Alweer een kilometer van mijn schoenen afgesleten….

…wat mijn moeder niet mag weten, anders krijg ik niks te eten! 1,2,3,4,5,6,7.. alweer een kilometer, et cetera, et cetera.

Ja, het was weer avondvierdaagse deze week, en ook ik heb dit grandioze evenement als kind meermalen gelopen, tot aan goud geloof ik.
De vaste lezers weten al dat ik het nut van wandelen zonder bestemming een fout in de evolutie vind. Van startpunt naar startpunt. Vier dagen lang.

Er stond een artikel in de krant van de week. Dat de avondvierdaagse tegenwoordig een snoepvierdaagse is, met meer snoep in de design rugtas per avond dan je in vier dagen weg kan lopen.

In mijn tijd hadden kinderen ook een lolly mee of een boterhamzakje met dropjes ofzo, ik deed het met drinken en eten in één, een stuk geschilde komkommer, waar ik dan af en toe een stukje vanaf beet onderweg.
Wanneer ik tegenwoordig een komkommer schil, dan doet de geur pijn aan mijn voeten.

Een regencape? Nee joh, een KOMO-zak met twee armsgaten erin geknipt, als poncho. Zweten in de regen en als we geluk hadden, kwamen we rabarberbladeren tegen, met de lange stelen en grote bladeren fantastisch als paraplu.

Onderweg veldboeketje samenstellen van bloemetjes uit de berm, voor mama, die ze blij in ontvangst nam en daarna een week de voering uit haar neus niesde van de hooikoorts.

Toen mijn jongere zus mee ging lopen, met haar eigen leeftijdgroepje, kwam er een uitdaging bij: zo snel mogelijk thuis zijn, dan had je het eerste bad. De flats hadden boilers, dus het eerste bad was het warmst!
En het ergste vond ik, dat ik die week mijn favoriete jeugdserie moest missen, elk jaar weer een andere, Hamelen bijvoorbeeld, of Polly.

Onderweg duizenden keren “potje, potje, potje, potje ve-he-het..” en de “1,2,3,4,5,6,7…”
Ik herinner me nog een route door de tunneltjes onder de rijksweg door, bij de Hoofdweg, dat zong erg fijn met de echo, en een paadje langs het sluisje bij Hillegersberg, waar zéker veldbloemen en rabarber te vinden was. Ook een route door het Ommoordse Veld en over de dijk langs de Rotte was vaste prik. En natuurlijk de controleposten. Owee als je die misliep!

De laatste wandeldag was altijd leuk, dan werd je ingehaald door je ouder(s) en dan kreeg je een bloem of een bloemetje.
Daar was ook altijd de fanfare bij, met majorette korps.
Maar dat kreeg ik meestal niet mee, de laatste dag liep ik vaak ver achteraan, het doel was toch al behaald, de laatste dag rondje start-start en je medaille of cijfer lag al op je te wachten.

Eén jaar liep ik met Jolanda, een vriendin en klasgenoot op de basisschool, uit een flat achter waar ik woonde. Wij hielden allebei van lezen en kletsen, maar niet zo van wandelen. Dus liepen we maar saampjes.
Ooit had ze een val gemaakt van school naar huis en haar pols deed enorm zeer.
Ze dacht dat haar pols gebroken was en ik vroeg haar op zijn ‘Opa Brams’: “kan je dit en dat? Kan je buigen, strekken, je vingers bewegen?” Dat kon, dus ik trok de conclusie: niet gebroken.
Een dag later op school zei ze “goh wat goed van je, het is gekneusd, niet gebroken”.

Waar gaat dit heen, hoor ik u denken.
Naar de finish (start) van die laatste dag van het betreffende wandelfestijn.

Door al ons gebabbel waren we eigenlijk al snel op het verzamelpunt van de feestelijke optocht mét muziek en batons richting de uiteindelijke inhaal en medaille uitreiking.
De muziek begon en de stoet zette zich in beweging.

Nu hád ik ooit een jeugdboek gelezen over een meisje dat ‘met de muziek meeging’ en die raakte heel ernstig verdwaald.
Ik vertelde dit aan Jolanda en wij trokken de conclusie dat we beter zelfstandig naar het eindpunt zouden lopen.
Zo gezegd, zo gedaan….

Via Station Alexander en nog verdere omwegen, waarbij we waarschijnlijk in kilometers de hele avondvierdaagse nog eens zoetjes overdeden, kwamen we uiteindelijk aan op de, verlaten, plaats van bestemming.
Onze ouders hadden de medailles, of de nummertjes, dat weet ik niet meer zeker, al in hun bezit en waren verschrikkelijk ongerust geweest.

Ik weet nog dat we vertelden dat we ‘gepest’ achterna gezeten waren en toen een andere, langere, route hadden genomen.
Want, uiteindelijk, vonden we het fanfareverhaal zelf eigenlijk toch wel een beetje te fantasierijk om als excuus te gebruiken.

Ik hoop dat dit jaar de wandelaartjes met plezier hebben gelopen, al was het weer verschrikkelijk, met al die regen. Gelukkig hadden ze wat te snoepen onderweg!

Eau de la Benzine (by Nafta Perfumes)

Het zal de Rotterdammer niet ontgaan zijn, de werkzaamheden en de uiteindelijke feestelijke opening van de Tweede Maasvlakte.
Ik kom er niet vaak en als ik er kom is het voor het strand in de warme zomeravonden. Die zijn schaars. Maar wanneer ik er ben kan ik intens genieten van de zonsondergang voor me en de Stad van Licht achter me.

Misschien een raar verhaal, maar naast de geur van de zee houd ik ook van de geur van de Botlek en de Europoort. Ook mogen ze van mij ‘Eau de la Benzine’ uitbrengen als Luxe herengeur.
Alles heeft een reden.

