Tram.

Mei 1960. De ochtendzon zorgt voor een aangename temperatuur waardoor de wachtende trampassagiers in een goede stemming zijn. En lijn 11 is precies op tijd. Tijdens het instappen worden ze hartelijk verwelkomd door een markante conducteur: “ Gommelmogge dames en heren er is nu nog plaats , dus ga gauw zitten….of blijf staan, wadduwil”
Tegen een hoogzwanger kindvrouwtje zegt hij: “Kom gauw zitten, meissie” En helpt haar naar de dichtsbijzijnde zitplaats. Wacht tot ze zit en terwijl hij met een zwierig gebaar aan het signaalleertje trekt schalt zijn zware stem: “Houwwuvast!” Als de tram zich in beweging zet begint hij aan zijn kaartjeskoopronde. Als een goochelaar hanteert hij het kaartjeskistje, het stempelapparaat en het allermooiste machientje dat er bestaat: de kleingeldwisselaar met zes aparte vakjes- en schuifjes voor de munten. Voor de kleine jongen die bij zijn moeder op schoot gezeten het apparaat van dichtbij kan bekijken is het een wonder van vernuft als hij de handen van de conducteur vlug en virtuoos langs de verschillende schuifjes ziet gaan. De duim van de conducteur gaat zo snel dat hij niet ziet wat er nou precies gebeurt en onderzoekt het dan zelf maar. Hij druk een schuifje naar beneden en kijkt verwondert een grote munt na, die ratelend op de vloer van de tram valt. De rijksdaalder krijgt niet de kans om weg te rollen omdat de conducteur er zijn voet opzet. “Ahah, poging tot diefstal!” roept de conducteur terwijl hij de munt onder zijn schoen vandaan haalt.
Als hij weer rechtstaat ziet hij dat de geschrokken moeder haar zoontje een lel voor z’n kop  geeft. “Ach mevrouw, hij wil alleen maar effe kijken hoe het werkt. Zo erg is dat toch niet? Deed ik vroeger ook” en klopt het jongetje vriendelijk op het hoofd. De moeder kijkt lichtelijk verward toe hoe de conducteur hem de werking van de wisselaar laat zien en het hem zelfs even laat proberen
“Jij wilt zeker later ook conducteur worden, hè?” vraagt hij, waarop het jongetje snel antwoord met: “Nee hoor, vliegenier.” “Veel beter” glimlacht de conducteur en is al bij de volgende klant: een chic uitziende dame die op bekakte toon haar bestelling plaatst, waarop hij reageert met de vraag of hij het kaartje ‘voor haar in moet pakken’ en stapt verder. Hij hoort twee opgeschoten jongens dubbelzinnige opmerkingen maken over het zwangere kindvrouwtje, draait zich om en bijt de brutaalste van de twee toe: “Als jou moeder het toen niet gedaan had, hadden we nu een etterbakje minder gehad,” en loopt gelijk door naar het aanstaande moedertje met de vraag of ze een grote mensen kaartje wil, knikt haar beschermend toe en roept “Klaasje de Vries!!” De volgende halte is de Claes de Vrieslaan. Als hij het balkon opstapt ziet hij net op tijd dat een man, die met zijn rechterhand het rechterhandvat bij de open balkondeuren vastheeft, zich klaar maakt uit de tram te stappen voordat deze stilstaat. “Meneer! U moet wel met de linkerhand het linkerhandvat vasthouden anders…” “Bemoei je d’r niet mee” snauwt de man, stapt uit en maakt een behoorlijke schuiver, waardoor hij met zijn gezicht op het asfalt terechtkomt naast de langzaam rijdende tram, die even later tot stilstand komt. De conducteur roept vanuit de tram en naar de verblufte gevallene; “Nooit naar de conducteur luisteren, want die is toch gek”. Dan kijkt hij naar het bordje naast de deur en mompelt: “En het staat er toch zó duidelijk”
Door de nieuwe passagiers is de tram nu vol, met als stralend middelpunt de conducteur, die als een veldheer om zich heen kijkt en brult: “Houdduvast” Als het rijtuig weer in beweging komt vraagt een nerveus bewegende jongeling aan de somber kijkende heer naast hem: “Me-me-meneer, koh-koh-homt deze tra-tra-tra hem o-o-wook bij de Be- he- he- laak?” De aangesprokene kijkt met opeengeklemde kaken strak voor zich uit en zwijgt. De jongeling herhaalt zijn vraag met hetzelfde resultaat. Gelukkig brengt de conducteur redding en legt hem geduldig uit waar hij moet overstappen, waarop de jongeling goed geïnformeerd het voertuig verlaat. De conducteur draait zich om naar de somber kijkende heer en vraagt: “Waarom gaf u die jongen nou geen antwoordt? Hij heeft het toch al zo moeilijk!” De aangesprokene staat zichtbaar moed te verzamelen en hakkelt dan zijn antwoord: “Duh..duh… henku daddik een kuh-huh-huh…lap imme gezicht wil hebben?”
De conducteur kijkt eerst verrast en begint dan onbedaarlijk en aanstekelijk te lachen. Enkele omstanders lachen mee en weldra lacht het hele balkon en daarna de hele tram. Op straat kijken de mensen verrast op. Wat is dat nou, een schaterende tram, zie je ze denken.
Als de lachbui geluwd is, stapt de conducteur op de sombere heer af en bied zijn excuses aan. Maar ja, het was ook zo grappig, toch?. Hij knikt glimlachend en stapt daarna, met een hele meute nog nalachend, uit bij de volgende halte, waar twee keurig geklede heren op het punt staan in te stappen. Ze aarzelen. De langste van de twee roept naar de conducteur: “Hee Sie! Die geht bis zum Hauptbahnhof?”
Door de stem van de Duitser maakt de aangesprokene een ware metamorfose door. Allereerst verstart zijn houding. Zijn gezicht wordt spierwit en zijn ogen groot en zwart. Van de vriendelijke Rotterdamse conducteur is weinig meer over. Hij probeert zich duidelijk te beheersen en de passagiers zien zijn worsteling en zwijgen eerbiedig. Hij moet hen wel kaartjes verkopen en stapt als een zombie op de mannen af. Op dat moment hoort hij de een tegen de ander zeggen: “Was ist komisch, Sie sehen hier fast keine antiken Gebäude” De conducteur staat bijna neus aan neus met de langste Duitser, boort zijn woedende blik in de ogen van zijn opponent en sist: “Die hebben jullie in 1940 in mekaar gepleurd. En nou mijn tram uit!!” De beide heren sluipen beduusd naar de balkondeuren, wachten tot de tram stopt en stappen onhandig uit. Van hun arrogante houding is niets meer over. De conducteur kijkt dof voor zich uit en mompelt: “Ze hebben me vast niet verstaan, maar wel begrepen.” Wat door luid applaus wordt onderstreept.

Aad Wieman, Rotterdam 19-6-16. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn tekst redigeert.

Stenengooier.

Wanneer je als 7 jarige jongen enkele maanden in een weeshuis moet verblijven omdat je moeder tijdelijk niet voor je kan zorgen en je op een school wordt geplaatst waar niemand je kent, dan is het leven geen grapje. Dat ondervond Leendert, die in het weeshuis en op school werd uitgelachen om zijn kortgeschoren kapsel, eivormige schedel en malle fratsen. Als reactie hierop ging hij nog meer de clown uithangen, wat hem niet in dank werd afgenomen omdat door zijn onbesuisde grappen er wel eens brokken werden gemaakt. De groepsleidster van het weeshuis juf Janneke en meester Sluyter op school, voerden onafhankelijk van elkaar een streng regime tegen hem. De beide pedagogen hielden hem scherp in de gaten, waardoor hij de opgelegde straffen voor zijn misdragingen niet kon ontlopen. Hij droeg zijn lot als een man. De leiding van het weeshuis probeerde via vertrouwelijke gesprekken dichter bij hem te komen, waarbij hij niet vertelde dat hij zijn moeder verschrikkelijk miste. Hij beet nog liever zijn tong af!
Het enige moment waarbij hij zich op zijn gemak voelde was tijdens de wandeling van school naar het weeshuis. Daar werd hij door niemand in de gaten gehouden en kon net zo mal doen als hij wilde. Met als publiek een tweeling bestaande uit twee kleine jongens die vaak met hem opliepen en welwillend om zijn bravoure lachten. Totdat hij een keer zomaar, zonder enige reden, een steen gooide die per ongeluk tegen het hoofd van het ene tweelingbroertje aankwam en daar een bloedende hoofdwond veroorzaakte. De jochies spoedden zich huilend naar huis en werden daar opgevangen door de moeder die kordaat bij de huisarts aanklopte, die snel de wond hechtte en er een indrukwekkend verband om deed.

