Eierkoek.

De bedwelmende geur van vers gebakken brood, drong vanuit de grote bakkerij het winkeltje binnen, waar de huisvrouwen, die met de portemonnee in de hand, de tas aan hun arm, op hun beurt stonden te wachten. Ze babbelden er intussen lustig op los over allerhande belangrijke onderwerpen zoals het weer, hun man of zaken als: “ik zag dat Riet een nieuwe jas heb, waar doet ze het toch van” of “Kraaig jaaj auk oltijd zo honger van die luch? O, het doet gewaun zeer, joh. Ik mot gauw wa-tebbe, eh koekie of zo, want Ik valt toch ech baaina van de graat, daaluk. En dan een lekkere kom zuipe d ‘r baaj. Weetjenie?” Of “Maaid, ik seg-nog-tege-me-man-ik-zeg. Ik-weenie-wak-heb-mareeehh….”enz. enz. Zulk gezellig gekout hoorde men meestal elke morgen in deze nering en de gemiddelde clientèle genoot hiervan. Vooraan bij de toonbank met de smakelijk gevulde vitrine stond een moeder met een wandelwagentje waarin een brabbelende baby lag. Naast haar hipte en danste een jongetje van een jaar of acht, die behept was met een opmerkelijk woeste, vlammend rode kuif. Water, brilcream, borstel en kam hadden duidelijk geen vat op zijn haardos, dit tot ergernis van zijn moeder die telkens met haar vrije hand zijn stugge pruik probeerde te temmen. Ze was duidelijk zeer moe, wat niet direct aan het haar van haar zoontje hoefde te liggen natuurlijk. Het jongetje liet zich de ruwe liefkozingen van zijn moeder welgevallen alsof het een noodzakelijk kwaad betrof en had zich inmiddels zuchtend op de vitrine gestort om de daarin opgetaste lekkernijen likkebaardend te bewonderen. Aan de beweging in zijn rug zag je een idee ontstaan, want hij knikte blij en wees naar iets in de vitrine. Zijn moeder had geen oog voor hem omdat ze hier, in deze winkel scherp op haar beurt moest letten. Met een aandoenlijk hees stemmetje sprak het jochie snel: “ Mam, maggik een eierkoek?.” “Wat? Nee” “Ma-ham, maggik een eierkoehoek?” “Nee, Roel. Je krijgt geen eierkoek” Sprak de vrouw beslist. Je kon aan haar toon horen dat ze dit al vaker aan de hand had gehad en dat zwichten voor zijn smekende blik op de loer lag en dat was vandaag niet de bedoeling. Hij was toch al zo verwend. Hij pakte haar hand en richtte nu zijn beruchte smekende blik op haar, met de bedoeling haar van binnen te doen smelten. Ze rechte haar rug en werd gered door het winkelmeisje dat haar vragend aankeek. Ze was gelukkig aan de beurt en begon duidelijk en ferm haar bestellingen te plaatsen. Het jongetje zag dat zijn methode niet werkte en wierp zich theatraal voor de vitrinekast, keek verlangend naar binnen, stak zijn handen hemelwaarts en zuchtte met verstikte stem: “Ik krijg ook nooooit een eierkoek” Hij slikte want hij wist dat huilen geen zin had. Dat was meer iets voor zijn zusje. Hij besloot tot een andere strategie. Als zijn moeder een bestelling had uitgesproken siste hij er gauw “en een eierkoek” achteraan. “Een heel wit en een halfje knipkrop..” “En een eierkoek” Na de derde kreet om de eierkoek schreeuwde moeder “Hou op, Roel. Nee, Je krijgt geen eierkoek.” Roel stak nu boos zijn handen in de zakken van zijn spijkerbroek en zweeg verbeten. Al die tijd had een grote zware man met een forse, lichtgroen geruite pet op het hoofd, op een afstandje geamuseerd staan toekijken. De lachrimpels naast zijn ogen verrieden hem, terwijl hij probeerde zo ernstig mogelijk naar eierkoekenstrijd te kijken. Toen hij aan de beurt was bestelde hij: “Een halfje volkoren en O, ja. Geef mij al die eierkoeken” Het effect op roodharige Roeltje was adembenemend. Het anders zo kleurige gezichtje werd spierwit, zijn lichtgroene ogen veranderden in donkere poelen van woede. Hij draaide zich langzaam en met gebalde vuisten naar de verachtelijke figuur die zo laaghartig al zijn eierkoeken inkocht en verhief zich om de onverlaat van repliek te dienen, toen zijn moeder op tijd ingreep met de corrigerende kreet: “Roehoel!!! Je houdt je mond, hoor. Die meneer moet zelf weten of hij 1 of 16 eierkoeken koopt. Daar heb jij niks mee te maken.” De jongen liep leeg en kon zijn tranen nauwelijks bedwingen. De man met de groene pet stapte op het teleurgestelde ventje af en diepte uit de zak een eierkoek op en hield het de jongen voor, die verbaasd opkeek en met een triomfantelijke blik op zijn moeder de koek aannam. “Ach, dat hoeft helemaal niet hoor meneer. Hij hoeft niet altijd zijn zin te hebben” en tegen haar zoon: “Wat zeg je nou?” “Hij hoeft niks te zeggen hoor, mevrouw. Ik ben jarig vandaag en dit is voor mij collega ‘s. Jullie hoeven me niet te feliciteren en een goede morgen nog allemaal” Hij nam met een zwierig gebaar zijn pet af en daar onder bleek hij het zelfde weerbarstig rode haar te dragen als Roeltje. De aanwezige klanten keken allemaal verbaasd zwijgend de groetende man na en begrepen: ze waren getuigen van een staaltje solidariteit van roodharigen onder elkaar. Daar ga je niet tussen komen