Dat ik van deze geuren kan genieten komt uit mijn jeugd.
Mijn vader was namelijk Oliecontroleur, heden ten dage heet dat: Marine Surveyor / Inspector Liquid Cargoes.
Dat vond ik een machtig interessant beroep!
Mijn vader draaide vol-continue diensten en had bij tijd en wijle ‘stand by’ diensten. Dan was hij thuis, maar moest bij de telefoon blijven, want hij kon opgeroepen worden. In die tijd waren er geen piepers of mobiele telefoons, dus hij kreeg dan thuisdienst. Wanneer hij werd opgeroepen moest hij soms helemaal naar Terneuzen of Delfzijl.

Daarnaast had hij een ‘auto van de zaak’, in de zeventiger jaren al.
In mijn herinneringen waren die wagens vooral lichtblauw en luxe, zonder reclame erop.
Wél standaard een witte veiligheidshelm op de hoedenplank. En altijd rammelend rijden als ‘de melkboer’, zoals wij thuis zeiden, altijd een rekje met lege monsterflesjes in de kofferbak.
Ik herinner me nog een Vauxhall Viva en een Ford Taunus XL, met Amerikaanse puntige achterlichten.
Hij had benzinebonnen van de zaak, wat nu tankpassen zijn.
En tijdens de oliecrisis in de 70-er jaren, gedurende de autoloze zondagen,  mocht mijn vader… rijden!

Wat ook stoer was, waren zijn speciale schoenen. Deze waren van vetleer en met chemie bestendige zolen. Die kon je niet zomaar overal kopen en waren erg duur, volgens mijn vader.
Dan droeg hij een Manchester pak, zoals hij zijn corduroy broek en colbert noemde, een hemd, een overhemd en in de winter een soort van donkerblauwe commandotrui.

Hij had verhalen over het werk in de Rotterdamse Petroleumhavens, zo wist ik al jong wat ‘de eeuwige vlam‘ was, en dat had niks met de Olympische Spelen te maken en wat ‘affakkelen’ betekende. Dat de grote olieopslagtanks een drijvende deksel hadden en hij via de trap erlangs naar boven ging, op het deksel ging staan en een monster nam. Dan weer naar beneden en naar de volgende…

Soms mocht ik mee naar zijn werk, op zondag bijvoorbeeld, en dan keek ik mijn ogen uit in het lab. Dat was echt net als bij Professor Balthazar van de televisie.

De verhalen over de Mammoettankers waren ook spectaculair. Die konden niet aanmeren en voor de lading werd overgepompt moest mijn vader daar de samples nemen en ter plekke met teststrookjes de lading controleren.
Het aantal ‘cuub’ moest kloppen, maar ook de kwaliteit.
Want… ik zou het niet kunnen verzinnen… sommige olietankers wilden economisch varen en probeerden brandstof besparen door hun lading te gebruiken, te verstoken, in plaats van in hun eigen brandstof te voorzien. Maar dan klopte de lading niet meer, dus lengden ze dat aan.
Dat kon mijn vader checken met bepaalde teststrookjes. Heel veel later begreep ik dat mijn vader Douane Bevoegd was. Hij had een hele stapel papieren in een map met stempels en handtekeningen waar al zijn bevoegdheden op stonden.
Op die tankers moest hij dat dan laten zien.
Soms ging hij naar zo een Mammoet met een Loodsboot, maar soms ook per Helikopter en dan lieten zij hem met een bootsmanstoeltje vanuit de heli op het dek zakken en haalden ze hem op die manier ook van boord.
Daarna was zijn transport naar de brug een vouwfiets. Iedereen fietste over het dek met een portofoon om zijn schouder. Zo groot waren die schepen. Zó stoer!

Wanneer mijn vader echter een Naftakraker  had moeten checken, was het ‘feest’ wanneer hij thuis kwam. Voor die klussen had hij dan ook een gasmasker en die hing altijd in de kelderbox van de flat. Wanneer nodig nam hij die, inclusief filters, mee naar zijn werk.
Nafta heeft namelijk de nare eigenschap een kokhalsreflex op te wekken bij mensen.
Dus, wanneer hij thuis kwam, stonden zowel de voor-, tussen als balkondeur open en kleedde hij zich uit tot op zijn (lange) ondergoed, de kleding ging rechtstreeks naar het balkon om te luchten en hij de douche in, ons al kokkend achter te laten in huis.
Gelukkig kwam dat niet vaak voor.
Bijna had ik nooit columns geschreven voor Ech wel Rotterdams, want op een dag kreeg hij een baan aangeboden om voor zijn baas Surveyors op te gaan leiden in Houston, ik ben mijn ouders eeuwig dankbaar dat dat me bespaard is gebleven.

Ja, Shell Pernis, Paktank Botlek, Roodhoed, Blauwhoedenveen… ik ken het allemaal nog.
Mijn droom was om ooit Laborante te worden, Klinisch of Chemisch, maar pfff, exacte vakken waren voor mij zoiets als Chinees tijdens mijn Middelbare School jaren.
En, ach, uiteindelijk ben ik toch goed terecht gekomen. Ik weet zeker dat hij mij vanaf een wolk, met een pilsje in zijn hand, in gezelschap van ‘Horst’, trots bespiedt. Cheers!

Schuitje varen, theetje drinken

Vanochtend was ik, met een bak koffie, de krant aan het lezen.

Op de achterpagina stond een advertentie over Rijncruises en zo meer. Naar Keulen of over de Noord-Hollandse rivieren. Ik had een flashback naar de late 80’s, toen ik, met mijn toenmalige partner, met een gehuurde motorboot over de Friese Meren ‘survivelde’. Hij aan het roer, met een kapiteinspet op, ik met waterkaart, koffie, ontbijt/lunch/diner, aanmeren, afmeren, touwtje vast, touwtje los, op- en afspringen, uitglijden….oh ja en klompjes hengelen bij bruggen om te betalen.
Wat een ellende. Op vage eilandjes overnachten, want aanleggen in een haventje stond gelijk aan faalangst bij Captain Iglo. Dus beter doorvaren dan uitgelachen worden, was zijn credo.