Het nieuws van het stenengooien was Leendert vooruit gesneld en bij aankomst in het weeshuis werd hij onmiddellijk gearresteerd en door Juf Janneke aan een scherp verhoor onderworpen. Zij kon een triomfantelijke grijns nauwelijks onderdrukken toen ze meldde dat ze die middag naar het huis van het slachtoffertje zouden gaan om geconfronteerd te worden met zijn boze moeder. Daar zou Leendert er flink van langs krijgen. Juf Janneke wandelde een uurtje later met haar arrestant naast zich, grimmig zwijgend naar het huis van de tweeling, belde aan en toen de deur werd geopend door een vrouw die verrast naar hen keek, sprak Juf Janneke de onsterfelijke woorden: “Nou, hier istie dan” “Ben jij Leendert? Kom gauw binnen!” zei de vrouw die de moeder bleek te zijn. In de huiskamer zat het slachtoffertje in de pappastoel met naast zich zijn tweelingbroer. “Kom eens even bij me?” zei de moeder zacht, pakte Leendert bij zijn handen en keek hem vriendelijk aan. “Heb je een hekel aan Daantje?” Leendert had deze vraag niet verwacht en verbaasd schudde hij snel zijn hoofd. “Was het een ongeluk?” Hij voelde ineens de kille aanwezigheid van Juf Janneke en sprak schor “Ja mevrouw” “Je bent zeker wel erg geschrokken, hè?” “Ja mevrouw” “Zou dit helpen?” De moeder hield hem een plak chocolade voor zijn neus. Leendert pakte het verbaasd aan en keek naar Juf Janneke die zich stond te verbijten.
Waar bleef die uitbrander nou, verdomme? “En? Wat zeg je nou?” siste Juf Janneke
“Hij hoeft niks meer te zeggen juffrouw, want hij gaat voortaan beter oppassen, hè Leendert?” sneed de moeder haar de pas af, terwijl ze Leendert tegen zich aantrok en hem over zijn kort gesneden kapsel aaide. Terwijl de jongen tegen haar aanleunde sloot hij even de ogen.
“Maar, moet u niet….”  “Nee. Nergens voor nodig. Alles is gezegd. Ook door U.”

Het bovenstaande is gebaseerd op een ware gebeurtenis. Ik weet dat omdat de tweeling mijn jongere broertjes zijn en onze moeder Leendert troostte met het stuk chocolade. Als uw reporter stond ik er met mijn neus bovenop. Ik kan u nog wel vertellen dat hij door de broertjes vergeven werd. Moeder vond dat Leendert zijn stuk chocolade met niemand hoefde te delen. Juf Janneke reageerde daarop door een nog zuiniger mondje te trekken dan ze al had. De eerstvolgende schooldag ging moeder mee naar school om de meester van de klas te vertellen over het ongeluk. Toen deze pedagoog haar minzaam had aangehoord beloofde de beroepsopvoeder hem onder handen te zullen nemen en zette zijn bleke handjes “stoer” in de zij om aan te geven dat het serieus aangepakt zou worden. Moeder sprak luid en duidelijk: “Dat hoeft niet meer, want dat heb ik al gedaan.” “O? Hoe dan?” “Door hem een plak chocola te geven” Ze keek hem hierbij zo doordringend aan dat zijn mond van schrik samentrok tot een rondje: “pedagogisch hoor” sprak hij na een korte pauze vals vriendelijk.
Moeder hief haar vijsvinger voor zijn gezicht: “En geen woord tegen dat ventje”
Ik geloof niet dat de meester Leendert strafregels gegeven heeft. Wat had hij dan moeten schrijven? Honderdmaal: Ik mag geen stenen naar kleinere klasgenoten gooien, of zoiets? Dat soort dingen deed het onderwijzend personeel in 1960. Wat dat betreft is het onderwijs verbeterd.

Aad Wieman, Rotterdam 16-5-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

 

