De smaak van Danny Hoogendijk

Wat is je naam?

Danny Hoogendijk

Wat doe jij zowel in het dagelijks leven?

Eigenaar grand cafe / restaurant Champs_Elysees Kom je uit Rotterdam? Ik ben geboren in Vlaardingen, maar kwam al vroeg in veel in Rotterdam. Mijn vader was eigenaar van Monmartre vanaf 1987.

Wat is er ech wel Rotterdams aan jou?

Mijn instelling; aanpakken, geen woorden maar daden. Mijn direct en humor.

Wat is het verschil tussen een Rotterdammer en de rest van de mensheid?

Dat directe, zeggen waar het op staat.

Wat is de mooiste plek van Rotterdam?

De Maasboulevard… als ik vanaf de Brienoordbrug naar de stad rij, dan heb ik echt het gevoel dat ik in een wereldstad woon. Echt heel mooi.

Waar neem jij je gasten naar mee in Rotterdam?

Ik stuur toeristen altijd naar de Witte de With. Mooie uitstraling voor de stad. Zelf ga ik altijd het Stadhuis, over de Meent, via de Markthal naar de oude haven. Dat is een mooi stukje om te wandelen.

Waar ken je in Rotterdam echt lekker eten?

In de stad bij Rosso, en dan daarna een rondje Westelijk handelsterrein. Jammer dat het succes daar uitblijft. Maar op Zuid ga ik graag naar het Italiaanse restaurant Il Carretto. Daar kom ik wekelijks.

Waar koop jij je kleding?

Een keer per jaar naar de WE.

Als jij iets mocht overnemen in Rotterdam, wat zou dat zijn?

Oef… dat zijn er een paar. Jansen en van Dijk, wijnbar. Heerlijk wat wijntjes, wat slakjes. Pinchos in de markthal. Ook een mooie zaak. Of de delicatessenzaak op de Nieuwe Binnenweg Vermeyden. Hmm, ik zie een verband eten en wijn…?

Kennen we je nog ergens volgen?

www.champselysees.nl en de facebook pagina van Champs Elysees.

danny-1

Op het puntje van mijn tong

Ik ben van plan een stukje te schrijven over amnesie. Mijn volgende column gaat over vergeetachtigheid. De krokus is een geslacht uit de lissenfamilie. Eenzaadlobbig zijn ze, die iridacea. Zie je wel. Het is makkelijk om iemand anders de schuld te geven als je geheugen je in de steek laat. Maar wie? De familie van iridacea telt ongeveer 1500 soorten waarvan de safraankrokus het meest interessant is, wat rendement betreft.

De opvatting van mijn huisarts over rendement heeft sinds de terreur van de zorgverzekeraars een wending genomen waarvan men zou zeggen: Hoe noem je dat? Geheugenverlies heeft ook positieve kanten, die mij momenteel niet te binnen willen schieten, maar als de overheid zelfs het roken op een terras gaat verbieden, zeg ik: Hou toch op met die Arboriginals, dat waren de eerste bewoners van het Australische continent en die Austraalnegers hadden Wollongong of All Night Long van Big Jay McNeely. Daar wil ik van afwezen, maar niemand zegt iets.

Het is niet vreemd dat die klimaatspastici zich in allerlei bochten wringen. Het is onvermijdbaar dat men op den duur eh, een stadion bereikt dat – en dat zeg ik met alle respect. Nu ben ik het even kwijt, maar je begrijpt wat ik bedoel. We zullen uiteindelijk allemaal rekening moeten houden met – hoe noem je dat? – het inzicht, het besef dat, en dan heb ik het niet over mijzelf. Ik bedoel: sommigen zullen daar anders over denken, maar het is toch: hoeveel zielen, hoe schoner het volk, of zeg ik nou iets dat bij de heersende opvatting over – ik zeg maar – individualisme alle kanten uitgaat.

Neem nou bijvoorbeeld, hoe heettie ook al weer? Met dat boek over die vriendin. Zij was ooit met die gozer uit die televisieserie met die lange neger, die later nog van die dingen – hoe heten ze ook alweer?- is gaan verkopen met die gabber van hem. Weet je wel? Nou ja, anyway, je begrijpt wat ik wil zeggen. Ik heb hier ergens nog de notities liggen. Wacht even, ik pak ze er bij, maar waar had ik ze ook alweer opgeborgen? Ik heb een speciaal plekje voor dat soort zaken. Zodat ik het niet kwijt raak. Handig als je kwijt bent wat je zoekt. Eigenlijk is het niet zoek, maar ik heb het dan niet meteen paraat. Dan is het nog wel ergens, maar waar het dan is, dat is niet helemaal duidelijk. Vandaar die speciale opbergplek, die overigens na de laatste verhuizing compleet onvindbaar is.

Dus als je echt goeie filet van dat varken met die zwarte poten wil kopen, moet je naar – hoe heet die slager ook alweer? Hij zit op de – hoe heet die straat? – een soort tuin is het met zo’n park en go zone, of hoe noem je dat? Dat je even je auto kwijt kunt. Ooit had ik ook een auto. Parkeren, dat is het woord dat ik zocht. Precies, zoekt en gij zult vinden, maar die auto heb ik nooit meer gezien. Dat komt ook omdat ik een bril heb met van die vocale glazen. Die ligt waarschijnlijk nog in het handschoenenkastje, maar dat weet ik niet zeker. Wil jij nog wat drinken? Had je melk in je koffie? Twee klontjes toch?

Het is natuurlijk volkomen onzin dat de opwarming van de aarde de schuld is van die buitenaardse asielzoekers. Ze zitten nou in zo’n beeldende kunstcentrum voor zo’n griepprik. Koptelefoons verkocht die gozer. Wil jij nog wat drinken of had ik dat al gevraagd? Ik heb echt een geheugen als dat ding met die gaatjes. Mijn arts vroeg of ik er al lang last van heb. Ik weet ook wel dat je niet de draak moet steken met, hoe heet dat? Volgens mij komt het door Correct, want als Correct het niet heeft. Precies. Vergeet het dan maar. Je kunt er wel grappen over maken. Zo van: ik heb last van onthoudingsverschijnselen, maar wat schiet je er mee op?