Wat heeft dit met Rotterdam te maken, hoor ik u denken.
Niks, nog niet.
Nou, in ieder geval wel één ding: ik heb die week ervaren dat ik dingen kón, dingen die ik nog nooit gedaan had en die hij, mijn partner, niet kon.
Dit is de doorslag geweest om de baan te accepteren bij Justitie, in de P.I. de Noordsingel, waar ik een kleine 10 jaar heb rondgelopen op de Ring.
En het begin van het eind van onze relatie..
En tóch ga ik het niet over Hotel Traliezicht hebben…

Nee, ik ga het hebben over een wel heel leuke vaarvakantie, met mijn weekendvriendinnetje Ineke Sluyter.
Zij woonde in het weekend en soms in de vakantie op de 13e etage in dezelfde flat, bij haar oma en opa.
Dit omdat zij in het Stadscentrum van Rotterdam woonde en buitenspelen in die jaren geen optie was daar. Ze woonde echt in het centrum, in de buurt van waar nu het Schouwburgplein is. In een woonhuis, met zolder.

Qua leeftijd zat zij tussen mij en mijn middelste zus in. We hebben samen nog een Sinterklaas intocht meegemaakt en speelden vaak buiten.
Ik herinner me dat Ineke bij fris weer vaak een sjaaltje droeg. Herkenbaar, want wanneer het buiten 10 graden of kouder was, moest ik een Siberische bontmuts op, 3 maillots en 6 paar handschoenen aan. Ongeveer..

Inekes’ ouders hadden een Kruiser. Daar gingen ze in de vakantie mee varen.
En ik mocht een keer zomaar mee!
De boot lag op de Rottemeren, ergens in de buurt van een sluisje en aan wal, op het grasveld aan de dijk, stond een grote bungalowtent, voor verblijf bij onvaarbaar weer. Ergens in de buurt van Zevenhuizen, meen ik.
Daar voetbalden we soms op het grasveld of gingen een eindje wandelen.
Ome Toon voetbalde ook mee.. een man die zijn gebit in een ‘spijkerbakkie’  bewaarde en tijdens het voetballen soms ineens stil stond, zijn wijsvinger waarschuwend opstak, zijn ene been optilde en dan een knetterende scheet liet. Voor de jongens hilarisch, voor ons meisjes weerzinwekkend.
Vlakbij was een roeibootverhuur en daar maakte ik veel gebruik van. In mijn eentje, naar het eilandje aan de overkant, om een ijsje te kopen, en weer terug.
Het klotsen van het water, het plonsen van de roeispanen en de geluiden van ruisend riet en van watervogels gaf me in die tijd al een rustgevend en gelukkig gevoel. De natuur en ik, saampies. En het monotone naar voor-naar achter van de roeibewegingen. Meditatief!

Ze hadden ook een grote ‘poedel’. Die ging mee varen en als we dan op de boot sliepen, mocht ik in de punt slapen, met de hond naast me.
Jaaaaren later begreep ik, dat die poedel dus een grote bouvier was. Ik weet niet of ik dan zo rustig had geslapen als 11 jarige met een bouvier aan mijn voeten. Bouvier stond toen gelijk aan politiehond, gevaarlijk en bijtgraag.
Maar deze was zo lief!

Als we bij een eilandje aan de Rottemeren overnachtten met de boot, gingen we voor het eten nog spelletjes doen, badminton of jeu de boules of kegelen. In het gras.
Tijdens het varen mochten Ineke en ik zonnen op het voordek. En zwaaien naar andere boten!

Eigenlijk is dit de enige vaarvakantie die leuk was, de enige vakantie ervaring óp het water waar ik met plezier aan terug denk.
En mijn herinneringen aan Ineke, mijn weekend-vriendin, waar ik fijne tijden mee heb beleefd in mijn kindertijd.

Mocht iemand mij voor mijn 2x 25e verjaardag komende week een midweek of weekend op een Rottemeers of Bergse Plas eiland cadeau willen doen, liefst inclusief roeiboot, u maakt mij er zeer gelukkig mee, en als mijn hond mee mag… perfect!

Ga je mee.. naar Rotterdam aan Zee?

Kkkkkoud hè, deze dagen?
Over een week of vijf is het al weer mei-vakantie. Met kRoninginnedag en mijn verjaardag, 4 en 5 mei… moederdag. Ik denk dan aan groen gras en vogelnestjes.. bloemen en lekker in de tuin zitten.
Met een vestje naar buiten…
Niks wat er nu op lijkt, voorjaar.

Ik kan me ook wel zomers herinneren die meer herfst waren. Nat en koud.

Eén zomervakantie herinner ik me nog als de dag van gisteren. En dat was geen sweet summer, meer een nachtmerrie.
Het was de zomer dat ik met mijn middelste zus op dag-kamp werd gestuurd, verbannen is een beter woord ervoor. Hans en Grietje hadden het beter, verlaten in het bos. Het enige leuke van het kamp was dat we elke avond weer naar huis mochten.

Het was een dag-kamp in Hoek van Holland. Vakantie aan zee.
Het begon al midden in de nacht..
Om ZEVEN uur, ja, u leest het goed, 07:00u stipt, kwam de touringcar.
Die stond dan bij de Max Planckplaats/Zernike te wachten op de uitgelaten kindertjes voor een dagje regen, zee, strand en wind.
De bus reed naar de kampplaats, wat inhield: een wc-hok en twee overdekte houten eetplaatsen, met lange tafels en banken.