Kannibaal

In het restaurant van een groot warenhuis zitten een hoog geblondeerde en bont geklede dame-op-leeftijd tezamen met echtgenoot en dochter koffie met gebak te nuttigen. Tussen moeder en dochter staat een met tassen behangen wandelwagentje waaruit baby geluidjes opstijgen. Om de blonde vrouw hangt het glanzende aura van de kersverse oma, die er volgens haarzelf nog deksels jong uitziet. De veel gehoorde kreet: ”Wat? Al oma? Nou dat zou je niet zeggen!” doet haar dan regelmatig blozen van genot. De eveneens kersverse opa denkt er zo te zien heel anders over. De vijandige blik die hij op een voor hem staand kopje koffie richt spreekt boekdelen.
“D ‘r zit verdomme geeneens melluk bij de koffie” mompelt de grootvader en leunt naar achteren in zijn stoel, niet van plan tot handelen over te gaan.
“Er ligt een zakje creamer bij, Arie. Dat is veel gezonder voor je” snauwt zijn vrouw op een toon, alsof ze het voor de zoveelste keer zegt. Ondertussen kan ze haar ogen geen moment van de baby afhouden. Ze lacht voortdurend tegen het wurmpje in het wandelwagentje en maakt daar kirrende geluidjes bij.
“Ik mot geen poeder en dat weet je” repliceert Arie en doet de armen over elkaar om aan te geven dat de discussie nu pas begonnen is. Oma blijft zich concentreren op de baby en negeert haar echtgenoot. De vermoeid uitziende dochter zucht geërgerd, staat op en stampt naar de balie om melk te gaan halen voor haar pappie. Op dat moment begint de baby zachtjes te huilen waarop de vrouw verbaasd opveert en haar borsten voorzichtig vasthoudt. “Joh Arie, mijn melk schiet toe. Dat gaat nooit over.” Arie ’s gelaat vertoont achtereenvolgens verschillende uitdrukkingen: verrast, verbaasd, verward en als laatste slim. “Ik al tevreden met een beetje koffiemelk, Riet” zegt hij met een scheve grijns.
Zijn vrouw heeft net de baby uit de wagen getild, trekt het mutsje van het hoofdje en begint het wurm verwoed te knuffelen. “O, heerlijk jong” lispelt oma en hervat haar geknuffel. De dochter is terug van haar melk corvee en plaatst een kannetje koffieroom naast het kopje van haar vader met de mededeling: “soo, melluk voor opaaa!” De spottende toon ontgaat hem niet en met een nijdige blik naar zijn echtgenote zegt hij luid: “Dank je schat. Aan jou heb ik tenminste wat!” Maar oma is met belangrijker zaken bezig. “Ooo, moet jij zo lachen tegen oma. Kijk Bianca, ze lacht, ze lacht! O kijk nou! Ze lacht echt. Ja, jaah! En daarnet schoot ook oma d ‘r melk toe!” kweelt ze tegen het kleine, tot een grimas vertrokken gezichtje. Arie en Bianca kijken elkaar veelbetekenend aan.
“Ja, ga jij zo lachen tegen oma? En tegen mamma en tegen pappa en tegen tante, maar niet tegen opa hè? Dat is zo ’n ouwe saggerijn! Daar valt niks te lachen, hè?” scandeert oma en begint de baby weer uitbundig te knuffelen. Arie kijkt vol walging naar het gedrag van zijn eega en steekt van wal: “Gatverdamme Riet. Dit is strafbaar, dat gesabbel. Niet normaal. Je bent een pedofiele oma. Je neemt zelfs grote happen van dat kind. Je vreet verdomme mijn kleindochter op. KANNIBAAL!! Je kan zo opgepakt worden voor pedofilie en kannibalisme!”
“Paha, laat haar nou. Het is d ‘r eerste kleinkind.” Zucht dochter Bianca en pakt resoluut de baby uit de handen van haar moeder, gaat zitten, knoopt haar bloes open en legt de baby aan, waarop deze gulzig begint te drinken.
De vermoeidheid verdwijnt uit het gezicht van de jonge vrouw. De ontspanning maakt haar mooi. Arie zwijgt en kijkt stil naar zijn dochter. Oma zit met lege handen en kijkt ook zwijgend en ontroerd toe.
“Hee, Arie!” klinkt ineens een mannenstem.
“Hee Japie Houtekop! Ouwe gek. Hoe kom jij nou hier?” roept Arie en staat op spreidt zijn armen ter begroeting en omhelst de forse man, die een gezicht heeft dat het meest wegheeft van een boomstronk. Zijn aanstekelijke lelijkheid heeft gedurende zijn bestaan veel hilariteit veroorzaakt bij zijn medemens. De beide vrouwen aan de tafel slaan verbijsterd, met hetzelfde gebaar, de handen voor hun mond. Arie stelt Jaap aan zijn vrouw en dochter voor, die nog steeds ongelovig naar de knoestige kop kijken. Ze kunnen geen woord uitbrengen. Jaap geeft moeder en dochter een hand en zegt met onverwacht diepe stem: “ En, is dat de nieuwe nazaat van Arie?” Riet wil gaan spreken maar wordt in de rede gevallen door Arie: “Da ’s me kleindochter en ze heeft al naar me gelachen” kraait hij en kijkt triomfantelijk naar zijn echtgenote die hem verontwaardigt aankijkt. “Niewaar, da kannie” krast Riet. “Jawel. Vanmorgen. Ik was effe alleen met d ‘r”  “Dat mot ik zien. Ik geloof er geen donder van, Arie. Maak haar eens aan het lachen dan?” Riet wijst gebiedend naar de baby die lodderig in de armen van haar moeder ligt. Arie kijkt geschrokken om zich heen. Ze hebben plotseling de aandacht van alle aanwezigen. Aarzelend knielt hij voor zijn dochter op de grond zodat zijn gezicht vlakbij het babyhoofdje verschijnt, dat angstige trekken begint te vertonen, waardoor de opa met allerlei grimassen probeert het kind een lachje te ontlokken. Dit lukt niet. Zijn kleindochter blijft hem ongerust aankijken. Er komt wel een lachje. Maar in de vorm van een hatelijke lach van oma, die Arie opzij duwt en zich vooroverbuigt naar de baby: ”Hallo, schat. Jij gaat wel lachen tegen oma, hè?” Haar te luide en doorrookte stem klinkt zo dwingend dat de baby begint te huilen. Arie kijkt triomfantelijk naar het publiek, dat een hoongelach laat horen, hetgeen de woede van oma tot gevolg heeft. Ze gaat er even flink voor staan om het ondankbare publiek de huid vol te schelden maar merkt dat iedereen langs haar heen kijkt naar iets achter haar. Als ze zich omdraait ziet ze het grote lichaam van Jaap over de baby gebogen staan en hoort ze zijn diepe stem zachtjes vragen: “Waarom moet jij zo huilen?” Het kind stopt subiet met huilen en als Jaap zijn grote gezicht met enige moeite heeft geplooid tot een glimlach, lacht de baby terug met een verrassend vrolijk geluidje. In het restaurant valt een eerbiedige stilte. Opa en oma kijken Jaap bedremmeld aan. Deze zegt alleen: ”Het is een gave”

Aad Wieman, Rotterdam, 3-4-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen voor de redactie.

Schotsie piepen

De winter van 1963 was, zoals bekend, de koudste winter van de vorige eeuw. Met temperaturen van rond de – 15 graden, zodat de oren van je kop vroren en toch ging je op de fiets, over de Abraham van Stolkweg naar de ULO school in Overschie. Niet de mode, maar de ijzige koude schreef hier de wet voor.

Warm gekleed en getooid met de merkwaardigste hoofddeksels, bestaande uit mutsen, lappen en dassen die je als 15 jarige normaal voor geen goud zou dragen. Buiten was alles lichtgrijs. De grond, de lucht en het water hadden dezelfde grijstint met hier en daar een donkerder accent, zodat je een beetje wist waar je fietste. De singels, de vijvers en de vaarten waren stijf bevroren. Ook de Schie zou wel bevroren zijn. En dat wilden we tussen de middag graag onderzoeken.

Gevieren gingen we, in plaats van naar de overblijf op pad en wandelden in de richting van de Schie. Het plan was om over het ijs naar de overkant te lopen. Waarom? Zomaar! Vier 15 jarige jongens: vrolijke Dick met zijn bravoure, laconieke Ruud, die het best beschreven kon worden als “cool”. (want hij had altijd als eerste de meest swingende schoenen) En “ Gimp”, waarvan we de echte naam niet wisten en ikzelf als uw verslaggever. Als kleinste van de klas deed ik natuurlijk mee voor zoete koek, dus kan ik me nu maar beter een bepaalde functie toeschrijven.