Marktwerking wou ik zeggen. Ik weet alleen niet meer in welk verband. Vergiet. Het gebeurt regelmatig dat het mij te binnen schiet op de plee, maar je wilt toch eerst lekker afbouten, voordat je het op papier zet. Daarvoor zijn die memoblokjes best wel handig. Ik begrijp wel waarom die papiertjes een kleurtje hebben, maar dan liggen ze vaak op een onvindbare plaats en wees nou eerlijk, om je reet er mee af te vegen?

Verband. Nou weet ik het weer: farmaceutische industrie, maar vaak is het zo dat, als ik wat op zo’n memopapiertje heb geschreven, ik bij god niet meer weet wat de bedoeling is. Kijk, een boodschappenlijstje is best wel handig als je gaat shoppen, maar als je één woord hebt opgeschreven en je bent de hele contens kwijt, dan heb je er ook geen dinges meer aan. Dan kom je thuis met de verkeerde spullen en is de koffie op.

Trouwens, wil jij nog wat drinken? O, je hebt nog. Van die hulpmiddelen, zoals een fluitketel of een zoemer op de wasdroger, werken wel, maar als je het gastfornuis aan laat, dan. Help mij onthouden dat ik van de week nog die vent van de je weet wel bel en de belastingaangifte invul. Dat gezeik met dat – hoe heet het? – die toeslag, daar word je toch ook niet goed van. Die registergozer heeft mijn inkomen ook in de verkeerde box geanalyseerd. Zullen we nog wat drinken?

Van de week was ik nog bij die kunstschilder. Hij wordt nou door de gemeente zijn – hoe heet dat? – uitgezet. Het is toch een schande. Die gasten zitten er al twintig jaar. Had jij nou zo’n digitale memorecorder? Ik weet ook wel dat je, maar waar ligt mijn mobiel dan? Ik schrijf het wel op als ik mijn pen kan vinden. Registeraccountant heet het. Tja, die gasten maken eigenlijk de dienst uit en de politiek heeft er geen zak over te zeggen. De ene gozer van SP heeft er wel eens iets aan proberen te doen, maar wat precies weet ik niet meer.

Wat wil die Mark Wilders nou? Een revolver? Het lijkt wel of de hele Nederlandse je weet wel steeds debieler wordt. Hoe noem je dat? Functioneel analfabeet. Nou dan. Hele bevolkingsgroepen kunnen geen letter meer lezen, maar wel ouwehoeren over die bootvluchtelingen. Die tokkies kijken heel de tijd naar SBS omdat daar geen ondertiteling is. Ik zou flink je weet wel maken als ik die kunstenaars was. Die gasten zitten er al dertig jaar en ze worden nou uit hun atelier gezet. Wat krijg je dan? Dan komt er weer zo’n projectkakker die zijn zakken loopt te vullen. Revolte? Die blonde NSB’er laat nou echt zijn ware aars zien. Wou jij nog wat drinken of heb je nog? Waar was ik gebleven? O ja, je zou die memorecorder voor me meenemen of had ik dat al gevraagd?

Je wordt toch strontziek van die belastingen. Nou hebben ze mij weer in de verkeerde box aangeslagen. Help mij onthouden dat ik die aanklacht nog moet indienen en ik moet ook mijn vakantiefoto’s nog inplakken. Projectontwikkelaar noemen ze dat. Die ontwikkelen alleen hun eigen portemonnee. Ze hadden laatst zo’n projectje in de binnenstad. Hoe heet dat? Maar goed, van de week stond in de krant een verhaal over de fraude bij die club van hoe heet tie vent? Niet te filmen. Nou vergeet ik helemaal wat te drinken in te schenken. Pata negra filet is het. Best wel duur, ik geloof iets van 2,75 per gram, maar lekker! Je moet alleen onthouden om ze op tijd om te draaien.

Atelier, raar woord eigenlijk. Heb jij nou die cd van hoe heet tie nog gekocht? Met die drummer. Hij zat vroeger bij die Engelse band met die donkere zangeres, die later nog met die bassist van die heavy metal band is getrouwd. Ze hadden een hitje met. Hoe heet dat nummer? Ik zoek het wel even op. Eigenlijk moet ik al mijn cd’s nog op volgorde zetten, maar dat zijn van die kut karweitjes die steeds blijven liggen. Ze zijn nog op tournee geweest met die ene band in het voorprogramma. Ze maken van die, hoe noem je dat? Het was zo’n stroming uit de jaren tachtig.

Heb jij trouwens mijn sleutels ergens gezien? Ik las ergens dat ze bij. Nou ja, die zaak dus een harde schijf verkopen van één megabyte. Weet niet meer voor hoeveel, maar vond het wel interessant. O ja, New Wave. Is dit mijn glas? Zal ik wat te knabbelen inschenken? Een toastje met gerookte zalm misschien? Vette vis schijnt goed voor je geheugen te zijn.

© IJsbrand Flamminga

Vroeger in het oude Rotterdam

Wij hadden vroeger thuis geen vroeger. Wij gingen bij de buren, die hadden vroeger. Vroeger was duur. Wij hadden geeneens een vloer. Wij hadden een vuil en nat gat en daarom vochten wij. Wij wroetten op de vuilnisbelt en wij filterden het rioolvocht voor de thee, gezet van het zakje dat we van de buren kregen of de rest van de straat. Nou ja, straat… Het was meer een stinkende modderstroom waarvan zelfs de ratten waren gevlucht.

Wij hadden nooit tijd en als wij te laat kwamen, kregen wij ongenadig op onze sodemieter van de buurman, want onze vader moest 36 uur per dag werken. Als die zijn best deed, mocht hij eens per jaar naar ons vuile gat en hij nam dan voor ons een kiezelsteen mee om op te zuigen, maar dan moestie weer snel weg om zijn geleende sandaal terug te brengen.

Ik kreeg dan onze broek aan om de kiezel te gaan ruilen voor een hap zand, zodat wij die eerlijk konden verdelen onder onze 54 kinderen waarvan er eentje meestal dood was of opgegeten door mijn oudere broer, die zo ontzettend blind was dat wij hem ’s winters gebruikten om te kijken of er nog ergens iets brandbaars was voor de kachel, die wij eigenlijk niet hadden.