Daar werden mijn zus en ik uit elkaar gehaald, qua leeftijd konden we niet in dezelfde groep. GEEN uitzonderingen!
Dan gingen de twee groepen uiteen.
Tas mee en wandelen. Richting strand, via de andere kant van de wereld. Door het Staelduinse bos.. langs de snoepkraam, waar we centjes voor hadden meegekregen, maar waar we niet mochten stoppen van de leiding…
Hans en Grietje hadden tenminste nog een huisje waar ze van konden snoepen!
In mijn herinnering stond de snoepkraam ongeveer bij het NS station ‘strand’.

Zoals ik al zei: regen, zee en strand. En wind.
Eindelijk waren we op het strand.
We werden verplicht te water gelaten.
Ik ben -en was al heel jong- een fervente en goede zwemmer. Op vakanties was ik niet uit zee en zwembad te krijgen. Je herkende mij aan de gerimpelde tenen en vingers… In die tijd had ik, denk ik, geen vingerafdrukken.

In Hoek van Holland wilde ik niet zwemmen. Kwallen, sterke onderstroom en zeewater waar je bijna op kon schaatsen zo koud.
Maar ik moést, van de leiding. Leiding die, uiteraard, niet mee zwom. Die moesten op onze spullen passen, jaja…
Dus.. ik zwemmen. Op dag één, op dag twee en op dag drie, tot er een grote rubberboot over mij heen voer. En voer en voer. En benauwd dat ik het had.
En niemand die het zag.
Ik ben het water uitgegaan en heb me afgedroogd en omgekleed.
Toen de zwem activiteit was afgelopen, zijn we terug naar de kampplaats gegaan. Voor de meegebrachte lunch.
Mijn zus aan de andere tafel, ik bij de vreemde kinderen.
Wat we ‘s middags deden is me totaal ontgaan.
De volgende dag heb ik mijn zwempak thuisgelaten. Expres. Bij thuiskomst werd mijn moeder daar over ingelicht. De verráders.

Ik vertelde haar dat het zwemmen onveilig en koud was.
Nu was ik vatbaar voor bronchitis, en altijd nogal op veiligheid gesteld, dus mijn moeder was het met me eens.
Ik kreeg zwemontzegging, in zoverre, dat wanneer ik het niet oké vond om te zwemmen, ik niet hoefde.
Dat scheelde een slok zeewater op een borrel.

In de laatste dagen was er nog een ‘ongelukkie’. Een jongen probeerde zijn blikje fris open te maken. We moesten daar namelijk alles zelf doen, er was geen hulp van de leiding. Eigenlijk alleen BEGEleiding.
Ik denk dat ik niet ouder was dan 10, mijn zus dus niet ouder dan 8.

Het jongetje schoot uit met het openen van zijn blikje, de metalen lipjes zaten toen nog niet vast aan het blikje, en sneed bij zijn buurjongetje aan tafel zijn oog er bijna uit.
Dit is niet overdreven, het was een gevalletje ambulance en niet meer teruggezien op kamp.

Ik heb nooit iemand gehoord over deze fantastische kindervakanties, wie weet is er iemand die dit leest en er ook is geweest.
Ik hoor graag hoe zij dat hebben ervaren.

En ehhh, na al die jaren, dankje mam, dat je me geloofde en voor me in de bres sprong!

Hoe de winter met een sisser af kan lopen…

Ik kijk naar buiten…de sneeuw is weg. Ik kan mijn voeten plaatsen hoe ik wil, zonder uit te glijden. Gék hoe snel dat went.
De hond snoof een week geleden weer voor het eerst sinds dagen de geur van gras op. Buiten was veel spannender nu, bevroren drollen zijn zo saaaai!
Ik woon mooi, binnen 5 minuten ben ik ‘buiten’ en kijk ik op de bevroren Rotte, waar dit jaar de schaatstocht net niet door kon gaan.

Ik heb ook in de Stad gewoond, aan de Schie, bijna op de hoek van de Nieuwe Binnenweg, bij de Lage Erfbrug.
Altijd leuk, als het glad was. Bij het stoplicht was holletje trekken schier onmogelijk bij ijs, ijzel en sneeuw. Blikschade gegarandeerd!
Met een warme chocomel bij het enkel glazen raam,gierende wind door de gaatjes waar de pennen in moesten om het raam omhoog te houden.
Opgekruld in de pauwentroon, handen om de beker gevouwen en aanrijdingen tellen….

In de ochtend werd ik wakker van het gekraak van de ijsbreker door de Schie, anders konden de vuilnisboten er niet door.
Mijn slaapkamer was aan de achterkant van het huis, waar ook de badkamer en wasruimte zich bevonden.
Tijdens dit soort koude periodes sliep ik echter in de woonkamer, op een slaapbank, lekker in de buurt van de kachel.
Het kacheltje was een Pelgrim Kacheltje, (hoe toepasselijk in Delfshaven) een ronde buis van leverkleurig emaille en een front met langwerpige, smalle, geribbelde glazen ruitjes. De bovenkant was plat en rond en in de winter stond er altijd een potje water op om de vochtigheid in huis op peil te houden. Soms zat daar ook een klein scheutje geurolie in. Ik spreek over de vroege 80-er jaren.

Om een idee te geven van hoe koud het in dit niet ge-isoleerde huis was: De was hing boven aan de lijn en in plaats van te drogen hingen de handdoeken als planken, stijfbevroren, aan de waslijnen.
Douchen was een sport.

Je legde je schone kleding beneden in de woonkamer, ging gekleed naar boven, douche aan, douchedeur dicht, dan uitkleden en onder de warme douche.
Dan heel snel een beetje afdrogen, een grote handdoek om je heen slaan en naar beneden, via het koude trappengat, om je voor de kachel verder af te drogen en aan te kleden.
Aangezien de woonkamer op een bovenetage van het pand was en het uitzicht op de Schie, was er van inkijk geen sprake.
Al vraag ik me af of me dat op dat moment erg zou interesseren….