Bij de Schie aangekomen zagen we een sleepboot met verzwaarde boeg bezig het ijs te breken. Dick en Gimp keken beteuterd. Ze zagen tot aan de andere oever alleen maar ijsschotsen drijven. Ze hadden zich tijdens de wandeling een heroïsche voorstelling gemaakt van de tocht over het ijs en dat kon nu niet doorgaan. Dick praatte een minuut geleden nog opgewekt over het leger van Napoleon en de ijzige terugtocht over Russische rivier de Berezina. Ruud viel Dick in de rede en wees naar de voorbij varende sleepboot en zei: “Die vaargeul moet open blijven voor de aken die hier altijd varen. Dat is een ijsbreker. Dus.” Hij keek er overdreven ernstig bij. Je wist bij hem nooit zeker of hij het meende. Hij kon je soms ineens heel dreigend aankijken en sissen: “wou je vechten?” om dan gelijk om te slaan als het blad van een boom en zich te verontschuldigen met: ”Ik niet.” Gimp liet zich niet uit het veld slaan en klom over de basalt blokken naar de waterkant. Zonder dralen stapte hij op de dichtstbijzijnde schots en draaide zich triomfantelijk om, wenkte en stapte op een tweede schots, die vervaarlijk begon te wiebelen. Wijdbeens en met de handen in de zij hervond hij zijn evenwicht, stond rustig op de schots en keek ons met een zelfverzekerde grijns aan.
“Lefgozer” mompelde Dick en stapte over de basaltkeien op het ijs en sprong vervolgens van de ene op de andere schots tot bij Gimp die Dick gelijk vast greep zodat ze elkaar in evenwicht konden houden. Tenslotte was Dick niet voor niets de beste met gym. Schaterend keken de jongens elkaar aan en wendden daarna de blik naar de overkant. Hun einddoel. Ze bleven ons wenken. “Ik heb nieuwe schoenen!” riep Ruud naar de waaghalzen. ”Nou en?” was het antwoord . Ruud maakte een begrijp-je-dat-nou gebaar naar mij en keek bezorgt naar zijn glanzende laarsjes.
Intussen was de sleepboot teruggevaren en ging midden op de vaart liggen. In de stuurhut zagen we twee silhouetten van de bemanning. Dick en Gimp hadden net ontdekt, dat als je elkaar goed vast hield en dan tegelijk sprong, je gemakkelijk van de ene schots op de ander kon komen, waardoor ze flink opschoten. Plotseling schalde er een blikkerig geluid over het water. Een van de mannen in de stuurhut had de megafoon ingeschakeld. De metalen stem riep: “Jongens, ga van dat ijs af. Dat is veel te gevaarlijk.” Op dat zelfde moment lieten de jongens van schrik elkaar los. Gimp stond ineens alleen en de schots waar Dick opstond kantelde, waardoor hij in het water tuimelde en kopje onder ging. Hij kon zich nog net aan de schots vastgrijpen en hees zich er op en terwijl hij naar de kant scharrelde klonk er door de sleepbootmegafoon een honend geschater. Door het metalige geluid klonk het nog hatelijker. Ruud en Gimp hielpen Dick op het droge. Hij was kletsnat en keek verbijsterd van de een naar de ander totdat hij begon te klappertanden en bevend in elkaar dook. We wisten dat er snel iets moest gebeuren. We hadden pas op school geleerd dat onderkoeling heel gevaarlijk is. Ruud wees naar het dichtstbijzijnde flatgebouw: “Rosita woont daar in die flat. Effe kijken of er iemand huis is” Ze
renden naar het portiek, belden aan, spraken door de intercom, struikelden de lift binnen die hen naar de 5e verdieping bracht. Gimp en ik bleven in de hal achter en er zat niets anders op dan weer naar school te gaan. Onderweg bleef Gimp mij doorzagen over de borstjes van Rosita, omdat hij ze wel eens betast zou hebben en gevoeld had dat ze geen BH droeg. Rosita was als ik me goed herinner niet knap maar rijper dan de andere meisjes en dat maakte haar in onze ogen interessant. Van de acties van Gimp geloofde ik geen ene moer en toen we op school arriveerden had Ruud, die gek genoeg eerder dan wij aanwezig was, zijn verhaal gedaan en de opwinding onder de leerlingen tot grote hoogten doen oplopen. De volgende dag kwam Dick wazig glimlachend op school. Er werden van alle kanten vragen op hem afgevuurd met als resultaat dat zijn glimlach veranderde van wazig naar geheimzinnig. Het bleek dat toen hij in het huis van Rosita binnenkwam, hij zonder plichtplegingen in een heet bad werd gestopt. Op de vraag of Rosita zijn rug gewassen had schudde hij ontkennend zijn hoofd en mompelde: ”D‘r moeder” En weer met die glimlach. Wij, 15 jarige jongens deden er het zwijgen toe en over die moeder konden we alleen maar fantaseren, want Dick weigerde er verder nog iets over te zeggen en vertoonde alleen nog die irritante glimlach van hem.

Aad Wiegman, Rotterdam, 13-3-16. Met dank aan Jolanthe van Dongen voor het redigeren van de tekst.

Gronings

“Als je wilt onderduiken, moet je dus naar Groningen”, reageerde mijn vader nadat hij mijn Groningse avonturen had aangehoord. Zijn stelligheid werd zeker ook ingegeven door zijn afkomst, omdat zijn vaders wieg in Hoogezand/Sappemeer  ( Zuid – Oost Groningen) stond.  En in dat deel van de provincie speelde ik in een aantal dorpen een serie schoolvoorstellingen.

De voorstelling heet de Tovenaarsleerling en gaat over een bedelaartje dat bij toeval in het kasteel van een tovenaar belandt, zijn leerling wordt en op een nacht alleen in het kasteel gelaten is, als er een doodziek hondje aan de poort krabbelt en het enige wat de leerling kan doen is naar de geheime kamer van zijn meester te gaan om het stervende beestje te redden.
Begeleidt door mooie lichteffecten, spannende muziek en met behulp van pantomimetechniek beklimt de jongen de wenteltrap naar de verboden kamer. Een opgerold dekentje suggereert het zieke hondje en als naast het speelvlak dia ’s met afbeeldingen van het decor worden vertoond op een papieren scherm ter grootte van een deur, is de spanning optimaal. In Zuid-Holland schreeuwen de kinderen in de zaal dingen als: ”Nee, niet naar boven gaan.”, “Ga terug!” en “Niet doen. Dat mag niet” En het liefst door elkaar. In Groningen daarentegen is het meestal stil tijdens deze scene en een keer werd zachtjes gemompeld: “Als dat maer goed gaet.” Het aardige is dat de Groningse kinderen na de voorstelling rustig met mij en elkaar praten over de voorstelling, naar elkaar luisteren en elkaar uit laten praten. Ze wisten ook precies waar de voorstelling over ging en lieten dat ook merken.
De Haagse kinderen uit de Schilderswijk bijvoorbeeld schreeuwen in zo ’n zelfde situatie, in de 4e versnelling door elkaar heen en het is daardoor moeilijk om rustig met elkaar van gedachten te wisselen. In de benauwende omgeving  van diezelfde Schilderswijk wordt meestal alleen de grootste schreeuwer gehoord.  Het verschil met een rustige omgeving kan niet groter zijn dan in een stad of een dorp.  Ik kan me een Groningse situatie herinneren na een voorstelling in het dorpje Loppersum. De kinderen en ik keuvelden in de nazit rustig over de voorstelling en de mogelijkheid van echte tovermiddelen die ingezet konden worden tot heil der mensheid. Ook hier luisterden ze allemaal geïnteresseerd naar elkaar en mocht iedereen uit praten. Op de achtergrond bedelde een klein stevig ventje om mijn aandacht. Niet door te schreeuwen, maar door mij strak en blij aan te kijken terwijl hij van de ene voet op de andere hipte. Hij moest iets kwijt. Dat was wel duidelijk. “ En jij?” vroeg ik hem eveneens blij aankijkend?              “Wie hebb ’n neie Trekker ‘kocht” kraaide hij opgetogen en grijnsde van oor tot oor. Een uit de kluitengewassen boerendeerne van ongeveer 12 jaar keek glimlachend naar hem en legde mij rustig uit dat zijn vader en oom de dag daarvoor een tractor hadden gekocht, nadat er jaren over onderhandeld was. Ze aaide hem tijdens haar betoog moederlijk over de bol. Het manneke had nauwelijks aandacht voor mijn voorstelling gehad. Maar ja, wie kan er zijn aandacht bij houden als je weet dat thuis een landbouwwerktuig staat te schitteren, waar je later ook mee gaat werken. Ik vraag me soms wel eens af wat er van hem geworden is.
Dat Groningers nuchter zijn wist ik al en een staaltje daarvan maakte ik mee in het dorpje Leek.  Om de participatie te verhogen haalde ik in die tijd wat kinderen op het toneel om te helpen bij de genezing van het hondje. Op een kistje stond dan de grote toverhoed. Een keer stapte een jongen er op af en kneep keurend in de hoed. Geschokt riep ik: “Niet doen, dat is een toverhoed!” Zijn antwoord was:” ’Kwou ev’n voel’n wat voor maeteriael  het is, want waai h’bb’n thuus auk zo ’n lamp ’n kap.”

In het noorden hebben ze geen boodschap aan illusie, terwijl in het westen eens een groepje Turkse jongetjes zich na de voorstelling bij mij meldden met de vraag: “meester, mogen wij het hondje aaien.” Zij konden niet geloven dat er geen hondje was en dat ik hem alleen maar uitbeeldde met pantomime en een dekentje. Voor hen was het echt.

Op het moment dat het hondje beter is gemaakt met behulp van wat tovermiddelen en het levenswater, komt de tovenaar de trap op. De leerling zegt tegen het publiek: “jullie zeggen niks tegen de tovenaar, hè?” en verstopt zich. De muziek zwelt aan en daar staat de tovenaar als een silhouet achter het papieren scherm, stapt met een scheurend geluid door het scherm, neemt de situatie in ogenschouw en roept met donderende stem: “Wie was hier?”

