaire vliegtuigsandwich ongegeneerd naar binnen werkte. Wij zaten toen op rij 18.

Dit jaar bevonden wij ons opnieuw in het midden van het – overigens zeer gedateerde – vliegtuig. Niet alleen wordt op die plaats het uitzicht door de vleugel ontnomen, ook is de kans groot dat naast de Meatball Red Onion ook de Chicken Pesto, de Creamy Tuna, de Crispy Bacon & Egg Salad en de Cheese & Slow Roasted Tomato reeds in de magen van de medepassagiers zijn verdwenen, voordat de crew met hun vreet- en zuiptrolley ter plekke is gearriveerd. Hetgeen geschiedde.

Machteloos keken wij toe. Onder het motto ‘profiteer en geniet’ konden wij wel een handje bremzoute pinda’s inclusief een blikje bier aanschaffen voor het equivalent van 9 gulden 35, maar zover kwam het niet. Naast mij ontstond onenigheid over de laatste saucijzenbroodjes, die door een naar het achterste deel van het vliegtuig gesticulerende stewardess in tot ontdooien werden gesommeerd. Het zou even kunnen duren. Zij waren namelijk diepgevroren. Inmiddels hadden mijn buren zonder handgemeen overeenstemming bereikt over de verdeling van de worstenbroodjes. Er waren er nog drie. Stoel 18 E en 18 F hadden nogal last van turbulentie, dus zij namen genoegen met ieder een halve vette hap.

Ik verbeet mij over de gang van zaken. Kan er niet beter worden ingekocht? De stewardess deelde mij mee, op een toon alsof ik zelf volledig verantwoordelijk zou zijn voor het falende inkoopbeleid, dat zij hieraan niets kon doen. ‘Wie dan wel?’, vroeg ik. Zo’n vliegtuigmeisje is vaker in de lucht dan ik en de maatschappij weet weken, zo niet maanden, tevoren hoeveel passagiers er zijn. Ik nam genoegen met een colaatje. Zij hadden alleen cola light. Niet omdat het vliegtuig overbelast was, maar de gewone cola was op.

Ruim een kwartier nadat de landing was ingezet wachtten mijn buren nog steeds op hun saucijzenbroodje. Ik drukte op het belletje voor tekst en uitleg. ‘Mijn medereisgenoten wachten al een eeuwigheid op hun hapje en waar was trouwens het karretje met de taxfree producten? Noemen jullie dit service?’ Het signaal fasten seatbelts had allang geklonken toen de kartonnen doosjes met de lauwwarme snacks alsnog verschenen. Niet lang daarna kwam een stewardess, die schijnbaar de MAVO wel had afgemaakt, naar mij toe met een formulier. Verheugd veronderstelde ik dat ik mijn klacht op papier zou kunnen zetten.

Tot mijn verbijstering kreeg ik een printje in de handen gedrukt waarop in minuscule letters (corps 6) en in vier talen gedrukt stond dat ik mij schuldig had gemaakt aan on-toe-laat-baar gedrag! Het betrof een laatste waarschuwing en kennisgeving van overtreding. Als ik door zou gaan, zou ik een strafbaar feit plegen. Mijn gedrag was in strijd zijn met de goede orde en discipline aan boord. Ik zou de veiligheid van personen, goederen en zelfs het vliegtuig in gevaar brengen. Waarna een opsomming volgde van categorieën van zogenaamd ontoelaatbaar gedrag. Overigens viel klagen over de service daar niet onder. Als ik geen gehoor gaf aan deze oproep, zou ik kunnen worden vervolgd onder Nederlands strafrecht, hetgeen zou kunnen leiden tot een boete van 45.200 (typisch Nederlands) euro of een gevangenisstraf van maximaal vijftien jaar!