Ik woonde daar samen. Dus het plannen van douchen was belangrijk.
Ook hij kleedde zich boven uit, douchen.. etc. en via de koude trap naar de woonkamer en dan snel naar de kachel! Lekker warm.

Voor degene die niet zo hebben opgelet tijdens de biologielessen.. in de kou wil bij de heren nog wel eens een lichaamsdeel zich van schrik terugtrekken, gaan krimpen, zodat de warmte niet uit het lichaamsdeel wordt onttrokken.
Wanneer de temperatuur weer comfortabel is, ademt dat lichaamsdeel gelukzalig uit en gaat fijn weer in de bungelstand.

Ik had me al lekker met een boek geïnstalleerd toen hij naar beneden kwam in zijn grote badhanddoek.
Gauw gauw naar de kachel.. lekker warm afdrogen.. Sssshhhjjjjjjjj hoorde ik.
Aaaaaahhhhh! hoorde ik erna.
Van kleine stijfkop naar ontspannen saucijs landde zijn piemel bovenop de plaat van de kachel.
Binnen 3 seconden trok er een blaar overheen. Over de hele top.
Het liep met een sisser af..de volgende morgen heeft de (vrouwelijke) huisarts, net als bij de vierdaagse wandelaars, de blaar doorgeprikt…

Nu wachten op de zomer BBQ!

De Kakkietrap

Zo, op de valreep, voor het einde van 2012, heb ik de ‘behoefte’ aan een praatje ‘poep’.
Ben ik zo een viespeuk? Welnee, maar aangezien ik A. begin dit jaar nog in het ziekenhuis lag en geholpen ben aan mijn darmen, B. de hondenpoepproductie van dit huishouden dit jaar met 50% is gereduceerd en C. ik een verzoekje kreeg van ene mevrouw Olsthoorn uit Wateringen betreffende een serieuze activiteit tussen huis en school in de vroege 70’s (met dank), bij dezen mijn herinneringen hier aan.

In 1970 kwam het gezin in Ommoord wonen. In een flat. Dat was zeer vooruitstrevend. Ik weet nog hoe nietig ik me voelde wanneer ik voor de flat ging staan, achterover leunde en naar de 14e etage keek. Alsof de flat zó op je kon vallen.
Ook de geuren van nat beton, zand, teer en olie, de geluiden ‘s ochtends van de heimachines, het vele groen, klaprozen en korenbloemen, madeliefjes tot kransjes vlechten en spelen in ‘de bouw’ doen mij als in een tijdmachine terugflitsen naar die tijd.

Fietsen door de wildernis, daar waar nu de Bessen en Heides zijn, verstoppertje in het hoge ongemaaide gras wat nu het Ommoordse Veld is en natuurlijk het afbreken van stukken watervast krijt. Dat was helemaal geen krijt -wel watervast- het waren brokstukken van de betonnen platen die als tussenmuur in de aan te bouwen flats moesten dienen. Wij tekenden op het schoolplein daar de hinkelspellen mee en deden Landverovertje. Na een regenbui kon je gewoon in de volgende pauze doorspelen.

De Lagere School was op ongeveer 15 minuten lopen van de flat waar we woonden.

Maar het kon ook sneller.
Zoals ik in een eerder stukje al vertelde, hadden alle kinderen kaplaarzen aan met daarin, oooh waar zijn ze gebleven, dikke pantoffelsokken, geruit, met een ritsje bovenop. De kaplaarzen kochten we bij van Meerten op de Hesseplaats en bovenin, aan de binnenkant, schreven de ouders je initialen.
In de school gingen de laarzen onder de kapstok en iedereen liep op de slofjes. Lekker warm en comfortabel.

De snelle weg was door het weiland. Daar waar nu sportvereniging W.I.ON. is, was een weiland met koeien. Daarachter de boerderij met zijn grote Gouden Regen, een kastanjeboom en bloesembomen.

Wij waren niet bang voor de koeien, we trokken pollen gras uit de grond en voerden ze.
De koeien waren ook niet schuw, maar soms alleen maar nieuwsgierig.

Dé sport was, om te checken hoe vers een vlaai was. De koeienvlaaien met een laagje vloeistof erop sloegen we over, die waren vers, want het plasje van na het poepen lag er nog op. De droge vlaaien, dát was de sport.

Voorzichtig, alsof je het eerste ijs op de sloten testte, flap-flap-flap met de neus van je laars beroeren.. klonk het meer als flats-flats-flats dan was het een verse.
Maar soms…. ging het mis. Dan zakte je door de vlaai. En zat je tot voorbij de zool van je laars onder met koeienflats. Dan was je dus echt niet vroeger op het schoolplein, want je probeerde met alle macht de poep van je zolen en zijkanten van je laars te krijgen door je voeten door het schone gras te slepen.

Soms, zo in het vroege voorjaar, ruikt het hier buiten weer naar koeienmest, dan gieren de boeren die aan de Rotte nog vee houden.
Mensen zeggen dan: bah! Het stinkt buiten.

Ik niet, ik denk: mmmmmmmmmmmm kaplaars!
We dansen de Kakkietrap!

Koppie Onder in de Regio

Het is alweer December, de Feestmaand, tenminste, als we de Kerst halen volgens de Maya kenners.
Volgens mij was het houtskooltje waarmee de scribent de kalender optekende, gewoon óp, of had hij last van R.S.I.
Geen zondvloed, geen koppie onder.

Over koppie onder gesproken….
Het is winter, dan ben ik niet zo op mijn best. Kou is wel oké, met blauwe luchten en een sneeuwpak dat nooit zal veranderen in sneeuwpap en dan vanaf februari lente.
Maar striemende ijsregen of hagel, ijzel, ‘mollen’ (in het donker van huis en in het donker weer naar huis), ik heb er niks mee.

Geef mij maar de zomer!
De zomers van vroeger waren mooier, warmer, langer, lijkt het wel.
Wat deed Assie in de zomers in Rotterdam?