In de Randstad sloegen de kinderen meestal onmiddellijk door en jengelde: “De leeeerling!”
Zo niet in Groningen. Bij dezelfde scene zwegen de kinderen in alle talen. Er hing dan een doodse stilte in Leek, Loppersum of Ten Boer. Er werd wel onderling gefluisterd. En een keer in Finsterwolde stond er plots een vierkant jongetje voor het podium en sprak rustig: “Ik. Ik was hier” hij keek me heldhaftig aan. En wat wou je hier aan doen? Zei zijn blik. Ik weet niet meer hoe ik het als tovenaar opgelost heb. Ze hadden heus wel door dat ik ook de tovenaar speelde met mantel en hoed. In het verhaal wordt de leerling wel weggestuurd, maar mag het hondje houden. Na de voorstelling dromden de kinderen om me heen en spraken onder elkaar over de keuze verraden of niet. Antwoord: Niet..
Dus als je wilt onderduiken: ga naar Finsterwolde, Leek of Loppersum. Met of zonder aardbevingen.

Aad Wieman Rotterdam, 18-01-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

de draaischijf

Draaischijf

Dit is een ik verhaal. U bent gewaarschuwd. Als u niet van opschepperij houdt moet u niet verder lezen. Ik klop mij namelijk nu even flink op de borst voor iets wat ik vroeger heel erg goed kon. Ik zou nu geen seconde meer op dat ding willen en/of durven staan, maar toen… Tjonge jonge wat kon ik dat goed zeg. Ik zwelg nog van trots als ik er aan terug denk. En wel hierom: Als jochie van 12 was ik erg klein voor mijn leeftijd en niet goed in gymnastiek. Ik werd dan ook meestal als laatste gekozen bij verschillende balspelen zoals trefbal en bij de edele voetbalsport lag ik of op de grond te dweilen of kon je me zien wegduiken voor de aan suizende ballen. Touwklimmen, daar was ik wel goed in omdat ik bijna niks woog. In de tijd van een scheet zat ik dan tegen het plafond van de gymzaal, vanwaar je een goed uitzicht had. Ringen, rekstok en paard was niet aan mij besteed. En toch was ik een druk en bewegelijk ventje. De clown uithangen en af en toe een mooie tekening maken was niet voldoende om echt aanzien te verwerven.                                                                                                                                    In die tijd ging ik elke dag direct vanuit school naar de dierentuin, liet mijn abonnement zien, spoedde mij langs de dieren om bij mijn einddoel te geraken: de speeltuin met mijn favoriete speeltuig. In een uithoek van het speelterrein, waar de treinen langs raasden stond hij. De draaischijf. In een soort zandbak stond een vier meter brede schijf, vervaardigd van houten latten en voorzien van een metalen rand om het geheel stevig bij elkaar te houden. Het had wel iets van een middeleeuws martelwerktuig en alsof deze indruk versterkt moest worden, stond er een paal achter het speeltuig met daaraan een rechthoekig bord dat de waarschuwing bevatte: LET OP, kom niet met uw vingers aan de rand van de draaiende schijf! Deze mededeling sprak ernstig tot de verbeelding , want wat zou er gebeuren als je toch aan de rand van de in volle vaart draaiende schijf zou komen? Ik kon het wel vermoeden omdat er een  reeks ronde paaltjes, met schuin afgesneden toppen, vlak langs de metalen rand van de schijf geplaatst waren. Dus als je met je poten tussen rand en paaltjes kwam, dan lagen ze er onherroepelijk af. De paaltjes stonden er waarschijnlijk om te voorkomen dat er kindertjes onder het speeltuig zouden kruipen. De houten schijf stond in een hoek van ongeveer 30 graden, zodat hij met een beetje gewichtsverplaatsing makkelijk zou draaien en daar ging ik mee oefenen. Ik oefende en oefende elke keer als ik in de gelegenheid was en werd een meester in het beheerst laten draaien van de schijf. Ik kon hem met weinig moeite tot grote snelheid laten draaien door op een bepaald punt rustig omhoog te lopen en ook weer af te remmen als ik aan de andere kant liep. Als het druk was in de speeltuin kon ik een hele groep kinderen, die op de stilstaande schijf waren gestapt binnen dertig seconden in het zand laten bijten, door de draaisnelheid hoog op te laten lopen zodat iedereen van de schijf geslingerd werd. Ik lette wel op dat ik al rennend over de hardnekkige achterblijvers heen sprong terwijl ze zittend en gillend naar de rand gleden. En al deze toeren haalde ik uit met een uitgestreken gezicht, alsof niets mij deren kon. Ik genoot vooral als er van die sportieve jongens hun handigheid wilden etaleren en vol bravoure op de schijf sprongen. Je zag hen denken: O, dat doe ik wel even. Maar na amper 10 seconden dachten ze er liggend in het zand ineens heel anders over. Een enkeling kwam dan prachtig op zijn smoelwerk terecht en kon afdruipen richting EHBO, om een verzameling schrammen en verstuikte ledematen te laten verzorgen.

Later, toen ik al een jaar op het voortgezet onderwijs zat kon ik nog 1 keer mijn gram halen tijdens de driedaagse schoolreis. U weet dat pubers meedogenloos zijn in hun onderlinge kritiek. Mijn nietige gestalte en klunzige gymnastische toeren waren een prachtig doelwit voor de “populaire” sportjongens die ook nog gesteund werden door die klootzak van een  gymmeester. Totdat! In de buurt van het huis waar het schoolreisje gevierd werd was een verlaten speeltuin. In een hoekje stond tot mijn vreugde zo ’n zelfde draaischijf als het exemplaar uit Blijdorp. Nadat ik hem voorzichtig had uitgeprobeerd wist ik: Ik kan het nog! Deze schijf was goed gesmeerd en daardoor sneller dan die andere. Toen de groep de tweede dag al klierende en stoeiende in het speeltuintje terecht kwam stond ik te stuntelen op de draaischijf. Ik speelde de stuntel door wankel op de schijf te staan en er ook nog klunzig af te donderen en daar trapten de opscheppers mooi in. Gedrieën stapten ze nietsvermoedend op de schijf en zochten naar hun evenwicht, dat ze onmiddellijk en spectaculair verloren op het moment dat ik ook op de schijf sprong en er de vaart in zette en me enige tijd virtuoos amuseerde met het toestel, ondertussen achteloos naar de gevallen snoevers kijkend, die onder hoongelach van hun klasgenoten het terrein verlieten. Geen last meer van gehad. Over dit voorval is nooit een woord gesproken. Waarom zouden we ook.

Aad Wieman, Rotterdam, 30-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen die mijn teksten redigeert.

Slagschip

Wanneer  je vader voorzitter is van modelboot bouw vereniging “Poseidon” ben je aan je stand verplicht om ook een boot te bouwen, vond de 16 jarige Martin en dacht aan het vervaardigen van het grootste schip dat ooit door de clubleden van de vereniging aanschouwd was. Hij zou ze wel eens een poepie laten ruiken en eindelijk door die snoevers van het bestuur serieus genomen worden. Vooral zijn vader zou hem dan met andere ogen gaan bekijken. En dat werd tijd, omdat hij nooit ergens aan mocht komen van hem. Martins opmerkingen en ideeën werden meestal weggehoond.

Hij sprak in het geheim af met ome Jan, de jongere broer van zijn vader, die ook lid van de vereniging was en ook vaak met zijn grote broer overhoop lag. In zijn schuurtje bouwden ze stiekem een oorlogsschip met 20 boordkanonnen, echt draaiende radarschermen, reddingssloepen en natuurlijk de radiografisch bestuurbare motor, die het gevaarte geruisloos over de kanovijver van het Zuiderpark zou moeten laten glijden. Het schip werd wel anderhalve meter lang. En dat is zeer groot voor een modelboot. Naarmate de tijd verstreek, had Martin steeds meer moeite om voor zijn vader te verzwijgen waar hij mee bezig was, zelfs toen hij zijn moeder in het complot betrokken had. Ondanks de geheimzinnige stemming in huis had zijn vader niets in de gaten. Aan tafel bleef hij, zoals altijd, opschepperige anekdotes vertellen over zijn enorme slimheid. Tot de grote dag.

