Schiebroekselaan

Onlangs was ik in Rotterdam noord, daar waar ik vandaan kom. De straat is de Schiebroekselaan.
Onbewust gingen mijn gedachten terug naar een onbezorgde jeugd. Naar onze buren, we zijn nog steeds bevriend ook al woon ik nu al jaren elders in de stad, maar op éen of andere manier blijft noord trekken. Jeugdvriend van het eerste uur, Jeroen, we zien elkaar nog graag, we renden vaak naar de Juliana van Stolbergschool, voetbalden bij Veenstra voor de deur, tussen de pleintjes, (met o.a. Martin, Marcel, Harry, José, Rémon, Bertje, Santi) en fietsten rondjes door de Schiebroeksestraat.
Ik moest lachen, er stond weleens een pestkop op de hoek en dan mochten we alleen doorfietsen als we een stuk papier gaven, de bijnaam ‘papierel’ was snel geboren.
We voetbalden ook weleens illegaal op het afgesloten terrein bij de Vrijebansestraat, als de politie je dan ophaalde zetten ze je af op….de Schiebroekselaan. Ook de kerstbomenjacht was altijd weer spannend…..

Het huis is er nog, bewoond door vreemden. Ben toch benieuwd hoe het er binnen uitziet, 20 jaar na ons vertrek. Jeugdherinneringen, ik hou ervan. Schrijven over Rotterdam, het blijft gers. Rotterdam is mijn stad, jouw stad, onze stad!

Vroeger in het oude Rotterdam

Wij hadden vroeger thuis geen vroeger. Wij gingen bij de buren, die hadden vroeger. Vroeger was duur. Wij hadden geeneens een vloer. Wij hadden een vuil en nat gat en daarom vochten wij. Wij wroetten op de vuilnisbelt en wij filterden het rioolvocht voor de thee, gezet van het zakje dat we van de buren kregen of de rest van de straat. Nou ja, straat… Het was meer een stinkende modderstroom waarvan zelfs de ratten waren gevlucht.

Wij hadden nooit tijd en als wij te laat kwamen, kregen wij ongenadig op onze sodemieter van de buurman, want onze vader moest 36 uur per dag werken. Als die zijn best deed, mocht hij eens per jaar naar ons vuile gat en hij nam dan voor ons een kiezelsteen mee om op te zuigen, maar dan moestie weer snel weg om zijn geleende sandaal terug te brengen.

Ik kreeg dan onze broek aan om de kiezel te gaan ruilen voor een hap zand, zodat wij die eerlijk konden verdelen onder onze 54 kinderen waarvan er eentje meestal dood was of opgegeten door mijn oudere broer, die zo ontzettend blind was dat wij hem ’s winters gebruikten om te kijken of er nog ergens iets brandbaars was voor de kachel, die wij eigenlijk niet hadden.

Sommigen van ons hadden wel eens gehoord van een bed. Dat was alleen voorbestemd voor de oudsten. De jongeren mochten nog niet horen. Dat kwam goed uit, want ze luisterden toch niet. Praten mocht alleen op vrijdag als mijn moeder een goede bui had. En dan enkel nog een paar woorden. Er waren maanden dat wij alleen één letter mochten zeggen. Dan ruilde ik met mijn broertjes bijvoorbeeld de ‘w’ voor een ‘h’, zodat je na vijf maanden hallo kon zeggen, maar dan moest je wel mazzel hebben. Waarover je dan ook weer een half jaar had gedaan.

De uitverkorenen onder ons groeiden op voor galg en rad of gingen naar sodom en gommora op de Blaak. Ik piepte meestal naar binnen, want het was voor boven de 18 en zo oud werden wij toen niet. Trauma’s zouden er door mijn moeder vakkundig uitgeslagen moeten worden, maar ze had nooit tijd. Dan had je pech, die wij onderling ruilden. Met Oud en Nieuw (in ons geval alleen Oud) kregen wij een klap en dan kon je er weer een jaar tegen.

Het was puur een kwestie van overleven. Wij waren blij als er iemand waterpokken had, want wij stierven van de dorst. Hoewel het zó donker was, dat wij niet precies wisten hoeveel kinderen er waren. Het komt allemaal weer naar boven, hoewel wij dat niet konden betalen. Bij speciale gelegenheden kregen wij een portie zure lucht van het abattoir. Dat moesten wij zeven en een mochten wij houden voor de kleinste, waarvan wij niet zeker wisten of hij wel bestond. Zo klein waren wij toen.

Vaak leek het of er helemaal niemand was. Soms hoorde je wel eens iets. Genieten was dat. Meestal was er niets. Niets was voor ons ook een buitenkansje. Je was met niets dolblij. Alleen dat werd dan weer afgepakt door mijn moeder om te bewaren voor slechte tijden. Dat lijkt gemeen, maar wij konden nooit iets achter de hand houden. Dat werd gebruikt als onderpand. Als wij dan zonder zaten, hadden wij altijd nog niets en dan was het feest. Maar dat was vroeger, hoewel wij dat toen niet hadden.