Veel van hetzelfde eigenlijk. Dat ik nog niet chronisch gerimpeld ben is een wonder. Ik lag eigenlijk vooral in het water.

En dan niet in een Zwemparadijs, al heb ik wel vanaf de opening ruim 2 jaar in Tropicana gewerkt, maar in recht op-en-neer baden, liefst met buitenbad en een ligweide.

Zo was ik door de week te vinden in Zwembad Alexanderpolder, aan het Bramanteplein.
Ik had er een knipkaart die de zomervakantie dekte. Voor de andere (zon-) dagen had ik een 13-badenkaart.
Ik had drie vaste zwemvriendinnen, Anja Vink, Ingrid Daman en Margriet Wiegers.
Daarnaast hadden ‘we’ een vaste ploeg vrienden om ons heen en als je echt leuk was, mocht je ook bij de club. We waren 13, 14, jaar oud, dus naast het zwemmen ook druk bezig met allerlei aanverwante tiener interesses.

Op de ligweide hadden wij ‘de Kuil’, een aangelegde dijk die de wind tegenhield en waar wij de zon op zochten aan de diepe zijde. Je hoefde het niet te wagen je handdoek daarbij te leggen, dat deed je gewoon niet, die plek was van ‘ons’. Zelfs als één van de vrienden in de groep verkering had, mocht deze alleen met goedvinden van de rest van de groep erbij, anders ging je maar lekker met hem/haar ergens anders liggen, even goede vrienden.

In diezelfde zomermaanden ging ik, met Anja, in het weekend -op de fiets- naar de Blinkert in Capelle aan den IJssel. Ligweide, buitenbad, pocketradio mee  (er waren nog geen Android telefoons of i-Pods) en Radio Mi Amigo luisteren.
Soms Radio Tour de France, vanwege de goede muziek. Als het Tourverslag begon, namen we gewoon even een duik.

Veel jongens in die tijd hadden een vakantiebaantje in de zomer. Vooral tomaten plukken was in trek, omdat je dan heel vroeg begon, dus vroeg klaar was en de rest van de dag had om alsnog vakantie te vieren.

Voor mij in die tijd was het vooral interessant om door de week verkering te hebben met de één en in het weekend met een ander. Dit onder de categorie: allerlei aanverwante tiener interesses.
De verkering voor dansles stond in de zomers stil, die zocht je toch alleen maar uit op zijn dansprestaties, liefst een ‘assistent’, zodat je zeker wist dat je je afdans diploma haalde.

Wat bijna niemand zich (meer) herinnert is het bestaan van het buitenbad aan de Dawesweg. Dat was open van mei tot september en vlak bij huis. In de zomervakanties was dit ook in de avonden open en er was een klein grasveldje bij.
Ik herinner me nog dat ik buiten de zomervakanties vóór school daar in alle vroegte en lekker zo goed als alleen baantjes trok, want naast jongens was zwemmen toch wel een grote hobby van me.
Ooit heb ik, heel wat jaartjes later, voor mijn dagdiensten, in de tijd van mijn Basis Beroeps Opleiding voor DJI, met Irene baantjes trok in het zwembad de Lansingh in Krimpen aan den IJssel, om het sportexamen te kunnen halen.

Met de familie gingen we naar de Koornmolen in Zevenhuizen, dat was gewoon heel erg groot buiten, 3 buitenbaden destijds en een heel groot veld, waar vele families neerstreken. Dat was altijd feest, pa mee, ma mee, en ik mocht in het bad waar een bord bij stond: “alleen voor geoefende zwemmers”. Soms moest mijn vader meelopen, om het toezichthoudende personeel ervan te overtuigen dat ik diploma A&B had en heel vaak zwom.

In de herfst en winter ging ik nog wel eens met een buurjongen, Frans Diermanse, met de bus naar zwembad Hillegersberg, aan de Willem van Hillegaersbergstraat, een zijstraat van de Straatweg.
Dan moest ik van mijn moeder altijd een plastic regenkapje op mijn natte haar op de terugweg. Ik kwam ook altijd netjes  met dat kapje op thuis, maar deed het pas één bushalte voor ik eruit moest op.

Tegenwoordig zwem ik niet veel meer. Ik hou niet van funbaden. Ik wil gewoon rustig aan baantjes trekken. Ik kán wel snel, ik heb ooit regionaal wedstrijden gezwommen. Ik herinner me nog dat de vader van Ingrid Daman ons twee in zijn bestelbus naar het Akragon aan het Hofplein reed en we dan onderweg naar de ‘ Dik Voor Mekaar Show ‘ luisterde op de radio.

Het zwembad aan de Dawesweg is er niet meer, het Bramanteplein bijna niet meer en ook de Blinkert is meer een recreatie voorziening geworden dan een bad om in te zwemmen. De Koornmolen heet tegenwoordig een Sport- en Gezondheidscentrum, Zwembad Hillegersberg is nu een Buurttuin en ook Ingrid leeft niet meer.

Tijden veranderen, maar wat zou ik toch graag  weer eens lekker een dagje naar een zwembad gaan en gewoon af en toe wat baantjes trekken, vertoeven op een grasveld, gewoon op mijn badhanddoek, een liga eten en weer een duik nemen.

Ik weet het zeker, Assie zwemt weg als een vis in het water!

Just a Perfect Day

Ik loop door de glazen schuifdeuren van het Medisch Centrum Ommoord naar buiten. En kabammmm! Flashback!
Gewoon de juiste temperatuur, windsnelheid, herfstgeur, najaarszonnetje en ik ben bijna 40 jaar terug in de tijd.

Ik geloof zelfs dat deze formule van Medisch Centrum de eerste in Nederland was. Huisartsen, Fysiotherapeuten, Diëtist, Consultatiebureau, Maatschappelijk Werk.. allemaal in één gebouw.