Rotterdammer

Rotterdammer Ben je voor het leven. Of je er geboren bent, of je er niet meer woont maar de stad mist, dat gevoel gaat nooit meer weg.

Onlangs was ik voor een week op vakantie, dus echt uit de stad, maar als ik dan zie in m’n koffertje wat ik meeneem: een Gers! magazine, een paar t-shirts met daarop een duidelijke tekst, laten we zeggen, Rotterdamse teksten en het lijkt daardoor wel mee te vallen, met het missen van je stad. Want het is heerlijk om effe weg te zijn, maar weten allemaal dat we weer thuis zijn als we de van Brienenoordbruggen aan de horizon zien verschijnen.

En wat dat nou is, die liefdesverhouding van een man en zijn stad, het is niet eens te verklaren. Wat ik standaard doe als ik in het centrum geweest ben, is even naar het beeld van Zadkine, de Verwoeste Stad, dat beeld dat zo goed verwoordt dat we een moeilijke geschiedenis hebben gekend. Dat is voor mij een rustpunt, iedere keer weer, mijn eigen overdenkingen doe ik bij voorkeur ook op die plaats, heb er dan ook een mooie tatoeage van laten zetten, uit respect voor de stad die zoveel veerkracht toont en zo goed omgaat met de constant wijzigingen die er zijn, het stad wat wel degelijk weer een hart heeft en het pompt hoorbaar, iedere dag weer. Daar ben ik trots op. En trots is wat iedere Rotterdammer dan ook mag zijn op zijn buurt, op zijn straat, op zijn favoriete gebouw. Wat daar ook aan bijdraagt, aan dat gevoel, is dat we nu ook steeds meer toeristen zien, uit alle werelddelen die onze architectuur en musea komen bezoeken. Ik wijs ze graag de weg, maak een foto van ze en geef ze gratis tips als ze die willen. En in welke taal? Engels heel vaak, handen en voeten maar ook in Duits. Nu zien we allemaal de foto’s van de stad wel verschijnen, op websites of facebook of Instagram. Heel veel is afkomstig rondom de Markthal, Erasmusbrug/de Rotterdam en de Euromast. Maar het leuke van deze stad zijn toc hook de kleinere kunstwerken die in veel buurten te vinden zijn. Leg ze eens vast ,je hoeft geen professionele fotograaf te zijn om leuke, mooie en kunstzinnige zaken vast te leggen.

Heel de aarde is je vaderland

De zomervakantie is weer voorbij. Ik merk het aan alles. De toeristen hebben plaats gemaakt voor de vele schreeuwende scholieren op de fiets, met grote tassen op hun rug of zoals tegenwoordig erg hip is: in hun fietskrat.

Het zonnetje schijnt lekker en ik ben blij dat ik nog geen jas aan heb gedaan, ondanks dat de weerapp op mijn telefoon vanmorgen 14 graden aangaf en ik normaal gesproken nogal een koukleum ben.