Bij de kanovijver werd, zoals elk jaar een gezamenlijke open dag gehouden door een aantal modelboot bouw verenigingen uit Rotterdam. Ze werkten samen, maar omdat er wedstrijden werden gehouden gunden ze elkaar het licht in de ogen niet. Er was meestal ontiegelijk veel gezeik over de jurysamenstelling en beschuldigden ze elkaar voortdurend van partijdigheid. Rond de vijver waren op de grote dag een aantal kramen neergepoot, gevuld met een groot aantal modelboten van allerlei soort en er werden demonstraties modelbootvaren gegeven. Het was prachtig weer, er werd zelfs gezwommen. Martin en ome Jan zouden pas tegen de middag verschijnen om het effect van de verrassing nog groter te maken. Om tien over twaalf stopte het busje van ome Jan op de parkeerplaats. Ze stapten uit, zetten hun “Poseidon” petten op en namen de situatie in ogenschouw. Het was druk bij de kramen en de vijver, maar Martin zag direct de rijzige gestalte van zijn vader, die met zijn armen over elkaar en met neergetrokken mondhoeken naar iemand stond te luisteren.
Daarna schudde hij z‘n hoofd, draaide zich om en beende weg. Martin zag nu ook zijn moeder, die zijn vader na stond te kijken. Het slagschip werd uit geladen en door ome Jan in Martins armen gevleid, die het, op van de zenuwen, bijna uit zijn poten liet vallen. “Kijk uit, jochie” siste ome Jan en keek zijn neef onderzoekend aan, “volgens mij ken je een ei in je reet gaarkoken, istnie?” Martin knikte bleekjes. Het was nu of nooit en daar stapte Martin kloek, stevig met de kruiser in zijn armen, alsof het een geweer betrof, op de menigte af. Hij keek niet op of om en stapte regelrecht naar de rand van de vijver. Het publiek week vol ontzag uiteen en er klonken kreten van bewondering.

Op een afstand stond zijn vader met open mond te kijken naar zijn slungelige zoon die rustig de boot in het water plaatste, van zijn oom de afstandsbediening aannam en de motor startte die onmiddellijk aansloeg. Als in een film gleed het slagschip over het water. Het zag er fantastisch uit en verschillende leden van de vereniging kwamen erbij staan en klopten hem op de schouders en overlaadden hem met een reeks complimenten waar Martin behoorlijk van in de war raakte. Hij hoorde zijn oom zeggen dat hij maar een heel klein beetje geholpen had. Ome Jan gaf Martin dus alle eer. Daarop draaide hij zich om en stond ineens oog in oog met zijn broer, die hem zwijgend aankeek en met samengeknepen lippen zijn hoofd schudde. Plots klonken er kreten vanaf de vijver, waar een grote opwinding heerste. De motor was uitgevallen waardoor het schip stuurloos op de vijver ronddobberde. De zwemmers die vanaf de te waterlating oplettend waren geworden, naderden nu snel het scheepsmodel. Martin sprong nerveus langs de kant heen en weer en riep in paniek om een rubber bootje, dat hem door een bekende gestalte werd aangereikt. Het was zijn vader, die hem ook nog de peddel overhandigde. Ze keken elkaar even aan. Er werd geen woord gesproken, terwijl Pa de rubberboot vast hield en Martin snel aan boord stapte en zacht “bedankt” mompelde. Hij wist niet zeker of zijn vader hem wel gehoord had.
De jongen peddelde nu ijlings naar zijn meesterwerk. De zwemmers waren akelig dichtbij gekomen en maakten al aanstalten het schip te enteren. “Afblijven!!”gilde Martin met een hoog stemmetje. Vertwijfeld kwam hij overeind in het rubberbootje. Hij reikte naar het slagschip, verloor zijn evenwicht en stortte met de peddel in de aanslag op het scheepsmodel. Martin ging kopje onder en kwam weer boven te midden van de wrakstukken van zijn noeste arbeid. Verbijsterd keek hij om zich heen, zwom naar de kant en werd daar door ome Jan op het droge geholpen. Zijn moeder had een handdoek geleend en begon hem droog te wrijven. Al die tijd had hij de pet opgehouden, die zijn moeder nu van zijn hoofd haalde. Hij keek zwijgend en witjes voor zich uit en leek opeens op een ontredderde kleuter. Ontroerd sloeg zij haar arm om hem heen en fluisterde: “ Ach, jochie toch. Je vader is apetrots hoor, want  hij staat aan iedereen te vertellen dat zijn zoon, stiekem dat geweldige slagschip gebouwd heeft en dat zo’n ongeluk iedereen kan overkomen. Hij zal het alleen niet tegen je zeggen.” Martin glimlachte even naar zijn moeder en zag hoe allerlei vrijwilligers de kapotte onderdelen van zijn werkstuk verzamelden en bij hem brachten. “Kunnen we best nog wat van maken jongen”, zei ome Jan.