Ik herinner me zelfs nog wat namen van huisartsen daar, dr. Brahms, dr. van Dam, dr. van Dijk.. wat is een brein toch een vreemd ding. De wachtruimte toen was een centrale ruimte met ‘vakken’, maar dat was eigenlijk niet nodig. Aan de muur hing een blok met gekleurde lampjes met de namen van de huisartsen op elk van het blokje. Als het lampje van je eigen huisarts ging branden, en jij was aan de beurt, dan ging je bij de dokter naar binnen. Sommige artsen gebruikten de intercom en hoorde je je naam door de speaker. De mijne deed dat ook gelukkig, want ik was nogal onzeker en faalangstig als kind (of toen al perfectionistisch?) en het horen van mijn naam was zeer geruststellend, zodat ik niet per ongeluk voor mijn beurt op zou staan.

In die tijd hadden we wel meer moderne dingen in de wijk. Leuke en minder leuke.
Minder leuk: de schooltandarts. Naar de tandarts gaan, oké, maar onder toezicht van 2 klasgenoten in de open wachtruimte, nadat jij eerst zelf een klasgenootje krampachtig in de stoel had zien zitten, was niet bevorderlijk om van je tandartsangst af te komen.
Elke keer probeerde ik weer te doen of ik mijn naam niet hoorde, wanneer de assistente in de klas de patientjes op kwam halen. En je wist dat je aan de beurt kwam, want de witte bus stond pontificaal midden op het schoolplein.

Wel leuk was de bibliobus. Die stond wekelijks tussen de middag op een vaste plek in de wijk, ik meen aan de Kelloggplaats, In de vierde klas (nu groep 6) had ik bijna alle B-boeken al gelezen. Ik kreeg een briefje mee van de bibliothecaresse, tevens chauffeuse van de bus, voor mijn ouders. Of zij toestemming wilden geven dat ik al uit de C-boeken kast mocht lezen. Daar stonden de Thea Beckman en Hartman boeken. En boeken uit de regenboogserie, elke kleur was een ander niveau. Toen al boeken voor grotere kinderen met leesproblemen… Ook stonden in die wand de wetenschappelijke boeken. Over het weer en het heelal en over andere volkeren en culturen.
Nog steeds ben ik een fervent lezer.

Hebben jullie wel eens gehoord van de WNF-Rangers? Nou, ik was er eentje! Al heette het toen ‘lid van de Jeugd Natuur Club’ en was het allesbehalve cool of wreed om daarbij te horen.
Met echt slecht weer zaten we in de aula van de Fridtjof Nansen school, te knippen, te lezen en te plakken. Op andere dagen gingen we eropuit. Naar de Rhoonse Grienden, een wijkwandeling met als thema: bomen, of naar het Kralingse Bos, naar de blindentuin.

En eens per jaar naar de Hortus Botanicus bij de tuinbouwschool tegenover het Rotterdamse Kralingse bos.

Zo in het zonnetje komt dit allemaal in mij naar boven. Wat ben ik blij dat ik in die tijd ben opgegroeid. Jammer dat zoveel is weggesijpeld in de 80’s en 90’s, maar wat mooi dat veel weer wordt herontdekt of opnieuw uitgevonden, op een manier die in dit tijdbeeld past. Want één ding is zeker, van lezen en kennis van de natuur en buiten zijn, wordt een mens al vroeg veel slimmer dan van Wikipedia.

Ja, ik heb in het gezondheidscentrum nog steeds een vaste huisarts! Fijn!
Ik stap in mijn auto en neurie..

Just a perfect day
Feed animals in the zoo
Then later a movie too, and then home

Op Glad IJs

Mijn moeder was in verwachting van mij tijdens de koude winter van 1963, een jaar met een Elfstedentocht.
Je kon over de Waterweg rijden met de auto, heb ik gehoord. Nou ik zat lekker warm! En ben pas in het voorjaar om het hoekkie komen kijken.
Ik heb dan ook niks met de winter, van mij mag het sneeuwen en hard vriezen tussen Kerst en Oud & Nieuw en dan moet het weer afgelopen zijn…

Maar goed, winters horen bij het leven.

Op zolder stonden achter de luiken de ijsbloemen op de ramen -er was nog geen dubbel glas en geen haard op de bovenetage.

Met wollen wanten aan een sneeuwpop maken op straat… natte, koude handjes, tintelend bij de kachel…

Maar het ergste was toch wel… schaatsen!!!!
In een veel te dikke jas met gebreide muts met ballen onder je kin geknoopt, maillot waar je in werd gehesen tot je hele ‘onderkant’ pijn deed, wanten aan (een mof was voor de zondagen en tevens onhandig bij het schaatsen) en dan onderbinders aan. Dubbele ijzers met riempjes onder je laarsjes gebonden. Rode riempjes.

En dan.. het ijs op. Op de grote vijver in Het Park. Achter het Noorse Zeemans Kerkje aan de Westzeedijk. Spannend! Voor het eerst op schaatsen!

 

Vaste lezers weten over mij en Opa Bram, met zijn brede kennis en verhalen. En ik was de spons, die al die informatie opzoog.
Zo had Opa mij wel eens verteld dat snoeken roofvissen zijn, die eendenkuikens verschalken als  ze de kans hebben.

Terwijl ik wiebelend op het krakende, glasheldere, ijs stond,  zag ik de gestreepte monsters onder mij door glijden.
Eendenkuikens waren er niet in de winter.

Wat…wat als ik door het ijs zakte? Dan zouden ze mij misschien bijten???

Ik wil niet meer…. zei ik tegen mijn moeder. Ik heb het koud.

Ik ben blij dat ik niet beroemd ben geworden… had ik uitgenodigd geworden voor: Sterren dansen op het IJs…

MIJ niet gezien.