Genietend van de mooie stad om me heen word ik opgeschrikt door een man die onverwachts het fietspad opspringt. Met piepende remmen kom ik tot stilstand. Op de stoep staat nog een groepje mannen. De man op het fietspad vraagt me iets in het Turks en het groepje op de stoep kijkt me vragend aan. Ik haal mijn schouders op als teken dat ik hem niet begrijp. ‘I don’t speak Turkish,’ zeg ik hem.

Glimlachend schakelt hij over in accentloos Nederlands. ‘Vergeef me, ik dacht dat u Turkse was,’ en zegt lachend iets in het Turks tegen de groep die daarop ook allemaal moeten lachen. ‘Wij zijn op zoek naar het Turkse consulaat, kunt u ons helpen?’ Vraagt de man vervolgens. Toevallig weet ik waar het Turkse consulaat in Rotterdam zit en wijs de man hoe ze moeten lopen.

‘Dank u wel, en nogmaals sorry dat ik er van uit ging dat u Turkse was,’ zegt de man, en maakt aanstalten zich weer bij de groep te voegen. Lachend kijk ik hem aan en zeg: ‘U bent niet de eerste hoor. Ik word vaker in een voor mij vreemde taal aangesproken. Blijkbaar kan ik voor veel nationaliteiten door’. Waarop de man antwoord met: ‘Heel de aarde is je vaderland,’ en wijst achter mij. Ik draai me om en zie dezelfde tekst op de gevel van de bibliotheek staan.

De man wenst me een prettige dag toe en ik wens hem hetzelfde. Ik zwaai naar de groep en stap weer op de fiets, glimlachend om de toevalligheid van deze ontmoeting.

In Rotterdam leven zo’n 174 verschillende nationaliteiten in vrede en op een positieve manier naast elkaar. Ik ben trots op ‘mijn’ stad en ik ben dankbaar (afgezien van de weersomstandigheden soms 😉 ) dat ik in Nederland geboren ben. De beelden en verhalen op het nieuws over de vluchtelingen doen pijn aan mijn hart. Zoveel mensen die niet in vrede leven, die heel hun bestaan achterlaten omdat het land waarin ze wonen niet veilig is.

Mensen die niks meer hebben, hun leven wagen om hun kinderen een betere toekomst te bieden. Ik word daar verdrietig van. Maar het ergste nog, vind ik de mensen die op social media roepen dat het gelukszoekers zijn, dat die hulpbehoevende mensen wat hen betreft niet welkom zijn. Als er 700 mensen omkomen op zee, zeggen: ‘Zo, dat scheelt weer 700 uitkeringen’. Daar word ik pas echt verdrietig en een beetje misselijk van. Nu weet ik wel dat de mensen die dit roepen niet de slimste zijn, het raakt me wel.

Daarom vond ik het zo mooi dat die meneer vanmorgen zei: Heel de aarde is je vaderland. Ik zou willen dat iedereen daar zo over denkt!

Sylvia Niemantsverdriet

Ernst.

Heeft u wel eens een aap een hand gegeven? Ik wel. In Diergaarde Blijdorp. Het was eigenlijk andersom. De aap gaf mij een hand en samen liepen we met de optocht mee in de richting van de speeltuin, waar ze hun dagelijkse show moesten opvoeren.