Aad Wieman. Rotterdam, 5-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

Moorkop

Op een van de laatste zonnige herfstdagen is het goed toeven op het terras bij de eendenvijver in Diergaarde Blijdorp. De weldadige rust die van de rood en geel gekleurde bomen uitgaat, wordt wreed verstoord door een naderende groep hard pratende vrouwen. Ze zijn zo druk en bewegelijk dat het moeilijk te zien is hoeveel het er eigenlijk zijn. Ze voeren een rolstoel mee met daarin iets, wat zo bedekt is met plaids en shawls, dat men alleen kan vermoeden dat daar een levend wezen onder verborgen zit. Als ze dan met veel geschuif van stoelen en pinnige commentaren over en weer eindelijk zijn gaan zitten, is nadat de kruiddampen zijn opgetrokken het groepje te overzien. Zeker vijf vrouwen hebben hetzelfde tanige uiterlijk, met dezelfde grote handen en dezelfde puntneus en dezelfde harde stemmen, waardoor je van een zusterlijke gelijkenis kunt spreken.
De zesde vrouw  is kleiner, blonder en ronder dan de zussen en bovendien toegerust met een koket, klein wipneusje. Ze is ronduit sensueel te noemen en valt lichtelijk buiten de groep, alsof ze bij het verkeerde reisgezelschap is ingedeeld. Het mensje in de rolstoel wordt door een aantal zussen zonder plichtplegingen ontdaan van de lappen en de shawls, waardoor er weer een puntneus als die van de vijf vrouwen tevoorschijn komt. Het dunne grijze haar van de moeder ziet er ongewassen en sliertig uit en haar magere handen omklemmen een versleten handtas met een fanatisme, die je alleen bij amateurtoneel spelers ziet die de vrek uitbeelden. “Is het niet te koud, moeder?” wordt er van alle kanten geroepen, zonder dat er op antwoord gewacht wordt. De opeengeklemde kaken van het vrouwtje geven aan dat enige opheldering van haar kant niet te verwachten is.
Nu is het tijd om onderling uit te maken welke versnaperingen er genuttigd gaan worden en wie het gaat halen. De langste zus heeft een blocnote ter hand genomen om de bestellingen te noteren. Er klinken kreten als “Ja, koffie met gebak” en “Doe mij maar een moorkop, als ze die hebben” en “O ja, willikook!” “En je zou aan de lijn doen!” “Kijk naar je eige”  “Moeder wil ook een moorkop, zegt ze”  “Neehee! Geen moorkop voor moeder, dat geeft zo ’n kleverige troep” “Ach, wat geeft dat nou voor een keer?” “Ja hoor, ruim jij het op? Ik heb d ‘r net verschoont. Ja, en ook een schone luier, dus ik heb mijn portie wel gehad vandaag”  “Dat haar zou ook wel eens gewassen mogen worden” “Ik zou zeggen: ga je gang en veel succes. De vorige keer gilde ze de hele tent bij elkaar” En zo babbelen de zussen verder over de verzorging van moeder.
Als eindelijk de afspraken zijn gemaakt, marcheren drie zussen kordaat in de richting van het restaurant, de andere twee zussen en de blonde schoonzus bij de moeder achterlatend. De stilte die volgt doet het vrouwtje een zucht van verlichting slaken en ze laat zich ontspannen achterover zakken in de rolstoel, met haar vlekkerig rode gezichtje naar de zon gekeerd. De stem van een achtergebleven dochter doet haar weer overeind schieten en de schoudertjes van schrik optrekken. Die dochter is waarschijnlijk in een verhaal blijven steken, want ze vertelt verder aan weer een andere zus, met de jengelstem van de achtergestelde, over een verbouwing waarbij van alles misging. Ondertussen onderhoudt het blonde schoonzusje zich met de oude in de rolstoel, die haar in eerste instantie achterdochtig aankijkt. De zachte lieve stem van de schoondochter heeft echter een ontspannend effect op het oudje, want ze reageert zelfs met een glimlachje op het onverstaanbare, zoete geprevel van de schoondochter, die zelfs haar oude hand mag strelen.
Dit liefelijke tafereeltje wordt echter ruw verstoord door de komst van de zussen met de versnaperingen, die onmiddellijk en met veel opgewonden gekakel worden uitgeserveerd. De langste zus sommeert het schoonzusje: “O, Betty?  Help jij moeder even met die appelpunt? Je kan het goed met haar vinden , zie ik. Ga d ‘r maar gewoon voeren. Dan zet ik je moorkop hier. Die kan je dan straks opeten.” En ze zet de moorkop uit het zicht van de moeder op een tafeltje achter haar, terwijl Betty met opperste verbazing kijkt naar het bazige optreden van de langste zus, die zich na de instructie onmiddellijk omdraait, om het gezag over het ronddelen van de verfrissingen verder te voeren. De zussen eten en drinken hun moorkoppen en koffie in een straf tempo op. Betty, die van verontwaardiging geen woord kan uitbrengen, probeert nu de moeder de appelpunt te voeren, wat geen eenvoudige zaak is omdat moeder niet erg meewerkt.
Grimmig gooit ze stukjes appeltaart naar de spreeuwen die daar massaal op afkomen. Betty houdt het voor gezien, staat op en trippelt naar het tafeltje met de moorkop, die ze staande en zo snel mogelijk probeert op te eten. De laatste grote hap gaat in een keer naar binnen. De moeder heeft nu de brokstukken van de appeltaart in haar tasje gefrommeld en klemt deze tegen de magere borst. De spreeuwen wachten intussen rustig af. De zussen voeren een hooglopende discussie over een heet hangijzer, want er klinken kreten als: “En ik heb altijd gezegd dat dat niet goed ging!” en “Ja, en wat doe we nou?” en “Ik bemoei me er niet meer mee” Al bekvechtend pakken ze hun boeltje bij elkaar en verlaten druk door elkaar pratend het terras, ijlings gevolgd door Betty die niet achter kan blijven en ook aan de discussie wil deelnemen. Als ze weg zijn is het ineens zo stil, dat het oudje ervan schrikt. Verbaasd kijkt ze om zich heen.
Dan begint ze met een gelukzalige glimlach de spreeuwen te voeren, die als een zwerm komen aangesneld, om op het tafeltje elkaar de stukjes appeltaart ernstig te misgunnen. Het moedertje kraait van plezier en spreekt de vogels vriendelijk toe. Deze idylle wordt wreed verstoord door komst van Betty die de rolstoel achteruit sleurt en er haastig mee vandoor gaat. Men hoort het moedertje hartgrondig vloeken terwijl ze de hoek om gaan.

Aad Wieman, Rotterdam 25-10-2015

Mitella.

Heel vroeger, toen er nog geen geldautomaten bestonden, moest je je geld bij de bank halen.  Zoals dat heette. En dat ging natuurlijk niet zomaar, daar moest je je voor legitimeren en een bepaald geldbedrag fluisteren in het oor van een nogal nuffige juffrouw, die het prachtige beroep van bankbediende uitoefende. Zij kreeg dan een autoritaire uitstraling, omdat zij ging kijken of je wel genoeg geld op je rekening had staan. Pas daarna zorgde de kassier, die in een soort terrarium met laden en schuiven huisde, voor de verlangde bankbiljetten en die werden je dan weer overhandigd door diezelfde juffrouw, nadat ze je naam afgeroepen had. Het envelopje met geld kreeg je als je je handtekening had geplaatst. Dan pas kon je het geld in eigen zak steken. Een tijdrovende gebeurtenis waar niemand over klaagde. In veel bankfilialen stonden houten banken om te zitten en werd de wachttijd gedood met luchtige conversatie. De cliënten hoefden niet heel erg op hun beurt te letten, zoals bij de bakker, want de bankjuffrouw had een zodanig scherp stemgeluid dat je zelfs buiten kon horen wie er aan de beurt was.

Voor de balie stond een forse jongeman, met grote geschrokken ogen en warrige donkere krullen.  Zijn rechterarm zat in een mitella ter grote van een laken voor een kinderbedje, waardoor zijn arm omhoog werd getrokken en zijn ruime sportjas als een soort Griekse toga om hem heen hing. Hierdoor werden zijn handelingen ernstig vertraagd, tot grote ergernis van de bank juf met de snerpstem. Ze had zojuist weer een staaltje van haar stemkunst weg gegeven toen ze de jonge man zijn naam luid afriep, waardoor hij paniekerig overeind schoot, zodat de jas van zijn omvangrijke schouder gleed tot deze de togavorm had aangenomen. Met zijn linkerhand frommelde hij met de bankafschriften en zijn paspoort hield hij tussen zijn tanden. De zichtbaar geërgerde bank employé  sprak alsof ze een kleuter voor zich had en bitste: “U moet toch echt wel een handtekening zetten, anders kan ik u nu geen geld meegeven, hoor. Is er niemand die u kan machtigen?” De jongeman mompelde iets onverstaanbaars en zakte wat meer in elkaar waardoor de jas op de grond gleed. Hij haalde wanhopig zijn linkerschouder op omdat de rechter niet meedeed, spuugde zijn paspoort op de balie en kreunde gesmoord: ”Ik heb het nu nodig… ik ben alleen. Geen hulp enne…” De bankdame keek hem kil aan, plaatste haar vuisten op haar goed gevormde heupen en opende haar mond om hem op zijn verplichtingen te wijzen, toen er vinnig op het raam van de kassiersvitrine werd getikt. Ze draaide zich theatraal om en keek recht in het zorgelijke gezicht van de kassier, die met gefronste wenkbrauwen, nauw merkbaar zijn hoofd schudde en bestraffend zijn vinger naar haar schudde. Met een dan-moet-je-het-maar-zelf-weten uitdrukking op haar toch wel knappe gezicht wendde ze zich weer naar gewonde jongeling, overhandigde hem de enveloppe met geld met de woorden: “voor deze ene keer” Met een vies gezicht en een pen duwde ze het paspoort in de richting van de jonge man, die even niet wist hoe hij dat aan moest pakken. “Wacht, ik help je wel even” klonk er een vriendelijke doch gedecideerde vrouwenstem naast hem.
Hij keek schuin naar beneden en stond oog in oog met een keurig gekleed, dametje van een jaar of 70, dat het paspoort van de balie griste en met een gracieus gebaar in zijn borstzak stak. “Laat me je even helpen. Je staat zo te tobben” zei ze met zachte stem en duwde hem weg van de balie en keek hem door haar brilletje lief aan. Haar wangetjes kleurden roze toen ze zei: “Ik hou er van als zo ‘n grote man hulpeloos is. Die moet ik dan helpen. Daar kan ik niks aan doen.” Onder het spreken hielp ze hem met zijn kleding en de mitella. Ze knoopte zijn jas zodanig dat deze niet meer kon afglijden, drapeerde zijn shawl om zijn nek en stak het geld in zijn binnenzak. Haar hand aarzelde, maar streelde hem toch even over de wang, waarbij ze op de teentjes moest staan en wees daarna vragend naar de gewonde arm. “Gevallen?” vroeg ze. Hij schudde blozend zijn hoofd en stotterde:  “Re-hugby.” “O? Rugby?” vroeg ze verbaasd.  Hij knikte bevestigend. Ze ging bestraffend verder: “Dat moet je ook helemaal niet doen, rugby, dat is toch veel te gevaarlijk? Dan kan je maar van alles breken.” Ze keek hem weer aan en fluisterde: “Pijn?” De jongen glimlachte dapper: “Ach dat valt wel mee hoor, mevrouw.” Zo babbelend waren ze bij de draaideur gekomen, waar het dametje hem doorheen hielp. Buiten namen ze kort afscheid. De sportheld verdween met verende tred om de hoek. Dit gesprekje had hem kennelijk goed gedaan. Het dametje trippelde door de draaideur terug naar binnen. Ze had een lichte glimlach op haar vriendelijke gezichtje. Ze bleef nog even naar buiten staan kijken. “Mevrouw Hagendoorn!!” snerpte plotseling de stem van bank medewerkster. Het dametje ontwaakte uit haar gemijmer, zuchtte en schudde lichtjes met de schouders. Daarna stapte ze met gebalde vuistjes kwiek op de balie af. Ze had nog een rekening te vereffenen.