© IJsbrand Flamminga

Schotsie piepen

De winter van 1963 was, zoals bekend, de koudste winter van de vorige eeuw. Met temperaturen van rond de – 15 graden, zodat de oren van je kop vroren en toch ging je op de fiets, over de Abraham van Stolkweg naar de ULO school in Overschie. Niet de mode, maar de ijzige koude schreef hier de wet voor.

Warm gekleed en getooid met de merkwaardigste hoofddeksels, bestaande uit mutsen, lappen en dassen die je als 15 jarige normaal voor geen goud zou dragen. Buiten was alles lichtgrijs. De grond, de lucht en het water hadden dezelfde grijstint met hier en daar een donkerder accent, zodat je een beetje wist waar je fietste. De singels, de vijvers en de vaarten waren stijf bevroren. Ook de Schie zou wel bevroren zijn. En dat wilden we tussen de middag graag onderzoeken.

Gevieren gingen we, in plaats van naar de overblijf op pad en wandelden in de richting van de Schie. Het plan was om over het ijs naar de overkant te lopen. Waarom? Zomaar! Vier 15 jarige jongens: vrolijke Dick met zijn bravoure, laconieke Ruud, die het best beschreven kon worden als “cool”. (want hij had altijd als eerste de meest swingende schoenen) En “ Gimp”, waarvan we de echte naam niet wisten en ikzelf als uw verslaggever. Als kleinste van de klas deed ik natuurlijk mee voor zoete koek, dus kan ik me nu maar beter een bepaalde functie toeschrijven.

Bij de Schie aangekomen zagen we een sleepboot met verzwaarde boeg bezig het ijs te breken. Dick en Gimp keken beteuterd. Ze zagen tot aan de andere oever alleen maar ijsschotsen drijven. Ze hadden zich tijdens de wandeling een heroïsche voorstelling gemaakt van de tocht over het ijs en dat kon nu niet doorgaan. Dick praatte een minuut geleden nog opgewekt over het leger van Napoleon en de ijzige terugtocht over Russische rivier de Berezina. Ruud viel Dick in de rede en wees naar de voorbij varende sleepboot en zei: “Die vaargeul moet open blijven voor de aken die hier altijd varen. Dat is een ijsbreker. Dus.” Hij keek er overdreven ernstig bij. Je wist bij hem nooit zeker of hij het meende. Hij kon je soms ineens heel dreigend aankijken en sissen: “wou je vechten?” om dan gelijk om te slaan als het blad van een boom en zich te verontschuldigen met: ”Ik niet.” Gimp liet zich niet uit het veld slaan en klom over de basalt blokken naar de waterkant. Zonder dralen stapte hij op de dichtstbijzijnde schots en draaide zich triomfantelijk om, wenkte en stapte op een tweede schots, die vervaarlijk begon te wiebelen. Wijdbeens en met de handen in de zij hervond hij zijn evenwicht, stond rustig op de schots en keek ons met een zelfverzekerde grijns aan.
“Lefgozer” mompelde Dick en stapte over de basaltkeien op het ijs en sprong vervolgens van de ene op de andere schots tot bij Gimp die Dick gelijk vast greep zodat ze elkaar in evenwicht konden houden. Tenslotte was Dick niet voor niets de beste met gym. Schaterend keken de jongens elkaar aan en wendden daarna de blik naar de overkant. Hun einddoel. Ze bleven ons wenken. “Ik heb nieuwe schoenen!” riep Ruud naar de waaghalzen. ”Nou en?” was het antwoord . Ruud maakte een begrijp-je-dat-nou gebaar naar mij en keek bezorgt naar zijn glanzende laarsjes.
Intussen was de sleepboot teruggevaren en ging midden op de vaart liggen. In de stuurhut zagen we twee silhouetten van de bemanning. Dick en Gimp hadden net ontdekt, dat als je elkaar goed vast hield en dan tegelijk sprong, je gemakkelijk van de ene schots op de ander kon komen, waardoor ze flink opschoten. Plotseling schalde er een blikkerig geluid over het water. Een van de mannen in de stuurhut had de megafoon ingeschakeld. De metalen stem riep: “Jongens, ga van dat ijs af. Dat is veel te gevaarlijk.” Op dat zelfde moment lieten de jongens van schrik elkaar los. Gimp stond ineens alleen en de schots waar Dick opstond kantelde, waardoor hij in het water tuimelde en kopje onder ging. Hij kon zich nog net aan de schots vastgrijpen en hees zich er op en terwijl hij naar de kant scharrelde klonk er door de sleepbootmegafoon een honend geschater. Door het metalige geluid klonk het nog hatelijker. Ruud en Gimp hielpen Dick op het droge. Hij was kletsnat en keek verbijsterd van de een naar de ander totdat hij begon te klappertanden en bevend in elkaar dook. We wisten dat er snel iets moest gebeuren. We hadden pas op school geleerd dat onderkoeling heel gevaarlijk is. Ruud wees naar het dichtstbijzijnde flatgebouw: “Rosita woont daar in die flat. Effe kijken of er iemand huis is” Ze
renden naar het portiek, belden aan, spraken door de intercom, struikelden de lift binnen die hen naar de 5e verdieping bracht. Gimp en ik bleven in de hal achter en er zat niets anders op dan weer naar school te gaan. Onderweg bleef Gimp mij doorzagen over de borstjes van Rosita, omdat hij ze wel eens betast zou hebben en gevoeld had dat ze geen BH droeg. Rosita was als ik me goed herinner niet knap maar rijper dan de andere meisjes en dat maakte haar in onze ogen interessant. Van de acties van Gimp geloofde ik geen ene moer en toen we op school arriveerden had Ruud, die gek genoeg eerder dan wij aanwezig was, zijn verhaal gedaan en de opwinding onder de leerlingen tot grote hoogten doen oplopen. De volgende dag kwam Dick wazig glimlachend op school. Er werden van alle kanten vragen op hem afgevuurd met als resultaat dat zijn glimlach veranderde van wazig naar geheimzinnig. Het bleek dat toen hij in het huis van Rosita binnenkwam, hij zonder plichtplegingen in een heet bad werd gestopt. Op de vraag of Rosita zijn rug gewassen had schudde hij ontkennend zijn hoofd en mompelde: ”D‘r moeder” En weer met die glimlach. Wij, 15 jarige jongens deden er het zwijgen toe en over die moeder konden we alleen maar fantaseren, want Dick weigerde er verder nog iets over te zeggen en vertoonde alleen nog die irritante glimlach van hem.