Om bij het begin te beginnen ging ik omstreeks 1960, elke dag vanuit school direct naar de Dierentuin, alwaar ik dezelfde soort jongetjes ontmoette met het zelfde enigszins lullige voorkomen als ikzelf. Gevieren vermaakten we ons voornamelijk in de speeltuin, maar bekeken wonderlijk genoeg de dieren los van elkaar alsof het om iets ging wat je nou eenmaal in je eentje doet. Men komt tenslotte in een dierentuin voor de dieren en Blijdorp was in die tijd een tuin met veel kooien en veel verschillende diersoorten, waardoor het meer een tentoonstelling van dieren was dan een diervriendelijk park, zoals het er tegenwoordig is. Je kon de dieren wel beter bekijken dan nu. De verzorgers werden vroeger dan ook oppassers genoemd. Een titel die meer bij een gevangenis hoort dan bij een moderne dierentuin. Ik spoedde mij eerst langs alle dieren alsof ik een opdracht uitvoerde, om dan uiteindelijk in het apenhuis te belanden, want die bewoners vindt men toch de leukste dieren en de mooiste attractie was wel het voederen der mensapen, die in de zomer als een circusact werd opgevoerd in een verhoogde, ronde kooi in de speeltuin. De voorstelling trok veel volk en werd erg bedreven uitgevoerd door de toenmalige verzorger, die zeer populair was. Een man, die ook zijn apen wel mee naar huis nam als ze iets mankeerde. De voorstelling bestond voornamelijk uit de etende primaten, die met een lepel pap van een bordje schepten, terwijl ze netjes op kleine stoeltjes aan een tafel zaten. Althans, dat was de bedoeling. De lethargische Orang oetans bleven meestal rustig zitten en verorberden behendig de eerste twee happen brei, om daarna het bord traag naar de mond te brengen en de rest, veel effectiever, met de tong naar binnen te werken, terwijl ze ondertussen een tafelpoot met hun voet vast hielden. Als het bord schoongelikt was, plaatsten de roodharige primaten de borden op hun hoofd, als een heel gewone afsluiting van de maaltijd. Zo rustig als de Orangs, zo druk en “ondeugend” waren de chimpansees. Ze sprongen rond, gooiden met de borden en klommen in het gaas van de kooi. Kortom: ze maakten er een kolerezooitje van. Tot groot plezier van het jeugdige deel van het publiek, die waarschijnlijk een heimelijk verlangen hadden om deze handelingen de volgende keer op school ook te gaan doen. Als de verzorger de orde in deze chaos had herstelt en ze allemaal netjes aan tafel zaten en rustig gingen eten, steeg er een bewonderend applaus op.      Er was een scene waarin een jonge “ongehoorzame” chimpansee op een, op de tafel staand stoeltje moest blijven zitten totdat alle apen na afsluiting van het programma de kooi hadden verlaten, hij als enige overbleef en de spanning ondragelijk werd tot hij eindelijk de verlossende sprong mocht maken in de gespreide armen van de verzorger, die hem ook nog knuffelde. Dit onder luid gejuich van het publiek, dat mee draafde met de door vrijwilligers geduwde oude kinderwagen, waarin de apen gedeponeerd werden om ze als de sodemieter naar het apenhuis te vervoeren, waar ze bij konden komen van hun belevenissen. Het apenvervoer van en naar de speeltuin was voor veel jonge abonnee ’s het spannendst van het dierentuinbezoek. Hele hordes kinderen, waaronder ik, liepen elke keer mee met de kinderwagen, om te kijken hoe de jonge mensapen er van zeer dicht bij uitzagen en om te proberen ze aan te raken. De oudste orang oetan, Ernst, paste niet meer in de kinderwagen en moest derhalve meelopen aan de hand van een vrijwilligster/er. Op een dag had ik me voor de zoveelste keer op tijd bij het apenhuis opgesteld om weer mee te lopen met de kinderwagen caravaan. Er was op dat moment bij de verzorging een lichte verwarring wie wat moest doen en voor dat ik het wist pakte aap Ernst geroutineerd de dichtstbijzijnde hand en dat was per ongeluk mijn hand, terwijl hij eigenlijk iemand anders moest hebben en liep stoïcijns doch haastig achter de kinderwagen aan, waarbij hij voornamelijk op de zijkanten van zijn voeten sloften en met een hand op de grond steunde. Zijn ruwe kromme vingers klemden als een schroef om de mijne en alsof het de gewoonste zaak van de wereld was liepen Ersnt en ik door de dierentuin, aangegaapt door het publiek. Dit was een echt Kees de Jongen moment: “kijk, daar lopen ze. De aap en die jongen. Ze schijnen onafscheidelijk te zijn”. Iets om nooit te vergeten. Zeker niet toen ik later in het natuurhistorisch museum, waar de opgezette dieren staan, plotseling geconfronteerd werd met een opgezette orang oetan, die verdacht veel op Ernst leek. Ik schrok me het leplazarus, verliet het pand en heb nooit meer een voet in dat educatieve etablissement gezet.

Aad Wieman. Rotterdam, 9-9-2015.

Ik ben een bofkont!

Maandagochtend 10:00u. Ik heb een kop koffie gezet en ga ermee op mijn bank zitten. In stilte geniet ik van het zonnetje dat tegen de gevel van het gebouw aan de overkant schijnt. Op een paar fluitende vogeltjes en het zachte monotone geruis van een ventilatiesysteem van het Hulstkampgebouw na, hoor ik verder niks. Het is stil op het Noordereiland. Dit vind ik het fijnste moment van de dag. Mijn buik wordt gemasseerd door de scherpe nageltjes van Dodo, die alle tijd neemt om het beste plekje op mijn schoot te vinden. De bomen wuiven zachtjes met hun takken op het lichte briesje dat door de straat waait. Ik woon midden in een wereldstad, maar zo voelt het niet. De serene sfeer doet me meer aan het platteland denken en ik realiseer me dat ik een bofkont ben.