Sommigen van ons hadden wel eens gehoord van een bed. Dat was alleen voorbestemd voor de oudsten. De jongeren mochten nog niet horen. Dat kwam goed uit, want ze luisterden toch niet. Praten mocht alleen op vrijdag als mijn moeder een goede bui had. En dan enkel nog een paar woorden. Er waren maanden dat wij alleen één letter mochten zeggen. Dan ruilde ik met mijn broertjes bijvoorbeeld de ‘w’ voor een ‘h’, zodat je na vijf maanden hallo kon zeggen, maar dan moest je wel mazzel hebben. Waarover je dan ook weer een half jaar had gedaan.

De uitverkorenen onder ons groeiden op voor galg en rad of gingen naar sodom en gommora op de Blaak. Ik piepte meestal naar binnen, want het was voor boven de 18 en zo oud werden wij toen niet. Trauma’s zouden er door mijn moeder vakkundig uitgeslagen moeten worden, maar ze had nooit tijd. Dan had je pech, die wij onderling ruilden. Met Oud en Nieuw (in ons geval alleen Oud) kregen wij een klap en dan kon je er weer een jaar tegen.

Het was puur een kwestie van overleven. Wij waren blij als er iemand waterpokken had, want wij stierven van de dorst. Hoewel het zó donker was, dat wij niet precies wisten hoeveel kinderen er waren. Het komt allemaal weer naar boven, hoewel wij dat niet konden betalen. Bij speciale gelegenheden kregen wij een portie zure lucht van het abattoir. Dat moesten wij zeven en een mochten wij houden voor de kleinste, waarvan wij niet zeker wisten of hij wel bestond. Zo klein waren wij toen.

Vaak leek het of er helemaal niemand was. Soms hoorde je wel eens iets. Genieten was dat. Meestal was er niets. Niets was voor ons ook een buitenkansje. Je was met niets dolblij. Alleen dat werd dan weer afgepakt door mijn moeder om te bewaren voor slechte tijden. Dat lijkt gemeen, maar wij konden nooit iets achter de hand houden. Dat werd gebruikt als onderpand. Als wij dan zonder zaten, hadden wij altijd nog niets en dan was het feest. Maar dat was vroeger, hoewel wij dat toen niet hadden.

© IJsbrand Flamminga

Tram.

Mei 1960. De ochtendzon zorgt voor een aangename temperatuur waardoor de wachtende trampassagiers in een goede stemming zijn. En lijn 11 is precies op tijd. Tijdens het instappen worden ze hartelijk verwelkomd door een markante conducteur: “ Gommelmogge dames en heren er is nu nog plaats , dus ga gauw zitten….of blijf staan, wadduwil”
Tegen een hoogzwanger kindvrouwtje zegt hij: “Kom gauw zitten, meissie” En helpt haar naar de dichtsbijzijnde zitplaats. Wacht tot ze zit en terwijl hij met een zwierig gebaar aan het signaalleertje trekt schalt zijn zware stem: “Houwwuvast!” Als de tram zich in beweging zet begint hij aan zijn kaartjeskoopronde. Als een goochelaar hanteert hij het kaartjeskistje, het stempelapparaat en het allermooiste machientje dat er bestaat: de kleingeldwisselaar met zes aparte vakjes- en schuifjes voor de munten. Voor de kleine jongen die bij zijn moeder op schoot gezeten het apparaat van dichtbij kan bekijken is het een wonder van vernuft als hij de handen van de conducteur vlug en virtuoos langs de verschillende schuifjes ziet gaan. De duim van de conducteur gaat zo snel dat hij niet ziet wat er nou precies gebeurt en onderzoekt het dan zelf maar. Hij druk een schuifje naar beneden en kijkt verwondert een grote munt na, die ratelend op de vloer van de tram valt. De rijksdaalder krijgt niet de kans om weg te rollen omdat de conducteur er zijn voet opzet. “Ahah, poging tot diefstal!” roept de conducteur terwijl hij de munt onder zijn schoen vandaan haalt.
Als hij weer rechtstaat ziet hij dat de geschrokken moeder haar zoontje een lel voor z’n kop  geeft. “Ach mevrouw, hij wil alleen maar effe kijken hoe het werkt. Zo erg is dat toch niet? Deed ik vroeger ook” en klopt het jongetje vriendelijk op het hoofd. De moeder kijkt lichtelijk verward toe hoe de conducteur hem de werking van de wisselaar laat zien en het hem zelfs even laat proberen
“Jij wilt zeker later ook conducteur worden, hè?” vraagt hij, waarop het jongetje snel antwoord met: “Nee hoor, vliegenier.” “Veel beter” glimlacht de conducteur en is al bij de volgende klant: een chic uitziende dame die op bekakte toon haar bestelling plaatst, waarop hij reageert met de vraag of hij het kaartje ‘voor haar in moet pakken’ en stapt verder. Hij hoort twee opgeschoten jongens dubbelzinnige opmerkingen maken over het zwangere kindvrouwtje, draait zich om en bijt de brutaalste van de twee toe: “Als jou moeder het toen niet gedaan had, hadden we nu een etterbakje minder gehad,” en loopt gelijk door naar het aanstaande moedertje met de vraag of ze een grote mensen kaartje wil, knikt haar beschermend toe en roept “Klaasje de Vries!!” De volgende halte is de Claes de Vrieslaan. Als hij het balkon opstapt ziet hij net op tijd dat een man, die met zijn rechterhand het rechterhandvat bij de open balkondeuren vastheeft, zich klaar maakt uit de tram te stappen voordat deze stilstaat. “Meneer! U moet wel met de linkerhand het linkerhandvat vasthouden anders…” “Bemoei je d’r niet mee” snauwt de man, stapt uit en maakt een behoorlijke schuiver, waardoor hij met zijn gezicht op het asfalt terechtkomt naast de langzaam rijdende tram, die even later tot stilstand komt. De conducteur roept vanuit de tram en naar de verblufte gevallene; “Nooit naar de conducteur luisteren, want die is toch gek”. Dan kijkt hij naar het bordje naast de deur en mompelt: “En het staat er toch zó duidelijk”
Door de nieuwe passagiers is de tram nu vol, met als stralend middelpunt de conducteur, die als een veldheer om zich heen kijkt en brult: “Houdduvast” Als het rijtuig weer in beweging komt vraagt een nerveus bewegende jongeling aan de somber kijkende heer naast hem: “Me-me-meneer, koh-koh-homt deze tra-tra-tra hem o-o-wook bij de Be- he- he- laak?” De aangesprokene kijkt met opeengeklemde kaken strak voor zich uit en zwijgt. De jongeling herhaalt zijn vraag met hetzelfde resultaat. Gelukkig brengt de conducteur redding en legt hem geduldig uit waar hij moet overstappen, waarop de jongeling goed geïnformeerd het voertuig verlaat. De conducteur draait zich om naar de somber kijkende heer en vraagt: “Waarom gaf u die jongen nou geen antwoordt? Hij heeft het toch al zo moeilijk!” De aangesprokene staat zichtbaar moed te verzamelen en hakkelt dan zijn antwoord: “Duh..duh… henku daddik een kuh-huh-huh…lap imme gezicht wil hebben?”
De conducteur kijkt eerst verrast en begint dan onbedaarlijk en aanstekelijk te lachen. Enkele omstanders lachen mee en weldra lacht het hele balkon en daarna de hele tram. Op straat kijken de mensen verrast op. Wat is dat nou, een schaterende tram, zie je ze denken.
Als de lachbui geluwd is, stapt de conducteur op de sombere heer af en bied zijn excuses aan. Maar ja, het was ook zo grappig, toch?. Hij knikt glimlachend en stapt daarna, met een hele meute nog nalachend, uit bij de volgende halte, waar twee keurig geklede heren op het punt staan in te stappen. Ze aarzelen. De langste van de twee roept naar de conducteur: “Hee Sie! Die geht bis zum Hauptbahnhof?”
Door de stem van de Duitser maakt de aangesprokene een ware metamorfose door. Allereerst verstart zijn houding. Zijn gezicht wordt spierwit en zijn ogen groot en zwart. Van de vriendelijke Rotterdamse conducteur is weinig meer over. Hij probeert zich duidelijk te beheersen en de passagiers zien zijn worsteling en zwijgen eerbiedig. Hij moet hen wel kaartjes verkopen en stapt als een zombie op de mannen af. Op dat moment hoort hij de een tegen de ander zeggen: “Was ist komisch, Sie sehen hier fast keine antiken Gebäude” De conducteur staat bijna neus aan neus met de langste Duitser, boort zijn woedende blik in de ogen van zijn opponent en sist: “Die hebben jullie in 1940 in mekaar gepleurd. En nou mijn tram uit!!” De beide heren sluipen beduusd naar de balkondeuren, wachten tot de tram stopt en stappen onhandig uit. Van hun arrogante houding is niets meer over. De conducteur kijkt dof voor zich uit en mompelt: “Ze hebben me vast niet verstaan, maar wel begrepen.” Wat door luid applaus wordt onderstreept.

