de draaischijf

Draaischijf

Dit is een ik verhaal. U bent gewaarschuwd. Als u niet van opschepperij houdt moet u niet verder lezen. Ik klop mij namelijk nu even flink op de borst voor iets wat ik vroeger heel erg goed kon. Ik zou nu geen seconde meer op dat ding willen en/of durven staan, maar toen… Tjonge jonge wat kon ik dat goed zeg. Ik zwelg nog van trots als ik er aan terug denk. En wel hierom: Als jochie van 12 was ik erg klein voor mijn leeftijd en niet goed in gymnastiek. Ik werd dan ook meestal als laatste gekozen bij verschillende balspelen zoals trefbal en bij de edele voetbalsport lag ik of op de grond te dweilen of kon je me zien wegduiken voor de aan suizende ballen. Touwklimmen, daar was ik wel goed in omdat ik bijna niks woog. In de tijd van een scheet zat ik dan tegen het plafond van de gymzaal, vanwaar je een goed uitzicht had. Ringen, rekstok en paard was niet aan mij besteed. En toch was ik een druk en bewegelijk ventje. De clown uithangen en af en toe een mooie tekening maken was niet voldoende om echt aanzien te verwerven.                                                                                                                                    In die tijd ging ik elke dag direct vanuit school naar de dierentuin, liet mijn abonnement zien, spoedde mij langs de dieren om bij mijn einddoel te geraken: de speeltuin met mijn favoriete speeltuig. In een uithoek van het speelterrein, waar de treinen langs raasden stond hij. De draaischijf. In een soort zandbak stond een vier meter brede schijf, vervaardigd van houten latten en voorzien van een metalen rand om het geheel stevig bij elkaar te houden. Het had wel iets van een middeleeuws martelwerktuig en alsof deze indruk versterkt moest worden, stond er een paal achter het speeltuig met daaraan een rechthoekig bord dat de waarschuwing bevatte: LET OP, kom niet met uw vingers aan de rand van de draaiende schijf! Deze mededeling sprak ernstig tot de verbeelding , want wat zou er gebeuren als je toch aan de rand van de in volle vaart draaiende schijf zou komen? Ik kon het wel vermoeden omdat er een  reeks ronde paaltjes, met schuin afgesneden toppen, vlak langs de metalen rand van de schijf geplaatst waren. Dus als je met je poten tussen rand en paaltjes kwam, dan lagen ze er onherroepelijk af. De paaltjes stonden er waarschijnlijk om te voorkomen dat er kindertjes onder het speeltuig zouden kruipen. De houten schijf stond in een hoek van ongeveer 30 graden, zodat hij met een beetje gewichtsverplaatsing makkelijk zou draaien en daar ging ik mee oefenen. Ik oefende en oefende elke keer als ik in de gelegenheid was en werd een meester in het beheerst laten draaien van de schijf. Ik kon hem met weinig moeite tot grote snelheid laten draaien door op een bepaald punt rustig omhoog te lopen en ook weer af te remmen als ik aan de andere kant liep. Als het druk was in de speeltuin kon ik een hele groep kinderen, die op de stilstaande schijf waren gestapt binnen dertig seconden in het zand laten bijten, door de draaisnelheid hoog op te laten lopen zodat iedereen van de schijf geslingerd werd. Ik lette wel op dat ik al rennend over de hardnekkige achterblijvers heen sprong terwijl ze zittend en gillend naar de rand gleden. En al deze toeren haalde ik uit met een uitgestreken gezicht, alsof niets mij deren kon. Ik genoot vooral als er van die sportieve jongens hun handigheid wilden etaleren en vol bravoure op de schijf sprongen. Je zag hen denken: O, dat doe ik wel even. Maar na amper 10 seconden dachten ze er liggend in het zand ineens heel anders over. Een enkeling kwam dan prachtig op zijn smoelwerk terecht en kon afdruipen richting EHBO, om een verzameling schrammen en verstuikte ledematen te laten verzorgen.