Terwijl ik met kleine slokjes mijn hete, sterke koffie op drink overdenk ik afgelopen weekend. De prachtige, roze zonsondergang die ik met mijn voeten in het lichtblauwe zeewater mocht aanschouwen was absoluut het hoogtepunt. Die vijftien minuten voelde als vakantie in een ver tropisch oord, maar was gewoon op de plek waar ik ben opgegroeid. De zaterdagochtend was ook fijn. Koffie en taart met mijn twee Zeeuwse vriendinnen, waar ik al sinds de brugklas bevriend mee ben. De meiden waarmee ik jong ben geweest en volwassen mee ben geworden. Ik zie ze veel te weinig en heb ter plekke besloten dat ik hen veel vaker wil zien.

W. had haar 7 maanden oude zoontje meegenomen. Ik mocht hem ook even vasthouden zodat zijn mama rustig haar taartje op kon eten, voordat het aangevallen werd door de vele wespen die rond onze tafel zwermden. Stoer en stevig stond hij op mijn schoot, ik ondersteunde hem enkel onder zijn armpjes. We moeten lachen om het feit dat twintig (!) jaar geleden de eerste Flippo’s in de zakken chips te vinden waren en dat we dat nog weten als de dag van gisteren. Als tieners waren we altijd bang om ouder te worden, de gedachte om ooit dertig te worden beangstigde ons. Maar daar op het terrasje, de dertig reeds gepasseerd, maakte ons dat helemaal niet meer uit.

Ik denk aan de autorit naar Breda, zaterdagmiddag. Waarbij ik op blote voeten reed en keihard meezong met de popliedjes op de radio. Ik was op weg naar mijn vriend, die de avond daarvoor met veel bier en vrienden de opening van het nieuwe voetbalseizoen had gevierd. De gedachten aan de lach op zijn gezicht toen ik zijn appartement binnenstapte en de kus die hij me als begroeting gaf, zorgen voor een warm gevoel in mijn lijf.

De koffie is inmiddels op en buiten hoor ik weer wat meer geluiden. Kinderen die lachend voorbij rennen op weg naar het speelveldje aan het eind van de straat en een bestelbusje dat belanden wordt. De zon is achter de wolken verdwenen en Dodo staat langzaam op van mijn schoot, rekt zich uit en kijkt vervolgens naar me met zijn ‘wanneer gaan we eten?’ blik. Ik sta op en rek mezelf ook even goed uit. Drie paar kattenogen staren me nu verwachtingsvol aan. ‘Kom jongens, we gaan eten’ roep ik vrolijk en mijn drie katten rennen voor me uit richting de keuken. ‘En ik moet ook maar eens wat gaan doen,’ mompel ik zachtjes tegen mezelf. De week is weer begonnen!

noordereiland 2

 