Aad Wieman, Rotterdam 19-6-16. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn tekst redigeert.

Poetry International

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Poetry International

Ik las in het boek Achter de Schermen van de Kunst door Carin Gaemers over de oprichting van de Sectie Letteren van de Rotterdamse Kunst Stichting (RKS). Wat bleek? Na jarenlang het te hebben moeten doen met de G en de W kwam de Sectie Letteren eind 1970 tot de brood noodzakelijke uitbreiding met de M, de R en een halve B, die ook als D gebruikt kon worden.

Het zou tot 1991 duren, eer er geld was voor een paar klinkers. Dit was de aanleiding voor de uitgave van de Zonde Reeks, poëziebundels van Onbekende Dichters. Waarop het Grote Publiek reageerde met Ongezouten Kritiek (altijd beter voor de bloeddruk). Was het inderdaad niet zonde om zoveel letters te gebruiken voor Onbekende Dichters? Niemand wist wie zij waren. Bestonden zij eigenlijk wel? Was het geen truc om fondsen te verwerven en budgettair gezien de boel op te trekken?

En was onbekendheid niet hun eigen schuld? Ingezonden brieven met lekker veel letters naar de lokale pers hadden hun naamsbekendheid goed kunnen doen. Maar nee, zij lagen liever te rotten op hun door lege flessen goedkope wijn omzoomde bed. Waren zij niet beter uit met een betaalde baan? Gewoon hard werken dan op kosten van de Staat letters op het toenmalige papier te zetten?

Na dwingend en bovendien ambtelijk advies van de Secretarieafdeling Kunstzaken ging de RKS, om de Zonde Reeks kaliber te geven, over tot de aanschaf van het gehele alfabet, maar toen was het eigenlijk al te laat. Niet lang of kort daarna werd de RKS opgeheven en de Onbekende Dichters gingen met een bijstandsuitkering ondergronds. De opkomst van het barbarisme der Volkspartij beslechtte de doodstrijd van de Rotterdamse literatuur.

Creativiteit – in welke vorm dan ook – werd door de Coolsingel vakkundig in de kiem gesmoord. Daarom is het nooit wat geworden met mijn aanbeveling inzake een Substantiële Impuls voor de kwakkelende Duitse economie: hoofdletters afschaffen. Dit scheelt een heelal aan handelingen. Nooit meer wat van gehoord. Mijn suggestie om in het kader van de bezuinigingen verkeerslichten te ontwerpen met maar één kleur heeft het ook niet gehaald.

Bezuinigingen zijn van alle tijden en het onbezonnen elimineren van hoofdletters of zelfs klinkers heeft blijkbaar een tegengesteld effect. Het voornaamste doel van bezuinigingen is namelijk de productie van ambtelijke teksten. Het vakmanschap van Onbekende Dichters werd geruisloos overgenomen door Anonieme Ambtenaren. Gebruik makend van het totale alfabet ontstond er een onmetelijk brij van volkomen zinloze formuleringen met een poëtische waarde die alleen voor robotten begrijpelijk is.