Wat een onmetelijke gotspe. Het was dat ik mijn gordel om had. Is het vreemd dat sommige vliegtuigen exploderen? Alhoewel veel reizigers de lettertjes waarschijnlijk niet eens kunnen lezen. Dat ik door het cabinepersoneel gebruikt werd als kop van jut voor het schromelijk tekort aan service bleek nog eens vlak voordat wij de grond raakten. Toen pas kregen de saucijzenbroodjes hun wisselgeld terug. 18 A had zijn saucijsje niet eens gezien en 18 B kreeg een kwartje te weinig retour. Eenmaal op Turkse bodem deed ik mij, lichtelijk aangedaan, tegoed aan Sultans Kebab: gekruide meatballs met garlic yogurt en groenten op een broodje. Heerlijk.

© IJsbrand Flamminga

Kerst in Dubio

Op de hoek van de 2e IJzerstraat en de Pieter de Hoochstraat staat een groot imposant wit gebouw: ‘Huize Schoonderloo’. In de 19e eeuw gebouwd als buitenverblijf voor de rijke familie van der Pot van Groeneveld. Genoemd naar het ambacht Schoonderloo, toen gelegen tussen Delfshaven en Rotterdam. In de jaren na de 2e Wereldoorlog was de Keuringsdienst van Waren er gehuisvest.

Maar van 1979 tot 1983 huurde het kunstenaarscollectief KK Dubio het pand van de gemeente Rotterdam.

In die jaren kwam ik er regelmatig. Het werd toen ook vaak als de ‘Raketbasis’ aangeduid. ‘Raket’ was de naam van het blad dat de groep maakte. Een blad ‘zonder baas, zonder onderlinge competitie of afgunst, zonder winstbejag’. Iedereen mocht schrijven wat hij wilde, dat werd zonder enig commentaar of censuur geplaatst. Ultieme vrijheid van meningsuiting. Het papier was natuurlijk gerecycled, in die tijd nog grijs en zacht. Tekst en tekeningen gestencild. De exemplaren die ik bewaard heb, vallen bijna uit elkaar en zijn nog maar moeilijk te lezen.

Maar Huize Schoonderloo was meer. De kelders hadden extra dikke muren, verbouwd tot bunker en schuilkelder voor de 2e Wereldoorlog. Geluidsdicht dus.

Het kunstenaarscollectief maakte niet alleen kunst en een blad, maar ook muziek. Tezamen vormden ze de punkband de Rondo’s, en verbouwden hun eigen geluidsdichte kelder tot oefenruimte. Natuurlijk zaten ze niet de hele week in die kelder, en mochten een aantal andere bands de ruimte gebruiken om er hun muzikale uitingen vorm te geven. Ze trokken een hele rits punk-liefhebbers, die er allemaal kwamen kijken of repeteren, en elkaar ontmoetten na afloop van hun sessie.

2- Huize Schoonderloo RaketMal

 In de gemeenschappelijke huiskamer van Huize Schoonderloo wisselden ze hun ideeën uit over songteksten, gitaarakkoorden (drie, soms wel vier akkoorden!.. ;-), podiumervaringen, inspiraties en aspiraties. Die dan weer terecht konden komen in het blad Raket, dat in diezelfde ruimte samengesteld werd.

Langzaam maar zeker werd die huiskamer een ruimte waar je ook zomaar naartoe ging. Het was er altijd gezellig, bedrijvig en inspirerend. Iedereen was er wel bezig aan iets, of maakte op zijn minst wilde plannen.

De eerste graffiti-uitingen werden er voorbereid, jaren voordat de kleurige HipHop-pieces de stad zouden versieren, werden al spuitbussen gekocht en spoot iedereen de naam van zijn band op elektriciteitshuisjes. Een heel mooie, die nog lang heeft bestaan, was gemaakt door de Rondo’s zelf: getekend met een dikke rode en blauwe viltstift op elkaar geplakt, langs de wand van de voetgangerstunnel onder de Maas, trokken ze op de tegels een lange dubbele streep over de hele lengte van de tunnel. Door de ruimte tussen de rode en blauwe stift leek het een honderdmeterlange Nederlandse vlag: rood, wit, en blauw.