Aad Wiegman, Rotterdam, 13-3-16. Met dank aan Jolanthe van Dongen voor het redigeren van de tekst.

Larmoyant

Het woord larmoyant zie ik de laatste tijd steeds vaker. Dat komt niet omdat ik een nieuw abonnement heb op een krant met veel moeilijke woorden of ineens veel literatuur lees. Nee, mijn leesvoer is hetzelfde gebleven. Het woord larmoyant is met een gestage opmars bezig en dat is frappant. Ik zag het nota bene in het Algemeen Dagblad, niet bepaald een krant voor hoogopgeleiden die in Frankrijk hun vakantie doorbrengen of voor snobs met een tweede huis in de Provenc
Larmoyant is namelijk Frans. Frappant trouwens ook. Je hoort larmoyant niet veel. Soms, laat op de avond na een intiem etentje aan een Kralingse borreltafel, als iemand zeurt over de culinaire kwaliteit. Larmoyant komt nogal kakkineus over, maar dat kan veranderen. Als het maar genoeg gebruikt wordt, dan wordt het woord vanzelf minder elitair. Larmoyant betekent huilerig, klagend of sentimenteel. Niet iets om mee te koop te lopen.

Vandaar de vraag of de groeiende populariteit van het woord is te verklaren door de opbloei van het sentiment om ons heen en of de gemiddelde Nederlander daardoor zelf sentimenteler is geworden? Het zou zomaar kunnen. Met de komst van de commerciële radio en televisie ontstond de behoefte aan herkenbare emoties. Janken op de buis werkt namelijk omzet verhogend. Huilen is makkelijk, goedkoop en dus winst bevorderend. En daar gaat het om bij de commerciëlen.

De verdebielisering van de samenleving nemen zij voor lief. Sterker nog, der Volksverblötung, zoals de Duitsers het zo mooi noemen, lijkt opzettelijk de bedoeling van de mediamaffia. Huilen is normaal en van alledag. Tussen de reclames moeten we onze gevoelens ongebreideld kunnen uiten. Reclameboodschappen zijn ingeblikte sprookjes. Geanimeerde poppetjes die de onderkant van een toiletrand schoonspuiten, brandend maagzuur blussen, badkamertegels ontschimmelen, hardnekkige tandplak verwijderen en het nationale probleem van de kalkteennagel tot een goed einde weten te brengen. Zij leefden nog lang en gelukkig.

Onzin! We schaffen spullen aan die we helemaal niet nodig hebben. De drassige pulp waarmee de bevolking dag in en dag uit geïndoctrineerd wordt, leidt tot een toenemende frustratie, die op zich zelf weer tot gevolg heeft dat gevaarlijke sentimenten opbloeien. Terwijl onze samenleving feitelijk op een intellectueel en materieel hoogtepunt verkeert, wordt er momenteel meer geklaagd dan ooit.

Over zwarte Piet, over negers, over blanken, over de banken, over Griekenland, over Rusland, over China, over Amerika, over vluchtelingen, over het spoor, over moslims, over de regering, over links, over rechts, over de huizenmarkt, over de zorg, over de belastingen, over het onderwijs, over het voetbal en zelfs over het weer. Het is allemaal te veel om op te noemen en het is daarom niet vreemd dat men zoekt naar moeilijke woorden, maar toch komt het veelvuldig gebruik van larmoyant nogal pathetisch over.

Het woord pathetisch is van Franse oorsprong en betekent aandoenlijk. Ik voorspel het een grote toekomst.

© IJsbrand Flamminga