De waarschuwingen voor de robottisering van de samenleving worden afgedaan als stuiptrekkingen van doemdenkers, maar in feite zijn wij – taalkundig gezien – al jaren lang het slachtoffer van Onverzorgd Taalgebruik (OVT). De hedendaagse media, zoals de radio en de televisie, facebook, twitter, keuzemenu’s, internet forums en whatsapp etaleren het gestage verval van de verworvenheden der Nederlandsche taal.

Een aantal ondergrondse dichters komt in verzet tegen deze verloedering. Hun moedige opstand is gebundeld in de Stichting Verzorgd Taalgebruik (SVT). De SVT helpt ondergedoken taalverzorgers met morele en financiële ondersteuning. Bibliotheekpasjes worden vervalst en illegale teksten met veel medeklinkers vinden hun weg naar gelijkdenkende lezers. Vrouwelijke koeriers verspreiden in alle anonimiteit de actuele berichten van de SVT. Een kleine, maar krachtige verzetsgroep schildert moeilijke woorden op graffitivrije muren.

Een groot succes boekte de SVT in de strijd tegen overbodige letters. Zo heeft de RET (Rotterdamsche Elektrische Tram) de melding ‘Buiten Dienst’ vervangen door ‘Geen Dienst’ en een delicatessenwinkel in de Lusthofstraat te Rotterdam-Kralingen verving de bordjes met het afkeer wekkende ‘eiersalade’ door het efficiënte ‘eisalade’. De bekende saxofonist Fred Fierst van Wijnandsbergen noemt zich voortaan simpelweg Fred Fierst.

In januari 2016 heeft de SVT het tot het Lidwoord van het Jaar uitgeroepen. De stond het afgelopen jaar op één. Daarmee kwam in 2015 een einde aan de hegemonie van een. Een kende een lange tijd een onaantastbare positie. De gestage groei van de en vooral het leidde tot de eenmalige keuze voor de. Naar alle waarschijnlijkheid overkomt het nu hetzelfde.

Het Lidwoordfestival is een aansprekend voorbeeld van het bewustmakingsproces dat een essentieel onderdeel is van het werk van de Stichting Verzorgd Taalgebruik. Steun de SVT met de donatie van een substantieel bedrag op de rekening van de stichting O.E.B. (NL15ABNA0896724657). Lid worden kan ook.

© IJsbrand Flamminga

Stenengooier.

Wanneer je als 7 jarige jongen enkele maanden in een weeshuis moet verblijven omdat je moeder tijdelijk niet voor je kan zorgen en je op een school wordt geplaatst waar niemand je kent, dan is het leven geen grapje. Dat ondervond Leendert, die in het weeshuis en op school werd uitgelachen om zijn kortgeschoren kapsel, eivormige schedel en malle fratsen. Als reactie hierop ging hij nog meer de clown uithangen, wat hem niet in dank werd afgenomen omdat door zijn onbesuisde grappen er wel eens brokken werden gemaakt. De groepsleidster van het weeshuis juf Janneke en meester Sluyter op school, voerden onafhankelijk van elkaar een streng regime tegen hem. De beide pedagogen hielden hem scherp in de gaten, waardoor hij de opgelegde straffen voor zijn misdragingen niet kon ontlopen. Hij droeg zijn lot als een man. De leiding van het weeshuis probeerde via vertrouwelijke gesprekken dichter bij hem te komen, waarbij hij niet vertelde dat hij zijn moeder verschrikkelijk miste. Hij beet nog liever zijn tong af!
Het enige moment waarbij hij zich op zijn gemak voelde was tijdens de wandeling van school naar het weeshuis. Daar werd hij door niemand in de gaten gehouden en kon net zo mal doen als hij wilde. Met als publiek een tweeling bestaande uit twee kleine jongens die vaak met hem opliepen en welwillend om zijn bravoure lachten. Totdat hij een keer zomaar, zonder enige reden, een steen gooide die per ongeluk tegen het hoofd van het ene tweelingbroertje aankwam en daar een bloedende hoofdwond veroorzaakte. De jochies spoedden zich huilend naar huis en werden daar opgevangen door de moeder die kordaat bij de huisarts aanklopte, die snel de wond hechtte en er een indrukwekkend verband om deed.

Het nieuws van het stenengooien was Leendert vooruit gesneld en bij aankomst in het weeshuis werd hij onmiddellijk gearresteerd en door Juf Janneke aan een scherp verhoor onderworpen. Zij kon een triomfantelijke grijns nauwelijks onderdrukken toen ze meldde dat ze die middag naar het huis van het slachtoffertje zouden gaan om geconfronteerd te worden met zijn boze moeder. Daar zou Leendert er flink van langs krijgen. Juf Janneke wandelde een uurtje later met haar arrestant naast zich, grimmig zwijgend naar het huis van de tweeling, belde aan en toen de deur werd geopend door een vrouw die verrast naar hen keek, sprak Juf Janneke de onsterfelijke woorden: “Nou, hier istie dan” “Ben jij Leendert? Kom gauw binnen!” zei de vrouw die de moeder bleek te zijn. In de huiskamer zat het slachtoffertje in de pappastoel met naast zich zijn tweelingbroer. “Kom eens even bij me?” zei de moeder zacht, pakte Leendert bij zijn handen en keek hem vriendelijk aan. “Heb je een hekel aan Daantje?” Leendert had deze vraag niet verwacht en verbaasd schudde hij snel zijn hoofd. “Was het een ongeluk?” Hij voelde ineens de kille aanwezigheid van Juf Janneke en sprak schor “Ja mevrouw” “Je bent zeker wel erg geschrokken, hè?” “Ja mevrouw” “Zou dit helpen?” De moeder hield hem een plak chocolade voor zijn neus. Leendert pakte het verbaasd aan en keek naar Juf Janneke die zich stond te verbijten.
Waar bleef die uitbrander nou, verdomme? “En? Wat zeg je nou?” siste Juf Janneke
“Hij hoeft niks meer te zeggen juffrouw, want hij gaat voortaan beter oppassen, hè Leendert?” sneed de moeder haar de pas af, terwijl ze Leendert tegen zich aantrok en hem over zijn kort gesneden kapsel aaide. Terwijl de jongen tegen haar aanleunde sloot hij even de ogen.
“Maar, moet u niet….”  “Nee. Nergens voor nodig. Alles is gezegd. Ook door U.”