Onvergetelijk werd de kerst van 1980. Er werd een kerstboom neergezet in de gemeenschappelijke ruimte, maar natuurlijk zonder burgerlijke kerstballen. Een van punkjongens kwam binnen met een Mercedes-merk, gesloopt van de voorkant van een dure Mercedes, waar hij als fundamentalistische punk natuurlijk tegen was. Anderen volgden al snel zijn voorbeeld, en binnen een week hing de hele kerstboom vol Mercedes-emblemen. Een letterlijk onbetaalbare kerstversiering!

3- Huize Schoonderloo MercedesLogo

Ik heb er helaas geen foto van gemaakt, en kan er op internet ook geen foto’s van vinden. En vraag me af of iemand toen wel een fototoestel had? Bovendien illegaler dan illegaal natuurlijk, maar daardoor juist extra spannend.

Er moeten een hoop Mercedes-eigenaren bij hun verzekering aangeklopt hebben die maand!

Nu rijst bij mij wel de vraag: wat zou er na die kerst met de versiering gebeurd zijn? Zou er nog ieder jaar ergens in Nederland een boom versierd worden met de oude Mercedes-logo’s?..

We willen foto’s zien!..

Gronings

“Als je wilt onderduiken, moet je dus naar Groningen”, reageerde mijn vader nadat hij mijn Groningse avonturen had aangehoord. Zijn stelligheid werd zeker ook ingegeven door zijn afkomst, omdat zijn vaders wieg in Hoogezand/Sappemeer  ( Zuid – Oost Groningen) stond.  En in dat deel van de provincie speelde ik in een aantal dorpen een serie schoolvoorstellingen.

De voorstelling heet de Tovenaarsleerling en gaat over een bedelaartje dat bij toeval in het kasteel van een tovenaar belandt, zijn leerling wordt en op een nacht alleen in het kasteel gelaten is, als er een doodziek hondje aan de poort krabbelt en het enige wat de leerling kan doen is naar de geheime kamer van zijn meester te gaan om het stervende beestje te redden.
Begeleidt door mooie lichteffecten, spannende muziek en met behulp van pantomimetechniek beklimt de jongen de wenteltrap naar de verboden kamer. Een opgerold dekentje suggereert het zieke hondje en als naast het speelvlak dia ’s met afbeeldingen van het decor worden vertoond op een papieren scherm ter grootte van een deur, is de spanning optimaal. In Zuid-Holland schreeuwen de kinderen in de zaal dingen als: ”Nee, niet naar boven gaan.”, “Ga terug!” en “Niet doen. Dat mag niet” En het liefst door elkaar. In Groningen daarentegen is het meestal stil tijdens deze scene en een keer werd zachtjes gemompeld: “Als dat maer goed gaet.” Het aardige is dat de Groningse kinderen na de voorstelling rustig met mij en elkaar praten over de voorstelling, naar elkaar luisteren en elkaar uit laten praten. Ze wisten ook precies waar de voorstelling over ging en lieten dat ook merken.
De Haagse kinderen uit de Schilderswijk bijvoorbeeld schreeuwen in zo ’n zelfde situatie, in de 4e versnelling door elkaar heen en het is daardoor moeilijk om rustig met elkaar van gedachten te wisselen. In de benauwende omgeving  van diezelfde Schilderswijk wordt meestal alleen de grootste schreeuwer gehoord.  Het verschil met een rustige omgeving kan niet groter zijn dan in een stad of een dorp.  Ik kan me een Groningse situatie herinneren na een voorstelling in het dorpje Loppersum. De kinderen en ik keuvelden in de nazit rustig over de voorstelling en de mogelijkheid van echte tovermiddelen die ingezet konden worden tot heil der mensheid. Ook hier luisterden ze allemaal geïnteresseerd naar elkaar en mocht iedereen uit praten. Op de achtergrond bedelde een klein stevig ventje om mijn aandacht. Niet door te schreeuwen, maar door mij strak en blij aan te kijken terwijl hij van de ene voet op de andere hipte. Hij moest iets kwijt. Dat was wel duidelijk. “ En jij?” vroeg ik hem eveneens blij aankijkend?              “Wie hebb ’n neie Trekker ‘kocht” kraaide hij opgetogen en grijnsde van oor tot oor. Een uit de kluitengewassen boerendeerne van ongeveer 12 jaar keek glimlachend naar hem en legde mij rustig uit dat zijn vader en oom de dag daarvoor een tractor hadden gekocht, nadat er jaren over onderhandeld was. Ze aaide hem tijdens haar betoog moederlijk over de bol. Het manneke had nauwelijks aandacht voor mijn voorstelling gehad. Maar ja, wie kan er zijn aandacht bij houden als je weet dat thuis een landbouwwerktuig staat te schitteren, waar je later ook mee gaat werken. Ik vraag me soms wel eens af wat er van hem geworden is.
Dat Groningers nuchter zijn wist ik al en een staaltje daarvan maakte ik mee in het dorpje Leek.  Om de participatie te verhogen haalde ik in die tijd wat kinderen op het toneel om te helpen bij de genezing van het hondje. Op een kistje stond dan de grote toverhoed. Een keer stapte een jongen er op af en kneep keurend in de hoed. Geschokt riep ik: “Niet doen, dat is een toverhoed!” Zijn antwoord was:” ’Kwou ev’n voel’n wat voor maeteriael  het is, want waai h’bb’n thuus auk zo ’n lamp ’n kap.”