Sylvia Niemantsverdriet

Dappere Dodo

In 1960 kreeg ik ter ere van mijn twaalfde verjaardag een jaarabonnement op “Diergaarde Blijdorp”. Een fantastisch cadeau. Ik zou daar veel vrije tijd gaan doorbrengen en naar de dieren kijken die ik normaal op de kleine plaatjes in de Verkade albums kon bespeuren. Deze albums kreeg ik ooit van een oom en tante die er toch niet meer in keken, terwijl ik, als ik daar op bezoek kwam, gelijk naar de boeken vroeg. “Dierenboeks” zou ik volgens mijn tante de zoölogische lectuur genoemd hebben. Het is mogelijk. Veel later hoorde ik van mijn moeder wat de ware reden was om mij dat prachtige cadeau te geven. Bij ons in de straat woonde een familie, die bestond uit een forse vrouw, een heleboel grote zonen en een tweetal kleinere jongens. Met de twee jongsten speelde ik op straat. In de vorm van wat onhandig tegen een bal schoppen, die zelfde bal van de tramrails halen om het spel weer te hervatten. Of een onduidelijk spel waarbij men zich moest verstoppen en niet per se gevonden hoefde te worden. Bij de volkstuintjes (de ”tuimpies”) een beetje rondklooien totdat we weggejaagd werden. En televisie kijken in een kale en rommelige huiskamer, die vol stond met aftandse meubelen die neergezet waren in een theateropstelling zodat iedereen de grote zwartwit televisie goed kon zien. Op het toestel werd het kinderprogramma “Dappere Dodo” uitgezonden. Het was een poppenkast vertoning, die heel populair was in die tijd en omdat er toen maar enkele gezinnen in het bezit waren van een toestel, was de ruimte bevolkt met buurkinderen, neeffies, niggies en de broers die op de achtergrond bierdrinkend en vuilbekkend probeerden de televisie te overstemmen. Dit werd duidelijk niet getolereerd door de moeder, die met haar enorme gestalte in een grote fauteuil geperst zat en krijsend liet weten dat de mannen hun vuile kankerkoppen dicht moesten houden. Dappere Dodo kon me maar matig boeien. Ik keek liever besmuikt naar de familie. Twee broers deden me sterk denken aan de plaatjes van Neanderthalers uit onze Winkler Prins encyclopedie. De derde broer vertoonde een frappante gelijkenis met Sammy Davis jr., maar dan zonder zang en virtuoze dans. Ze werden aangesproken met koosnaampjes als Henkie, Appie, Pietje en Wimpie. Keessie, de jongste en drukste, was toen de enige zonder strafblad, zoals ik later begreep. De rest van de broers waren net uit, of onderweg naar verschillende penitentiaire inrichtingen of tuchtscholen. In de loop van de tijd hoorden we meer. Mijn moeder sprak de reusachtige vrouw af en toe, wat een merkwaardig tafereel opleverde omdat de gigant twee maal zo groot was als mijn moeder . Die vertelde vrijuit over de wandaden van haar zonen, waarvan er een paar zo langdurig waren opgesloten dat we ze nooit te zien kregen. Een van de broers werd als “goed” betitteld en “Ach, hij drinkt wel eens een biertje teveel en slaat dan de boel kort en klein. Maar verder is het een goeie jongen.” Een kniesoor die daar op let. We hebben allemaal wel eens wat. Op een keer was er ‘s avonds rumoer in de straat, veroorzaakt door de aankomst van een politiewagen. Wij dachten dat er iemand opgehaald werd. Maar nee, een van de neanderthalers werd thuis gebracht. Zo lazarus als een kanon. Moeder haastte zich waggelend naar buiten en riep: “. Neempu hem assieblief weer mee.” Toen de agent vroeg waarom, sprak ze de legendarische woorden: “ O, meneer het is zo ’n teringlijer”

In die huiskamer waar televisie gekeken werd zat ook een mannetje, verscholen achter een dikke bril met plusglazen waarin zijn ogen akelig groot werden. Hij zat op een stoeltje en bemoeide zich nergens mee. De heer des huizes. Verder heb ik hem nooit gezien. Op een gegeven moment verscheen er in die kamer een sterk geurende en zeer kleurig geklede knappe jonge vrouw met zwart geverfd haar en vuurrode lippenstift. De zus. Later hoorde ik een buurvrouw met een zuinig mondje zeggen, dat ze wel de hoer zou spelen. Mijn moeder heeft mij nooit verboden bij de familie over de vloer te komen. Handig werd het lidmaatschap van Blijdorp ingezet. Ik ging bijna elke dag direct vanuit school naar de dierentuin met mijn abonnement in de aanslag. De broers zag ik niet meer. Alleen op afstand. Keessie riep dan nog wel eens wat honende onverstaanbaarheden mijn richting uit, maar daar bleef het bij. Op deze manier werd ik uit een kwalijke omgeving gehaald. Naadloos.

Jaren later speelde ik mee in een kerstspel dat opgevoerd werd in de Noordsingel gevangenis. Toen ik tussen de gordijnen door gluurde naar de gedetineerden, zag ik tot mijn schrik Keessie tussen de banken door schuifelen op zoek naar een geschikte zitplaats. Van de vroegere bravoure was weinig over en ik wist zeker dat hij me niet zou herkennen in mijn malle outfit als 1 van de 3 koningen.

Aad Wieman. Rotterdam 31-8-2015.

dappere dodo

48 hours team Delfshaven werd gevolgd door Cineac tv Rotterdam

De tv-makers van Cineactv Rotterdam volgden het team van Delfshaven TV tijdens het 48 Hour Film Project. Het resultaat is een making of van maar liefst veertig minuten. Deze is binnenkort op tv te zien, maar nu ook al online. Dank aan Ryan Derks voor het maken van deze uitgebreide film!