Het bovenstaande is gebaseerd op een ware gebeurtenis. Ik weet dat omdat de tweeling mijn jongere broertjes zijn en onze moeder Leendert troostte met het stuk chocolade. Als uw reporter stond ik er met mijn neus bovenop. Ik kan u nog wel vertellen dat hij door de broertjes vergeven werd. Moeder vond dat Leendert zijn stuk chocolade met niemand hoefde te delen. Juf Janneke reageerde daarop door een nog zuiniger mondje te trekken dan ze al had. De eerstvolgende schooldag ging moeder mee naar school om de meester van de klas te vertellen over het ongeluk. Toen deze pedagoog haar minzaam had aangehoord beloofde de beroepsopvoeder hem onder handen te zullen nemen en zette zijn bleke handjes “stoer” in de zij om aan te geven dat het serieus aangepakt zou worden. Moeder sprak luid en duidelijk: “Dat hoeft niet meer, want dat heb ik al gedaan.” “O? Hoe dan?” “Door hem een plak chocola te geven” Ze keek hem hierbij zo doordringend aan dat zijn mond van schrik samentrok tot een rondje: “pedagogisch hoor” sprak hij na een korte pauze vals vriendelijk.
Moeder hief haar vijsvinger voor zijn gezicht: “En geen woord tegen dat ventje”
Ik geloof niet dat de meester Leendert strafregels gegeven heeft. Wat had hij dan moeten schrijven? Honderdmaal: Ik mag geen stenen naar kleinere klasgenoten gooien, of zoiets? Dat soort dingen deed het onderwijzend personeel in 1960. Wat dat betreft is het onderwijs verbeterd.

Aad Wieman, Rotterdam 16-5-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen, die mijn teksten redigeert.

 

Het ziet er niet uit

Tis wat, die KNVB-beker. De 17 miljoen bondscoaches, die Nederland rijk is, kunnen wel schieten op de voetbalbond, maar maandagochtend stonden vijftigduizend Rotterdammers in de stromende regen voor dat ding te juichen. De Coolsingel was een uitzinnige zee van mensen. Alhoewel rood en wit Feyenoords kleuren zijn, waren de meesten zwart gekleed. Het zal met het weer te maken hebben gehad, maar de euforie kende geen grenzen. De clubliefde ook en dat is vreemd, want zo goed gaat het niet met het voetbal.

Voetbal is technisch en tactisch gezien misschien wel de mooiste sport. Op papier dan. In de praktijk is het voetbal uitgegroeid tot één van de meest corrupte bezigheden van de laatste decennia. Omkooppraktijken passen wellicht in de tijdgeest, maar vermakelijk is anders en daarom gaat het toch bij het spelletje. Voetbal is amusement, maar het hedendaagse spel ergert mij. Het is jaren geleden dat ik een hele wedstrijd heb uitgezeten. Af en toe kijk ik nog naar een samenvatting. Ik heb geen abonnement op een voetbalzender. Op het internet zijn er talloze illegale (gok)sites, maar – ook al is het gratis – ik kijk er niet naar.

Als je onder de rook van de Kuip geboren bent, maakt Feyenoord deel uit van je DNA, maar ik heb betere dingen te doen dan mij op te winden over de geperverteerde mentaliteit van spelers die zich gedragen als verwende balletdansers. Door niet te kijken wapen ik mij tegen de grenzeloze irritaties over de zinloosheid van schwalbes en het groteske gejuich na het maken van een doelpunt. De gesimuleerde blessures en de ongebreidelde matennaaierij. De zeldzaamheid van tweebenige spelers. De incompetente scheidsrechters en het nodeloos uitblijven van de technologische ondersteuning ten bate van foutloze arbitraire beslissingen. Megalomane clubbestuurders en malafide makelaars van voetballers die onbelemmerd hun zakken kunnen vullen.

De extreme financiële wanverhoudingen. Voetballertjes die drie ton per week (!) verdienen. Spaanse clubs die een half miljard in de min mogen. De diffuse regelgeving waardoor het ene land wel en het andere land niet aan de bak komt en steeds dezelfde ploegen aan de top staan. De clandestiene overheidssteun en de torenhoge kosten van de massale politie-inzet met als gevolg dat de Hermandad niet meer aan haar eigen taak toekomt. Het primitieve gedrag van de zogenaamde supporters die met halfslachtige maatregelen niet in toom worden gehouden en hun fascistoïde lusten kunnen botvieren op van alles en nog wat.

Ik hou liever mijn bloeddruk op peil dan tot vervelens toe geconfronteerd te worden met matchfixing en andere vormen van machtsverstrengeling waarom de FIFA bekend staat. Of het gedogen van doping, homofobie en censuur, zoals tijdens het laatste WK. De dominante aanwezigheid van de exponenten van het grootkapitaal, zoals Coca Cola, McDonalds en Gazprom (!), zodat je tijdens een wedstrijd gedwongen bent ruim een uur naar reclames te kijken. Of het oeverloze gezeik over kunstgras door oude mannen op de televisie. Kunstgras ziet er niet uit.

Nu heeft Feyenoord na jarenlang geploeter weer een beker. Gefeliciteerd zou ik zeggen, maar waarmee eigenlijk? ‘We gaan Europa in’, zeggen de fans, een groep die nu niet bekend staat om haar liefde voor integratie op het oude continent. En dan? Dan winnen of verliezen we. En dan? Verlies nemen we en overwinningen worden gevierd. De uiteindelijke beloning is dan een ordinaire zuippartij.

Ik wacht het niet af. Ik word wel een keertje lazerus zonder kampioen te zijn.