Aad Wieman. Rotterdam, 5-10-2015

Toedeledokie.

Om het grijs van zijn kleding, zijn kleine gestalte en de natgeregende stad te compenseren, had hij voor een fel gele paraplu gekozen, met als grootste voordeel dat hij duidelijk opviel in het drukke verkeer. Zeker als je bedacht dat hij de laatste tijd wat moeilijk liep. Je moet dat speciale technische tekenpapier wel heel erg nodig hebben om, door dit pleuresweer deze reis te maken naar die goede winkel. In deze winkel verkopen ze alles wat voor de uitvoerende kunstenaar van belang is. Namelijk: goed materiaal. Hij schudde zijn kleurige regenscherm uit, terwijl hij de winkel binnen drentelde en om zich heen keek op zoek naar de paraplubak. Nergens was de gewenste bak te vinden en dus richtte hij het woord tot een lange jongeman die bezig was een winkelstelling te vullen met tekenmateriaal. Met een hese oude mannenstem vroeg hij: ”Is die paraplubak er niet meer?” De jongen keek op: “Paraplubak? Nee, die hebben we niet” en ging snel verder met zijn werk. “ Ik kan me toch zoiets herinneren, er stond hier vroeger echt wel een paraplubak” mompelde het mannetje bij zichzelf, terwijl hij naar de papier afdeling scharrelde en onhandig manoeuvreerde met de natte paraplu, die hij uiteindelijk met een nijdig gebaar ergens neerpootte.
Na deze ferme daad stapte hij op de stelling af waar het begeerde papier moest liggen en keek zoekend rond. Ha, daar lag het: een A4 tekenblock met technisch tekenpapier van hoge kwaliteit. Er lag maar 1 block, verdomme. Terwijl hij de rekken afspeurde om te kijken of er toch nog ergens zo ’n block lag, hoorde hij een uiterst directieve vrouwenstem iemand op luide toon de mantel uitvegen, over een zojuist afgesloten telefoon gesprek, gevoerd door de jonge verkoper, die hij daarnet nog had gesproken. De cheffin sprak docerend, met zinnen als: “Je zegt eerst de naam van het bedrijf en dan je eigen naam en dan goedemiddag. En niet Hallo, met Tim, alsof je bij de klant op school hebt gezeten. Dat doe je niet. En ook niet roepen: Ja, ja het komt voor het bakkertje, jòh. Nooit popiejopie tegen klanten doen en vooral nooit een gesprek beëindigen met: toedeledokie!!!” Bij de laatste kreet moest de cheffin zelfs een beetje kokhalzen. Ondertussen was de lange jongen met gebogen hoofd naar zijn plekje teruggekeerd en de cheffin hurkte weer bij de kast met de dure viltstiften. Het mannetje bij de papierkast had alles met toenemende belangstelling afgeluisterd en kreeg een boosaardige uitdrukking in de spotlustige oogjes, nam zijn grijze hoedje af, woelde even door de schaarse witte haartjes, krabde krachtig in het witte baardje en rechte zijn rug om de aanval in te zetten. Hij stapte kloek tussen de schappen door tot vlakbij de cheffin, die inmiddels op de knieën ongemakkelijk rondkroop met haar prijzige viltstiften, waardoor het mannetje streng op haar neer kon kijken en haar op bestraffende toon kon toespreken: “Mevrouw!” “Meneer!” riep de cheffin op dezelfde toon, terwijl ze moeizaam overeind kwam en hem strijdlustig aankeek. Ze herkenden elkaar van vorige confrontaties. Oei, zag je haar denken. De oude wees op het block in zijn hand en sprak met honingzoete stem: “Is dit het enige zeichenblock von schoellershammer wat u in huis heeft of is er…”. “Nee, dit is het laatste, denk ik. We kijken even” viel ze hem in de rede en troonde hem haastig mee naar de papierkast, waar bleek dat er inderdaad geen andere zeichenblöcker meer waren. “Het spijt me.. Het is op.. Het is besteld.. sorry”
Het mannetje had enige tijd met de armen over elkaar naar haar geluisterd en keek haar minachtend aan. Zijn volgende tekst kwam er hees fluisterend uit en naar mate zijn betoog vorderde werd zijn stem luider en de toon hoger. De cheffin kromp bij elk woord verder in elkaar: “Dit is een hele slechte zaak.” Begon hij ” In zo ’n bedrijf als dit, mag dit geweldige papier niet ontbreken, vooral omdat dit het beste is wat men krijgen kan” Hij ging nog enige tijd pesterig door met het afsteken van de loftrompet over dit geweldige artikel, alsof het een reclamespot betrof en sprak verder op hoge toon: “En met sorry zeggen, heb ik nog geen papier. Ik had natuurlijk eerst even moeten bellen, voordat ik door dit kutweer hier naar toe kwam en moeten vragen of het er was. Hoewel ik net heb begrepen dat ik dan een of andere vlegel aan de telefoon had gekregen en dan was ik echt in de aap gelogeerd geweest. Maar, voordat ik vertrek, rest mij nog 1 woord en dat ga ik nu zeggen. En niet 1 keer maar wel 12 keer.” Hierbij stelde hij zich op alsof hij een duizendkoppige menigte toe ging spreken en riep: “Toedeledokie, toedeledokie en toedeledokie. Dat zijn er al vast drie.” En aldoor toedeledokie zeggend liep hij, zonder om te kijken naar de kassa, rekende zwijgend af met een erg lief uitziend meisje, die er duidelijk niets van begreep en beende naar de deur, draaide zich om en riep: “En met een welgemeend toedeledokie verlaat ik nu het pand” en stapte door de dubbele deur naar buiten, kwam daar tot de ontdekking dat het nog regende, keerde op zijn schreden terug en liep met afgemeten pasjes gehaast de winkel door tot bij de gele paraplu, die hij weggriste en vervolgens weer naar buiten snelde. Hij had zich zijn triomfantelijke aftocht duidelijk anders voorgesteld.

Aad Wieman. Rotterdam, 1-10-2015.