Later, toen ik al een jaar op het voortgezet onderwijs zat kon ik nog 1 keer mijn gram halen tijdens de driedaagse schoolreis. U weet dat pubers meedogenloos zijn in hun onderlinge kritiek. Mijn nietige gestalte en klunzige gymnastische toeren waren een prachtig doelwit voor de “populaire” sportjongens die ook nog gesteund werden door die klootzak van een  gymmeester. Totdat! In de buurt van het huis waar het schoolreisje gevierd werd was een verlaten speeltuin. In een hoekje stond tot mijn vreugde zo ’n zelfde draaischijf als het exemplaar uit Blijdorp. Nadat ik hem voorzichtig had uitgeprobeerd wist ik: Ik kan het nog! Deze schijf was goed gesmeerd en daardoor sneller dan die andere. Toen de groep de tweede dag al klierende en stoeiende in het speeltuintje terecht kwam stond ik te stuntelen op de draaischijf. Ik speelde de stuntel door wankel op de schijf te staan en er ook nog klunzig af te donderen en daar trapten de opscheppers mooi in. Gedrieën stapten ze nietsvermoedend op de schijf en zochten naar hun evenwicht, dat ze onmiddellijk en spectaculair verloren op het moment dat ik ook op de schijf sprong en er de vaart in zette en me enige tijd virtuoos amuseerde met het toestel, ondertussen achteloos naar de gevallen snoevers kijkend, die onder hoongelach van hun klasgenoten het terrein verlieten. Geen last meer van gehad. Over dit voorval is nooit een woord gesproken. Waarom zouden we ook.

Aad Wieman, Rotterdam, 30-11-2015. Met dank aan Jolanthe van Dongen die mijn teksten redigeert.

Netwerkborrel

Eerst houdt de Jos Nijhuis een praatje, omdat zijn vliegveld over een paar weken honderd jaar bestaat. Hij is de directeur van Schiphol. Zijn verhaal is niet te verstaan, maar uit de lichtbeelden op het grote scherm achter hem maak ik op, dat het de strekking heeft van “kijk eens hoe goed ik ben”. Na de Schipholbaas neemt de organisator van de Winter Netwerk Borrel het woord. De directeur van Amsterdam Marketing is al net zo blij met zichzelf en zijn organisatie. Hij vertelt over het fantastische logo van de stad. Tien jaar geleden is het bedacht en nu wordt het nog beter, want het rode streepje gaat er af. I AMsterdam wordt nu nog krachtiger. Nog meer mensen zullen Amsterdam gaan bezoeken. En het waren er al zo veel. Dit jaar maar liefst 7% meer dan vorig jaar en de cruiseschepen brachten 6,4% meer bezoekers naar onze stad. En zo gaat hij maar door. Oh wat doet onze stad het goed. De dames om mij heen staan te soppen en de mannen krijgen spontaan een Amsterdammertje in de broek. Maar hé, hoezo onze stad? Ik werk hier alleen maar. Ik ben ook blij met al die toeristen, ik eet er van, maar dit is niet mijn stad. Na het praatje van de Marketingbaas is het de bedoeling dat iedereen een biertje of een wijntje in de hand neemt en de eigen succesjes deelt met de anderen. Zo hoort dat op een netwerkborrel. Ik luister naar het verhaal van de ZZP marketingdame die voor wel tien Amsterdamse musea werkt en de succesvolle jonge ondernemer die boottochtjes organiseert langs Amsterdamse architectuur. “Dan vaar je vast ook langs onze Munttoren”, vraag ik geïnteresseerd. Nee, hij doet alleen moderne architectuur op het IJ. “Maar dan moet je toch in Rotterdam zijn? De Kop van Zuid, het Centraal Station, De Rotterdam van Rem Koolhaas?” De succesvolle ondernemer kijkt mij schaapachtig aan. Rotterdam?

Het wordt mij te veel. Ik moet hier weg. Met een pover gevulde goodybag loop ik met grote passen naar het station. De trein naar Vlissingen. In Schiedam stap ik over. Maar misschien blijf ik vandaag wel zitten. Even door naar Rotterdam en dan een rondje over het stationsplein. Een blik op de stad. De lucht van Rotjeknor. En dan naar perron 1B. De trein naar Vlaardingen.