Wel heb ik jaren later, in de vroege jaren 80, genoten van het uitzicht op Voorhaven, dichtgevroren en zwierende schaatsers op het ijs. Koek en Zopie tentjes geregeld door de plaatselijke Horeca en lichtjes opgehangen door de studentenvereniging.
Gewoon een ansichtkaart van een eeuw terug in de tijd.

DAT dan weer wel!

Dank U Sinterklaasje !!!!

Eén van de spannendste dingen in een kinderleven is het Sinterklaasfeest.
Natuurlijk is 5 december zelf de apotheose van de voorpret, maar nog voor de aankomst van Sinterklaas loopt de spanning hoog op.

Op de scholen worden in, wat nu geheten,  groepen 1 en 2 en de onderbouw van het basisonderwijs al liedjes geoefend om luidkeels Sint en zijn Pieten te kunnen verwelkomen en strakjes bij de schoen te kunnen zingen, natuurlijk uit volle overtuiging.

Zelf was ik het type kind, en nog steeds wel,  van: een kinderhand is snel gevuld. Dat was ook zo met mijn schoentje. Ik ben snel tevreden.

Wij hadden al een gashaard in Delfshaven terwijl oma en opa nog een kolenkachel hadden.
De gashaard was handig voor meer dan verwarmen. Zo ‘streek’ mijn vader op de ronde hoeken mijn satijnen haarlinten op de kachel en kon de soep erop warm gehouden worden. Ook was het een mooi apparaat om bovenin je kleurpotloden in de kachel te laten vallen om daarna naar het verbrandingsproces te kijken achter de ruitjes.
Mijn moeder vond dat niet zo leuk en eigenlijk heeft het verbieden ervan mijn ontwikkeling in Bèta-vakken gestagneerd.

Maar wij, mijn zusjes en ik, zongen uit volle borst naast onze schoenen, voor de kachel, met een wortel en een glaasje water voor het Paard.
In pyjama en pantoffels. Buiten al donker, dus daarna naar bed .. naar bed.

We sliepen met zijn drietjes op de ‘halve’ zolder. De andere helft was van de buren en Jenny en Cocky sliepen daar.
Helaas hadden mijn ouders gedacht aan een babyfoon.. een intercomsysteem destijds… waar regelmatig uit klonk “Slapen, NU!” wanneer er weer eens een wedstrijdje trampolinespringen op de spiralen bed bodems aan de gang was.
Ook in de weekenden hadden wij veel lol wanneer we wakker werden en speelden we uitgelaten, wachtend op mama die ons zou roepen. Aangezien wij luiken voor de ramen hadden (enkel glas daar en op de 3e etage)  hadden we geen idee of het 4 uur in de ochtend was of ‘al weer’ 8 uur….

Maar ik dwaal af….

Schoen gezet.. de volgende ochtend was erg spannend. Wachten op mama, dan mochten we mee naar beneden. – probeer dat nu eens als ouder, met kids die in het weekend al om 6 uur voor de televisie zitten, stilletjes, kijkend naar Cartoon Network of Zappelin-. Mijn ouders hadden alle tijd om een verdieping lager de wortel te doen verdwijnen en het glas leeg te gooien.

In onze schoen zat altijd iets leuks. Of lekkers. Of allebei. Ik was blij met wat ik kreeg van Sinterklaas. Hij kon niet weten dat ik misselijk werd van grote suikerbeesten en gevulde chocomuizen. Maar een mandarijntje was al goed.

En je schoen vol betekende dat je lief bent geweest.

Op een dag was het die avond weer ‘schoenzetten’.
Het was een druilerige dag, maar dat hoort bij Sinterklaas.
Mijn twee jaar jongere zus en ik gingen buiten spelen. ( bij gebrek aan PC, 399 televisiezenders, Wii’s, Playstations, DS’sen etc., etc.)

Wij konden heel goed buiten spelen daar, want we konden heel ver weg op straat, zonder over te hoeven steken.
Hoe we op het idee kwamen… ik kan het me niet meer herinneren, maar we gingen ‘een rondje doen’.

De deur uit lopen, rechtsaf langs van der Ven groenten en fruit, hoekkie om de Coolhavenstraat in en dan langs de Piet Heijn school, de poort van de kleuterschool voorbij, nog een stukje doorlopen en dan de Schoonderloostraat in, op de hoek van de Coloniastraat.

Aan het einde van de Schoonderloostraat kon je de Willem Buytewechstraat weer op.
Maar dat ging niet zomaar… De Havenstraat en de Schoonderloostraat lagen aanzienlijk lager dan de Willem Buytewechstraat en de 1e IJzerstraat.
Om weer boven te komen was er aan het eind van de Schoonderloostraat ,die dus dood liep, een straatbrede stenen trap met heel veel treden met – -voor een kind-  erg grote ‘stappen’.
En zwaar verboden voor mijn zus en ik. Dus… terug of.. op avontuur.

Wij kozen voor het laatste.
En begonnen de trap te bestijgen. Met kriebels in onze buik omdat we wisten dat we iets deden wat niet mocht.

We waren al halverwege, het ging niet snel, want de ijzeren leuning was wel erg hoog en moeilijk vast te houden en we moesten hele grote stappen nemen. Ik weet niet meer wie van ons twee het eerst alarm sloeg, maar aan het begin van de Schoonderloostraat zagen wij onze vader naderen… dát was niet goed!! Snel draaiden we om, en probeerden snel, voor hij ons zag, verder naar boven te klimmen, maar tot onze ontzetting keken wij in het gezicht van Opa Bram, die boven aan de trap stond..
Ingesloten! Be’trapt’…

Moeder en Oma in paniek.. overstuur en de mannen eropuit gestuurd.

Die avond zongen wij extra hard. Om Sinterklaas te laten geloven dat wij héle lieve kindertjes waren.
En ja, de volgende ochtend waren ook onze schoenen gevuld….
De één had een roe… de ander een zakje zout…

Dank U Sinterklaasje !!!