In het noorden hebben ze geen boodschap aan illusie, terwijl in het westen eens een groepje Turkse jongetjes zich na de voorstelling bij mij meldden met de vraag: “meester, mogen wij het hondje aaien.” Zij konden niet geloven dat er geen hondje was en dat ik hem alleen maar uitbeeldde met pantomime en een dekentje. Voor hen was het echt.

Op het moment dat het hondje beter is gemaakt met behulp van wat tovermiddelen en het levenswater, komt de tovenaar de trap op. De leerling zegt tegen het publiek: “jullie zeggen niks tegen de tovenaar, hè?” en verstopt zich. De muziek zwelt aan en daar staat de tovenaar als een silhouet achter het papieren scherm, stapt met een scheurend geluid door het scherm, neemt de situatie in ogenschouw en roept met donderende stem: “Wie was hier?”

In de Randstad sloegen de kinderen meestal onmiddellijk door en jengelde: “De leeeerling!”
Zo niet in Groningen. Bij dezelfde scene zwegen de kinderen in alle talen. Er hing dan een doodse stilte in Leek, Loppersum of Ten Boer. Er werd wel onderling gefluisterd. En een keer in Finsterwolde stond er plots een vierkant jongetje voor het podium en sprak rustig: “Ik. Ik was hier” hij keek me heldhaftig aan. En wat wou je hier aan doen? Zei zijn blik. Ik weet niet meer hoe ik het als tovenaar opgelost heb. Ze hadden heus wel door dat ik ook de tovenaar speelde met mantel en hoed. In het verhaal wordt de leerling wel weggestuurd, maar mag het hondje houden. Na de voorstelling dromden de kinderen om me heen en spraken onder elkaar over de keuze verraden of niet. Antwoord: Niet..
Dus als je wilt onderduiken: ga naar Finsterwolde, Leek of Loppersum. Met of zonder aardbevingen.