© IJsbrand Flamminga

Kuip luchtfoto 446

Kannibaal

In het restaurant van een groot warenhuis zitten een hoog geblondeerde en bont geklede dame-op-leeftijd tezamen met echtgenoot en dochter koffie met gebak te nuttigen. Tussen moeder en dochter staat een met tassen behangen wandelwagentje waaruit baby geluidjes opstijgen. Om de blonde vrouw hangt het glanzende aura van de kersverse oma, die er volgens haarzelf nog deksels jong uitziet. De veel gehoorde kreet: ”Wat? Al oma? Nou dat zou je niet zeggen!” doet haar dan regelmatig blozen van genot. De eveneens kersverse opa denkt er zo te zien heel anders over. De vijandige blik die hij op een voor hem staand kopje koffie richt spreekt boekdelen.
“D ‘r zit verdomme geeneens melluk bij de koffie” mompelt de grootvader en leunt naar achteren in zijn stoel, niet van plan tot handelen over te gaan.
“Er ligt een zakje creamer bij, Arie. Dat is veel gezonder voor je” snauwt zijn vrouw op een toon, alsof ze het voor de zoveelste keer zegt. Ondertussen kan ze haar ogen geen moment van de baby afhouden. Ze lacht voortdurend tegen het wurmpje in het wandelwagentje en maakt daar kirrende geluidjes bij.
“Ik mot geen poeder en dat weet je” repliceert Arie en doet de armen over elkaar om aan te geven dat de discussie nu pas begonnen is. Oma blijft zich concentreren op de baby en negeert haar echtgenoot. De vermoeid uitziende dochter zucht geërgerd, staat op en stampt naar de balie om melk te gaan halen voor haar pappie. Op dat moment begint de baby zachtjes te huilen waarop de vrouw verbaasd opveert en haar borsten voorzichtig vasthoudt. “Joh Arie, mijn melk schiet toe. Dat gaat nooit over.” Arie ’s gelaat vertoont achtereenvolgens verschillende uitdrukkingen: verrast, verbaasd, verward en als laatste slim. “Ik al tevreden met een beetje koffiemelk, Riet” zegt hij met een scheve grijns.
Zijn vrouw heeft net de baby uit de wagen getild, trekt het mutsje van het hoofdje en begint het wurm verwoed te knuffelen. “O, heerlijk jong” lispelt oma en hervat haar geknuffel. De dochter is terug van haar melk corvee en plaatst een kannetje koffieroom naast het kopje van haar vader met de mededeling: “soo, melluk voor opaaa!” De spottende toon ontgaat hem niet en met een nijdige blik naar zijn echtgenote zegt hij luid: “Dank je schat. Aan jou heb ik tenminste wat!” Maar oma is met belangrijker zaken bezig. “Ooo, moet jij zo lachen tegen oma. Kijk Bianca, ze lacht, ze lacht! O kijk nou! Ze lacht echt. Ja, jaah! En daarnet schoot ook oma d ‘r melk toe!” kweelt ze tegen het kleine, tot een grimas vertrokken gezichtje. Arie en Bianca kijken elkaar veelbetekenend aan.
“Ja, ga jij zo lachen tegen oma? En tegen mamma en tegen pappa en tegen tante, maar niet tegen opa hè? Dat is zo ’n ouwe saggerijn! Daar valt niks te lachen, hè?” scandeert oma en begint de baby weer uitbundig te knuffelen. Arie kijkt vol walging naar het gedrag van zijn eega en steekt van wal: “Gatverdamme Riet. Dit is strafbaar, dat gesabbel. Niet normaal. Je bent een pedofiele oma. Je neemt zelfs grote happen van dat kind. Je vreet verdomme mijn kleindochter op. KANNIBAAL!! Je kan zo opgepakt worden voor pedofilie en kannibalisme!”
“Paha, laat haar nou. Het is d ‘r eerste kleinkind.” Zucht dochter Bianca en pakt resoluut de baby uit de handen van haar moeder, gaat zitten, knoopt haar bloes open en legt de baby aan, waarop deze gulzig begint te drinken.
De vermoeidheid verdwijnt uit het gezicht van de jonge vrouw. De ontspanning maakt haar mooi. Arie zwijgt en kijkt stil naar zijn dochter. Oma zit met lege handen en kijkt ook zwijgend en ontroerd toe.
“Hee, Arie!” klinkt ineens een mannenstem.
“Hee Japie Houtekop! Ouwe gek. Hoe kom jij nou hier?” roept Arie en staat op spreidt zijn armen ter begroeting en omhelst de forse man, die een gezicht heeft dat het meest wegheeft van een boomstronk. Zijn aanstekelijke lelijkheid heeft gedurende zijn bestaan veel hilariteit veroorzaakt bij zijn medemens. De beide vrouwen aan de tafel slaan verbijsterd, met hetzelfde gebaar, de handen voor hun mond. Arie stelt Jaap aan zijn vrouw en dochter voor, die nog steeds ongelovig naar de knoestige kop kijken. Ze kunnen geen woord uitbrengen. Jaap geeft moeder en dochter een hand en zegt met onverwacht diepe stem: “ En, is dat de nieuwe nazaat van Arie?” Riet wil gaan spreken maar wordt in de rede gevallen door Arie: “Da ’s me kleindochter en ze heeft al naar me gelachen” kraait hij en kijkt triomfantelijk naar zijn echtgenote die hem verontwaardigt aankijkt. “Niewaar, da kannie” krast Riet. “Jawel. Vanmorgen. Ik was effe alleen met d ‘r”  “Dat mot ik zien. Ik geloof er geen donder van, Arie. Maak haar eens aan het lachen dan?” Riet wijst gebiedend naar de baby die lodderig in de armen van haar moeder ligt. Arie kijkt geschrokken om zich heen. Ze hebben plotseling de aandacht van alle aanwezigen. Aarzelend knielt hij voor zijn dochter op de grond zodat zijn gezicht vlakbij het babyhoofdje verschijnt, dat angstige trekken begint te vertonen, waardoor de opa met allerlei grimassen probeert het kind een lachje te ontlokken. Dit lukt niet. Zijn kleindochter blijft hem ongerust aankijken. Er komt wel een lachje. Maar in de vorm van een hatelijke lach van oma, die Arie opzij duwt en zich vooroverbuigt naar de baby: ”Hallo, schat. Jij gaat wel lachen tegen oma, hè?” Haar te luide en doorrookte stem klinkt zo dwingend dat de baby begint te huilen. Arie kijkt triomfantelijk naar het publiek, dat een hoongelach laat horen, hetgeen de woede van oma tot gevolg heeft. Ze gaat er even flink voor staan om het ondankbare publiek de huid vol te schelden maar merkt dat iedereen langs haar heen kijkt naar iets achter haar. Als ze zich omdraait ziet ze het grote lichaam van Jaap over de baby gebogen staan en hoort ze zijn diepe stem zachtjes vragen: “Waarom moet jij zo huilen?” Het kind stopt subiet met huilen en als Jaap zijn grote gezicht met enige moeite heeft geplooid tot een glimlach, lacht de baby terug met een verrassend vrolijk geluidje. In het restaurant valt een eerbiedige stilte. Opa en oma kijken Jaap bedremmeld aan. Deze zegt alleen: ”Het is een gave”

