Zomertijd en schakelklokken

Ja, de halfjaarlijkse kwelling komt er weer aan. De overschakeling van, dit keer, wintertijd naar zomertijd.
Ik probeer altijd logisch te beredeneren of ik de klok nou naar voren of juist naar achteren moet zetten. Ik krijg het, ook na al die jaren, maar niet in mijn denk-systeem. Wat daar natuurlijk niet aan meewerkt, is dat het om het half jaar net omgekeerd is. Om dol van te worden. Over een half jaar weet ik niet meer hoe het nu ook weer zat en het omgekeerde daarvan dus al helemaal niet. En iedereen die ook met dit probleem worstelt moet onmiddellijk, maar dan ook onmiddellijk, stoppen met lezen, want van mij kun je niets leren. Ga wat anders doen: koper poetsen, collecteren voor een goed doel of zo, maar stop met lezen!

Voor alle anderen die het wel snappen en zich willen verkneukelen aan mijn onkunde (en voor die paar eigenwijzen die ik nogmaals waarschuw: ‘zeg straks niet dat ik je niet gewaarschuwd heb!’):  Ik ga proberen uit te leggen hoe het bij mij werkt.

Kijk, het is nu winter en de zomertijd is er om het langer licht te laten zijn, want in de winter is het vroeg donker. Nog vroeger in de middag is er, in de winter, nog gewoon daglicht, dus ik moet de klok vroeger zetten om het langer licht te laten zijn.
Dit ritueel voer ik jaarlijks uit en beredeneer op die manier vanuit verschillende invalshoeken dat het later donker moet worden dus dat de klok daarom vroeger moet worden gezet.
Ook nu, op dit moment, weet ik niet of ik het dit keer wel of niet goed heb beredeneerd, volgens mij wel.
Zo blij als een kind dat ik het nu echt goed heb, begin ik aan de volgende tantaluskwelling met opgeheven hoofd en vol goede moed; de schakelklokken. In de afgelopen jaren is deze volgende handeling een effectieve controle gebleken op het klokgebeuren van zojuist.
Nou, daar gaat ie dan: Met de zomertijd is het langer licht dus dan moet het licht ook later aan, toch? Ook dat overdenk en beredeneer ik een aantal maal en vol goede moed zet ik de schakelklok dus vooruit en de schakelpennetjes vroeger, want dan gaat ie later aan, omdat het langer licht is.

Meestal, zo rond dit moment in de procedure, begint mijn vrouw zich er mee te bemoeien. Dat levert nog wel eens wat vrolijke discussies op, want inmiddels lachen we om mijn onkunde in het overschakelen van de  zomer- en wintertijden. We hebben het vroeger, toen ik nog de overtuiging had gelijk te hebben, nog wel eens uitgetest of dat zo was. Steevast ging de wekker te vroeg af en gingen de verlichting te laat aan, of omgekeerd.

Voor al die eigenwijzen die er ook mee worstelen en toch doorgelezen hebben, is er toch nog licht aan het einde van de tunnel. Als je achter mijn bovenstaande logica staat en het ook op een dergelijke manier telkens bedenkt, gaat het dus fout.
Ik kwam er onlangs achter dat er een heel eenvoudig ezelsbruggetje is. Eh ….. de hele wereld schijnt ‘m te kennen, behalve ik dan en nog een paar van die sufferds.
Het enige wat je hoeft te onthouden dat in het VOOR-jaar de klok ook naar VOREN gaat. Dan gaat ie in het najaar dus de andere kant op; makkelijk hè.

Volgens mij is dat ezelsbruggetje gewoon bedacht omdat de rest van de wereld er ook mee worstelde hoor. Nou jij weer!

Duur

Ovvie ‘n een emmer leegpleurt

 

Ik reis met het openbaar vervoer

Hij staat onder de overkapping op het perron. Zonder jas, in een wit overhemd, niet eens een hemd er onder. Het is een graad of zeven en het miezert en dus valt hij op. Ik wacht aan de andere kant van het perron, daar waar de metro stopt. Hij moet nog flink doorlopen, want het is zaterdagochtend en dan hebben we maar een korte metro, maar hij is binnen. Ik zit. Hij blijft staan met blauwe vlekken op zijn armen en de rug van zijn handen. Die is niet goed, denk ik. Waarom is hij hier? Zou hij het huis uitgeflikkerd zijn door zijn vrouw? Zomaar, zonder spullen. “Oprotten jij, ik ben je zat!” Nee, hij is niet goed en heeft dus geen vrouw. Zou hij de nacht onder de brug doorgebracht hebben? Nee, zwervers hebben veel meer kleren aan en een blik bier in hun hand. Eendrachtstplein. Ik stap uit. Hij kijkt mij aan en blijft staan.

Een uurtje of negen later stap ik weer in en kan gelukkig zitten. Schuin voor mij zit een man met een klein schermpje voor zich, veel kleiner dan een iPad, maar groter dan een iPhone. Hij kijkt naar een echte speelfilm. Waar gaat die film over? Hij heeft oordopjes in en geniet. Ik hoor niets en kan de ondertiteling niet lezen, te klein. Ik geef het op.

Een jongen zit te spelen met zijn telefoon. Zie ik het nou goed? Met zijn nagel zet hij lijntjes op het schermpje van zijn telefoon. Het wordt een zeilbootje (dat kan ik beter).  Ik moet denken aan mijn toverleitje van vroeger. Misschien heeft u er ook wel zo eentje gehad? Met een plastic stokje kon je er tekeningetjes op maken en als het klaar was: rits rats en weg was de tekening. En die jongen denkt nu dat hij met iets heel nieuws bezig is. Het is gewoon oude wijn in een nieuwe zak.

Aan de overkant staat de man die elke avond in de metro leest. Hij doet dat staand, lopend, zittend en altijd zonder op te kijken. Ik wil weten wat hij leest, maar hij leest digitaal en dus zonder kaft. Ik probeer zijn gezicht te lezen. Houdt hij van humor of leest hij een thriller? Ik kom er niet achter. Zijn gezicht staat altijd in dezelfde stand. Jammer.

Ik reis met het openbaar vervoer, waardoor je veel mensen ontmoet en nooit iemand spreekt. Dat is boeiend, maar het levert wel veel vragen op.

Keuze maken.

Nouw is ‘t genoeg:

je mot kiese of kabele.

Klachten

klagers hebbe geen nood,

pochers hebbe geen brood