Aad Wieman Rotterdam, 18-01-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

de draaischijf

Draaischijf

Dit is een ik verhaal. U bent gewaarschuwd. Als u niet van opschepperij houdt moet u niet verder lezen. Ik klop mij namelijk nu even flink op de borst voor iets wat ik vroeger heel erg goed kon. Ik zou nu geen seconde meer op dat ding willen en/of durven staan, maar toen… Tjonge jonge wat kon ik dat goed zeg. Ik zwelg nog van trots als ik er aan terug denk. En wel hierom: Als jochie van 12 was ik erg klein voor mijn leeftijd en niet goed in gymnastiek. Ik werd dan ook meestal als laatste gekozen bij verschillende balspelen zoals trefbal en bij de edele voetbalsport lag ik of op de grond te dweilen of kon je me zien wegduiken voor de aan suizende ballen. Touwklimmen, daar was ik wel goed in omdat ik bijna niks woog. In de tijd van een scheet zat ik dan tegen het plafond van de gymzaal, vanwaar je een goed uitzicht had. Ringen, rekstok en paard was niet aan mij besteed. En toch was ik een druk en bewegelijk ventje. De clown uithangen en af en toe een mooie tekening maken was niet voldoende om echt aanzien te verwerven.                                                                                                                                    In die tijd ging ik elke dag direct vanuit school naar de dierentuin, liet mijn abonnement zien, spoedde mij langs de dieren om bij mijn einddoel te geraken: de speeltuin met mijn favoriete speeltuig. In een uithoek van het speelterrein, waar de treinen langs raasden stond hij. De draaischijf. In een soort zandbak stond een vier meter brede schijf, vervaardigd van houten latten en voorzien van een metalen rand om het geheel stevig bij elkaar te houden. Het had wel iets van een middeleeuws martelwerktuig en alsof deze indruk versterkt moest worden, stond er een paal achter het speeltuig met daaraan een rechthoekig bord dat de waarschuwing bevatte: LET OP, kom niet met uw vingers aan de rand van de draaiende schijf! Deze mededeling sprak ernstig tot de verbeelding , want wat zou er gebeuren als je toch aan de rand van de in volle vaart draaiende schijf zou komen? Ik kon het wel vermoeden omdat er een  reeks ronde paaltjes, met schuin afgesneden toppen, vlak langs de metalen rand van de schijf geplaatst waren. Dus als je met je poten tussen rand en paaltjes kwam, dan lagen ze er onherroepelijk af. De paaltjes stonden er waarschijnlijk om te voorkomen dat er kindertjes onder het speeltuig zouden kruipen. De houten schijf stond in een hoek van ongeveer 30 graden, zodat hij met een beetje gewichtsverplaatsing makkelijk zou draaien en daar ging ik mee oefenen. Ik oefende en oefende elke keer als ik in de gelegenheid was en werd een meester in het beheerst laten draaien van de schijf. Ik kon hem met weinig moeite tot grote snelheid laten draaien door op een bepaald punt rustig omhoog te lopen en ook weer af te remmen als ik aan de andere kant liep. Als het druk was in de speeltuin kon ik een hele groep kinderen, die op de stilstaande schijf waren gestapt binnen dertig seconden in het zand laten bijten, door de draaisnelheid hoog op te laten lopen zodat iedereen van de schijf geslingerd werd. Ik lette wel op dat ik al rennend over de hardnekkige achterblijvers heen sprong terwijl ze zittend en gillend naar de rand gleden. En al deze toeren haalde ik uit met een uitgestreken gezicht, alsof niets mij deren kon. Ik genoot vooral als er van die sportieve jongens hun handigheid wilden etaleren en vol bravoure op de schijf sprongen. Je zag hen denken: O, dat doe ik wel even. Maar na amper 10 seconden dachten ze er liggend in het zand ineens heel anders over. Een enkeling kwam dan prachtig op zijn smoelwerk terecht en kon afdruipen richting EHBO, om een verzameling schrammen en verstuikte ledematen te laten verzorgen.