Aad Wieman, Rotterdam, 3-4-2016. Met dank aan Jolanthe van Dongen voor de redactie.

Schiebroekselaan

Onlangs was ik in Rotterdam noord, daar waar ik vandaan kom. De straat is de Schiebroekselaan.
Onbewust gingen mijn gedachten terug naar een onbezorgde jeugd. Naar onze buren, we zijn nog steeds bevriend ook al woon ik nu al jaren elders in de stad, maar op éen of andere manier blijft noord trekken. Jeugdvriend van het eerste uur, Jeroen, we zien elkaar nog graag, we renden vaak naar de Juliana van Stolbergschool, voetbalden bij Veenstra voor de deur, tussen de pleintjes, (met o.a. Martin, Marcel, Harry, José, Rémon, Bertje, Santi) en fietsten rondjes door de Schiebroeksestraat.
Ik moest lachen, er stond weleens een pestkop op de hoek en dan mochten we alleen doorfietsen als we een stuk papier gaven, de bijnaam ‘papierel’ was snel geboren.
We voetbalden ook weleens illegaal op het afgesloten terrein bij de Vrijebansestraat, als de politie je dan ophaalde zetten ze je af op….de Schiebroekselaan. Ook de kerstbomenjacht was altijd weer spannend…..

Het huis is er nog, bewoond door vreemden. Ben toch benieuwd hoe het er binnen uitziet, 20 jaar na ons vertrek. Jeugdherinneringen, ik hou ervan. Schrijven over Rotterdam, het blijft gers. Rotterdam is mijn stad, jouw stad, onze stad!

Vroeger in het oude Rotterdam

Wij hadden vroeger thuis geen vroeger. Wij gingen bij de buren, die hadden vroeger. Vroeger was duur. Wij hadden geeneens een vloer. Wij hadden een vuil en nat gat en daarom vochten wij. Wij wroetten op de vuilnisbelt en wij filterden het rioolvocht voor de thee, gezet van het zakje dat we van de buren kregen of de rest van de straat. Nou ja, straat… Het was meer een stinkende modderstroom waarvan zelfs de ratten waren gevlucht.

Wij hadden nooit tijd en als wij te laat kwamen, kregen wij ongenadig op onze sodemieter van de buurman, want onze vader moest 36 uur per dag werken. Als die zijn best deed, mocht hij eens per jaar naar ons vuile gat en hij nam dan voor ons een kiezelsteen mee om op te zuigen, maar dan moestie weer snel weg om zijn geleende sandaal terug te brengen.

Ik kreeg dan onze broek aan om de kiezel te gaan ruilen voor een hap zand, zodat wij die eerlijk konden verdelen onder onze 54 kinderen waarvan er eentje meestal dood was of opgegeten door mijn oudere broer, die zo ontzettend blind was dat wij hem ’s winters gebruikten om te kijken of er nog ergens iets brandbaars was voor de kachel, die wij eigenlijk niet hadden.

Sommigen van ons hadden wel eens gehoord van een bed. Dat was alleen voorbestemd voor de oudsten. De jongeren mochten nog niet horen. Dat kwam goed uit, want ze luisterden toch niet. Praten mocht alleen op vrijdag als mijn moeder een goede bui had. En dan enkel nog een paar woorden. Er waren maanden dat wij alleen één letter mochten zeggen. Dan ruilde ik met mijn broertjes bijvoorbeeld de ‘w’ voor een ‘h’, zodat je na vijf maanden hallo kon zeggen, maar dan moest je wel mazzel hebben. Waarover je dan ook weer een half jaar had gedaan.

De uitverkorenen onder ons groeiden op voor galg en rad of gingen naar sodom en gommora op de Blaak. Ik piepte meestal naar binnen, want het was voor boven de 18 en zo oud werden wij toen niet. Trauma’s zouden er door mijn moeder vakkundig uitgeslagen moeten worden, maar ze had nooit tijd. Dan had je pech, die wij onderling ruilden. Met Oud en Nieuw (in ons geval alleen Oud) kregen wij een klap en dan kon je er weer een jaar tegen.

Het was puur een kwestie van overleven. Wij waren blij als er iemand waterpokken had, want wij stierven van de dorst. Hoewel het zó donker was, dat wij niet precies wisten hoeveel kinderen er waren. Het komt allemaal weer naar boven, hoewel wij dat niet konden betalen. Bij speciale gelegenheden kregen wij een portie zure lucht van het abattoir. Dat moesten wij zeven en een mochten wij houden voor de kleinste, waarvan wij niet zeker wisten of hij wel bestond. Zo klein waren wij toen.

Vaak leek het of er helemaal niemand was. Soms hoorde je wel eens iets. Genieten was dat. Meestal was er niets. Niets was voor ons ook een buitenkansje. Je was met niets dolblij. Alleen dat werd dan weer afgepakt door mijn moeder om te bewaren voor slechte tijden. Dat lijkt gemeen, maar wij konden nooit iets achter de hand houden. Dat werd gebruikt als onderpand. Als wij dan zonder zaten, hadden wij altijd nog niets en dan was het feest. Maar dat was vroeger, hoewel wij dat toen niet hadden.

© IJsbrand Flamminga