Later, toen ik al een jaar op het voortgezet onderwijs zat kon ik nog 1 keer mijn gram halen tijdens de driedaagse schoolreis. U weet dat pubers meedogenloos zijn in hun onderlinge kritiek. Mijn nietige gestalte en klunzige gymnastische toeren waren een prachtig doelwit voor de “populaire” sportjongens die ook nog gesteund werden door die klootzak van een  gymmeester. Totdat! In de buurt van het huis waar het schoolreisje gevierd werd was een verlaten speeltuin. In een hoekje stond tot mijn vreugde zo ’n zelfde draaischijf als het exemplaar uit Blijdorp. Nadat ik hem voorzichtig had uitgeprobeerd wist ik: Ik kan het nog! Deze schijf was goed gesmeerd en daardoor sneller dan die andere. Toen de groep de tweede dag al klierende en stoeiende in het speeltuintje terecht kwam stond ik te stuntelen op de draaischijf. Ik speelde de stuntel door wankel op de schijf te staan en er ook nog klunzig af te donderen en daar trapten de opscheppers mooi in. Gedrieën stapten ze nietsvermoedend op de schijf en zochten naar hun evenwicht, dat ze onmiddellijk en spectaculair verloren op het moment dat ik ook op de schijf sprong en er de vaart in zette en me enige tijd virtuoos amuseerde met het toestel, ondertussen achteloos naar de gevallen snoevers kijkend, die onder hoongelach van hun klasgenoten het terrein verlieten. Geen last meer van gehad. Over dit voorval is nooit een woord gesproken. Waarom zouden we ook.

Aad Wieman, Rotterdam, 30-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen die mijn teksten redigeert.

Slagschip

Wanneer  je vader voorzitter is van modelboot bouw vereniging “Poseidon” ben je aan je stand verplicht om ook een boot te bouwen, vond de 16 jarige Martin en dacht aan het vervaardigen van het grootste schip dat ooit door de clubleden van de vereniging aanschouwd was. Hij zou ze wel eens een poepie laten ruiken en eindelijk door die snoevers van het bestuur serieus genomen worden. Vooral zijn vader zou hem dan met andere ogen gaan bekijken. En dat werd tijd, omdat hij nooit ergens aan mocht komen van hem. Martins opmerkingen en ideeën werden meestal weggehoond.

Hij sprak in het geheim af met ome Jan, de jongere broer van zijn vader, die ook lid van de vereniging was en ook vaak met zijn grote broer overhoop lag. In zijn schuurtje bouwden ze stiekem een oorlogsschip met 20 boordkanonnen, echt draaiende radarschermen, reddingssloepen en natuurlijk de radiografisch bestuurbare motor, die het gevaarte geruisloos over de kanovijver van het Zuiderpark zou moeten laten glijden. Het schip werd wel anderhalve meter lang. En dat is zeer groot voor een modelboot. Naarmate de tijd verstreek, had Martin steeds meer moeite om voor zijn vader te verzwijgen waar hij mee bezig was, zelfs toen hij zijn moeder in het complot betrokken had. Ondanks de geheimzinnige stemming in huis had zijn vader niets in de gaten. Aan tafel bleef hij, zoals altijd, opschepperige anekdotes vertellen over zijn enorme slimheid. Tot de grote dag.

Bij de kanovijver werd, zoals elk jaar een gezamenlijke open dag gehouden door een aantal modelboot bouw verenigingen uit Rotterdam. Ze werkten samen, maar omdat er wedstrijden werden gehouden gunden ze elkaar het licht in de ogen niet. Er was meestal ontiegelijk veel gezeik over de jurysamenstelling en beschuldigden ze elkaar voortdurend van partijdigheid. Rond de vijver waren op de grote dag een aantal kramen neergepoot, gevuld met een groot aantal modelboten van allerlei soort en er werden demonstraties modelbootvaren gegeven. Het was prachtig weer, er werd zelfs gezwommen. Martin en ome Jan zouden pas tegen de middag verschijnen om het effect van de verrassing nog groter te maken. Om tien over twaalf stopte het busje van ome Jan op de parkeerplaats. Ze stapten uit, zetten hun “Poseidon” petten op en namen de situatie in ogenschouw. Het was druk bij de kramen en de vijver, maar Martin zag direct de rijzige gestalte van zijn vader, die met zijn armen over elkaar en met neergetrokken mondhoeken naar iemand stond te luisteren.
Daarna schudde hij z‘n hoofd, draaide zich om en beende weg. Martin zag nu ook zijn moeder, die zijn vader na stond te kijken. Het slagschip werd uit geladen en door ome Jan in Martins armen gevleid, die het, op van de zenuwen, bijna uit zijn poten liet vallen. “Kijk uit, jochie” siste ome Jan en keek zijn neef onderzoekend aan, “volgens mij ken je een ei in je reet gaarkoken, istnie?” Martin knikte bleekjes. Het was nu of nooit en daar stapte Martin kloek, stevig met de kruiser in zijn armen, alsof het een geweer betrof, op de menigte af. Hij keek niet op of om en stapte regelrecht naar de rand van de vijver. Het publiek week vol ontzag uiteen en er klonken kreten van bewondering.

Op een afstand stond zijn vader met open mond te kijken naar zijn slungelige zoon die rustig de boot in het water plaatste, van zijn oom de afstandsbediening aannam en de motor startte die onmiddellijk aansloeg. Als in een film gleed het slagschip over het water. Het zag er fantastisch uit en verschillende leden van de vereniging kwamen erbij staan en klopten hem op de schouders en overlaadden hem met een reeks complimenten waar Martin behoorlijk van in de war raakte. Hij hoorde zijn oom zeggen dat hij maar een heel klein beetje geholpen had. Ome Jan gaf Martin dus alle eer. Daarop draaide hij zich om en stond ineens oog in oog met zijn broer, die hem zwijgend aankeek en met samengeknepen lippen zijn hoofd schudde. Plots klonken er kreten vanaf de vijver, waar een grote opwinding heerste. De motor was uitgevallen waardoor het schip stuurloos op de vijver ronddobberde. De zwemmers die vanaf de te waterlating oplettend waren geworden, naderden nu snel het scheepsmodel. Martin sprong nerveus langs de kant heen en weer en riep in paniek om een rubber bootje, dat hem door een bekende gestalte werd aangereikt. Het was zijn vader, die hem ook nog de peddel overhandigde. Ze keken elkaar even aan. Er werd geen woord gesproken, terwijl Pa de rubberboot vast hield en Martin snel aan boord stapte en zacht “bedankt” mompelde. Hij wist niet zeker of zijn vader hem wel gehoord had.
De jongen peddelde nu ijlings naar zijn meesterwerk. De zwemmers waren akelig dichtbij gekomen en maakten al aanstalten het schip te enteren. “Afblijven!!”gilde Martin met een hoog stemmetje. Vertwijfeld kwam hij overeind in het rubberbootje. Hij reikte naar het slagschip, verloor zijn evenwicht en stortte met de peddel in de aanslag op het scheepsmodel. Martin ging kopje onder en kwam weer boven te midden van de wrakstukken van zijn noeste arbeid. Verbijsterd keek hij om zich heen, zwom naar de kant en werd daar door ome Jan op het droge geholpen. Zijn moeder had een handdoek geleend en begon hem droog te wrijven. Al die tijd had hij de pet opgehouden, die zijn moeder nu van zijn hoofd haalde. Hij keek zwijgend en witjes voor zich uit en leek opeens op een ontredderde kleuter. Ontroerd sloeg zij haar arm om hem heen en fluisterde: “ Ach, jochie toch. Je vader is apetrots hoor, want  hij staat aan iedereen te vertellen dat zijn zoon, stiekem dat geweldige slagschip gebouwd heeft en dat zo’n ongeluk iedereen kan overkomen. Hij zal het alleen niet tegen je zeggen.” Martin glimlachte even naar zijn moeder en zag hoe allerlei vrijwilligers de kapotte onderdelen van zijn werkstuk verzamelden en bij hem brachten. “Kunnen we best nog wat van maken jongen”, zei ome Jan.

Aad Wieman. Rotterdam, 5-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.